Bijbel in Gewone Taal (BGT)
6

Wie is Jezus?

Jezus bezoekt de stad van zijn familie

61Jezus ging naar de stad waar zijn familie woonde. Zijn leerlingen gingen met hem mee. 2Op sabbat gingen ze naar de synagoge. Daar gaf Jezus de mensen uitleg over God.

Veel mensen die Jezus hoorden spreken, waren erg verbaasd. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Hoe weet hij dat allemaal? Hoe komt hij aan die wijsheid? En hoe zit het met al die wonderen die hij doet? 3Hij is toch de timmerman, de zoon van Maria? Zijn broers zijn Jakobus, Joses, Judas en Simon. En zijn zussen wonen hier bij ons.’

De mensen daar wilden niets met Jezus te maken hebben. 4Daarom zei Jezus: ‘Een profeet wordt door iedereen met respect behandeld. Behalve door de mensen in zijn eigen stad en door zijn eigen familie.’

5Jezus kon in die stad geen enkel wonder doen. Hij maakte alleen een paar zieken beter door zijn handen op hun hoofd te leggen. 6Hij was verbaasd dat de mensen in die stad helemaal geen geloof hadden.

Jezus stuurt zijn leerlingen op weg

Jezus ging naar de dorpen in de buurt, en gaf de mensen uitleg over God. 7Op een dag riep hij de twaalf leerlingen bij zich. Hij stuurde ze twee aan twee op weg. Hij gaf ze de macht om kwade geesten weg te jagen. 8Hij zei: ‘Je mag niets meenemen op je reis. Geen brood, geen tas en geen geld, alleen een stok. 9Je mag wel schoenen dragen, maar geen extra kleren aantrekken.’

10Verder zei Jezus tegen hen: ‘Als mensen je uitnodigen in hun huis, blijf daar dan totdat je weer verder reist. 11Maar als mensen je niet binnenlaten en niet naar je luisteren, dan moet je meteen verder reizen. Je moet op die plaats het stof van je voeten vegen. Zo laat je zien dat die mensen de verkeerde keus gemaakt hebben.’

12De leerlingen gingen op weg. Ze zeiden tegen de mensen: ‘Jullie moeten een nieuw leven beginnen.’ 13Ze jaagden uit veel mensen kwade geesten weg. En ze maakten veel zieken beter, waarbij ze wat olie over hen heen goten.

De mensen vragen zich af wie Jezus is

14-16Jezus werd overal bekend. Sommige mensen zeiden: ‘Het is Johannes de Doper. Hij is opgestaan uit de dood, daarom kan hij al die wonderen doen.’ Anderen zeiden: ‘Het is Elia.’ En weer anderen zeiden: ‘Het is zo’n profeet van vroeger.’

Ook koning Herodes hoorde over Jezus. Hij dacht: Dat moet Johannes zijn. Ik heb hem laten doden, maar hij is opgestaan uit de dood.

De dood van Johannes de Doper

Johannes wordt gevangengenomen

17-18Nu volgt het verhaal over de dood van Johannes de Doper.

Koning Herodes had Herodias als vrouw genomen. Maar zij was al de vrouw van zijn broer Filippus. En Johannes had tegen de koning gezegd: ‘U mag niet trouwen met de vrouw van uw broer.’ Daarom had de koning Johannes laten grijpen en hem in de gevangenis opgesloten.

19Herodias haatte Johannes, ze wilde hem dood hebben. Maar ze kreeg haar zin niet. 20Want de koning had veel respect voor Johannes. Hij wist dat Johannes eerlijk was en dat hij bij God hoorde. Daarom beschermde de koning hem. Vaak werd hij onrustig van de dingen die Johannes zei. Toch luisterde hij graag naar hem.

Johannes wordt gedood

21Op een dag kreeg Herodias haar kans. Koning Herodes was jarig en gaf een groot feest. Hij nodigde zijn bestuurders en de legerleiders uit, en de belangrijke mensen uit Galilea.

22Op het feest danste de dochter van Herodias voor de koning en zijn gasten. Iedereen genoot ervan. Daarom zei de koning tegen haar: ‘Je mag een cadeau kiezen. Zeg maar wat je wilt. 23Alles wat je kiest, zal ik je geven. Dat beloof ik je. Zelfs al is het de helft van mijn koninkrijk.’

24Het meisje liep weg en vroeg aan haar moeder: ‘Wat zal ik kiezen?’ Haar moeder zei: ‘Het hoofd van Johannes de Doper.’ 25Meteen holde het meisje terug en zei tegen de koning: ‘Ik wil nu direct het hoofd van Johannes de Doper op een bord.’

26Koning Herodes vond het vreselijk dat ze dat wilde. Maar hij kon er niets meer aan doen. Hij had het beloofd, en alle gasten hadden het gehoord. 27Hij gaf meteen een soldaat de opdracht: ‘Breng het hoofd van Johannes hier.’ De soldaat ging naar Johannes in de gevangenis en hakte zijn hoofd af. 28Hij bracht het hoofd binnen op een bord en gaf het aan het meisje. En het meisje bracht het hoofd naar haar moeder.

29De leerlingen van Johannes hoorden wat er gebeurd was. Ze gingen het lichaam van Johannes halen en legden het in een graf.

Er komen veel mensen bij Jezus

De mensen gaan achter Jezus aan

30De leerlingen die door Jezus op weg waren gestuurd, kwamen terug. Ze vertelden Jezus wat ze allemaal gedaan hadden. En wat ze de mensen geleerd hadden over God. 31Jezus zei tegen hen: ‘Kom, we gaan naar een stille plek om wat uit te rusten.’ Want er kwamen steeds zo veel mensen, dat Jezus en de leerlingen niet eens even konden eten.

32Jezus en de leerlingen gingen met de boot naar een stille plek. 33Maar veel mensen zagen hen wegvaren en begrepen waar ze heen gingen. Overal vandaan liepen mensen snel naar die plek toe. Ze waren er nog eerder dan Jezus en de leerlingen.

34Toen Jezus uit de boot stapte, zag hij al die mensen staan. Hij kreeg medelijden met hen, want hij dacht: Het lijken wel schapen zonder herder. Daarom begon hij hun uitleg te geven over God.

Jezus geeft veel mensen te eten

35-36Toen het avond werd, zeiden de leerlingen tegen Jezus: ‘U moet al die mensen wegsturen. Want het is al laat, en hier is geen eten te krijgen. Ze kunnen beter eten gaan kopen in de dorpen en bij de boeren in de buurt.’

37Maar Jezus zei tegen hen: ‘Nee, geven jullie hun maar te eten.’ De leerlingen zeiden: ‘Meent u dat echt? Hoe komen we aan het geld om voor al die mensen eten te kopen?’ 38Jezus zei: ‘Kijk eerst eens hoeveel eten we bij ons hebben.’ De leerlingen gingen kijken en zeiden: ‘We hebben vijf broden en twee vissen.’ 39Jezus zei tegen de leerlingen: ‘Alle mensen moeten in groepen op het gras gaan zitten.’ 40De mensen gingen zitten in groepen van vijftig en honderd personen.

41Toen nam Jezus het brood en de vis. Hij keek omhoog naar de hemel en dankte God voor het voedsel. Daarna brak hij het brood in stukken en verdeelde de vis. Hij gaf het aan de leerlingen, en zij deelden het uit aan de mensen.

42Alle mensen konden eten zo veel als ze wilden. 43De leerlingen haalden het eten op dat overgebleven was. Het waren twaalf manden vol brood en vis. 44Er hadden wel vijfduizend mensen van het brood gegeten!

Jezus loopt over het water

45-46Jezus zei tegen de leerlingen dat ze naar de boot moesten gaan. Ze moesten alvast naar de overkant varen, naar de plaats Betsaïda. Jezus ging niet mee. Hij stuurde de mensen naar huis. Toen iedereen weg was, ging Jezus een berg op om te bidden.

47-49Het werd nacht. De boot was midden op het meer. Hij kwam bijna niet vooruit. De leerlingen roeiden wel hard, maar ze hadden tegenwind. Jezus stond op de berg. Hij zag dat de leerlingen het moeilijk hadden. Aan het einde van de nacht liep hij over het water naar de boot. Toen hij de boot voorbij wilde gaan, zagen de leerlingen hem op het water lopen. Ze dachten dat het een geest was, en schreeuwden het uit van schrik. 50Alle leerlingen zagen hem en ze waren vreselijk bang.

Maar Jezus zei: ‘Rustig maar, ik ben het. Jullie hoeven niet bang te zijn.’ 51Jezus stapte bij hen in de boot, en het hield op met waaien. De leerlingen waren stomverbaasd. 52Ze hadden het wonder van het brood en de vis niet begrepen. Ze leken wel blind.

Jezus komt in Gennesaret

53Jezus en de leerlingen gingen met de boot naar de overkant van het meer. Ze gingen aan land bij het gebied Gennesaret. 54Zodra ze uit de boot kwamen, werd Jezus door de mensen herkend.

55Overal waar Jezus was, kwamen de mensen uit de omgeving snel naar hem toe. Ze brachten de zieke mensen naar hem toe op draagbedden. 56In elke stad en in elk dorp waar Jezus kwam, werden de zieken op straat neergelegd. De mensen vroegen aan Jezus: ‘Mogen deze mensen alstublieft de rand van uw jas aanraken?’ Want iedereen die hem aanraakte, werd beter.

7

Rein en onrein

Kritiek op farizeeën en wetsleraren

71Er kwamen een paar farizeeën en wetsleraren uit Jeruzalem bij Jezus. 2Zij zagen dat sommige leerlingen van Jezus gingen eten zonder eerst hun handen te wassen. En dat vonden ze verkeerd. 3Want de farizeeën wassen altijd hun handen voor het eten. Dat doen trouwens alle Joden. Het is een gewoonte die bij hen al eeuwenlang bestaat. 4Als ze op de markt zijn geweest, wassen ze zich eerst. Pas daarna gaan ze eten. Ze houden zich ook aan allerlei andere regels. Zoals het afspoelen van bekers, kruiken en schalen.

5De farizeeën en de wetsleraren vroegen aan Jezus: ‘Waarom houden uw leerlingen zich niet aan de regels? Waarom wassen ze hun handen niet? Ze eten met onreine handen!’ 6Jezus antwoordde: ‘Wat zijn jullie schijnheilig! In het boek Jesaja staan woorden van God die precies over jullie gaan: «Deze mensen eren mij met mooie woorden. Maar in hun hart willen ze niets met mij te maken hebben. 7Wat heb ik aan hun eerbied? Ze vertellen niet wat ik wil, maar maken hun eigen regels.»’

8Jezus zei tegen de farizeeën en wetsleraren: ‘Jullie schuiven de regels van God aan de kant. En jullie houden je aan regels van mensen. 9Jullie zijn er goed in om Gods regels af te schaffen! Zo kunnen jullie dan je eigen regels maken.

10In de wet van Mozes staat: «Je moet respect hebben voor je vader en moeder.» En er staat ook: «Als iemand zijn vader of moeder vervloekt, dan moet hij gedood worden.» 11Maar jullie hebben een andere regel bedacht. Iemand mag volgens jullie tegen zijn ouders zeggen: ‘Ik heb mijn hele bezit aan God beloofd, ik kan jullie er niets van geven.’ 12Die persoon mag dan helemaal niets meer aan zijn ouders geven. 13Jullie maken je eigen regels belangrijker dan de wet van God. En dat soort slechte dingen doen jullie voortdurend.’

Het verschil tussen rein en onrein

14Jezus riep de mensen weer bij zich. Hij zei: ‘Luister allemaal goed naar mij en probeer het te begrijpen. 15-16Een mens wordt niet onrein van de dingen die bij hem naar binnen gaan. Nee, een mens wordt juist onrein van de dingen die uit hem naar buiten komen.’

17Toen Jezus en de leerlingen in een huis waren zonder andere mensen, vroegen de leerlingen: ‘Wat bedoelde u daarmee?’ 18Jezus zei: ‘Dat zouden jullie moeten begrijpen! Alles wat je eet, gaat van buiten naar binnen. Dat is bekend. 19Het komt niet in je hart terecht, maar in je maag. En ten slotte verdwijnt het in het riool. Jullie snappen toch wel dat eten een mens niet onrein kan maken?’ Zo liet Jezus zien dat je alles mag eten.

20Jezus zei verder: ‘Een mens wordt onrein van de dingen die uit hem naar buiten komen. 21-23Want alle slechte dingen die een mens doet, komen uit zijn eigen hart: slechte gedachten, verboden seks, moord, belediging, trots en domheid. En ook vreemdgaan, stelen, graaien, liegen, gemeen zijn, jaloers zijn op anderen, en je nergens voor schamen. Al die slechtheid maakt een mens onrein.’

Jezus doet wonderen

Jezus maakt een meisje beter

24Jezus ging naar de omgeving van de stad Tyrus. Hij was daar bij iemand in huis. Hij wilde zijn bezoek geheimhouden, maar de mensen ontdekten toch dat hij er was. 25-26Al snel kwam er een vrouw naar hem toe die over hem gehoord had. De vrouw was niet Joods, ze kwam uit het gebied van Tyrus. Ze had een dochter die een kwade geest in zich had.

De vrouw knielde voor Jezus en vroeg: ‘Wilt u de kwade geest uit mijn dochter wegjagen?’

27Maar Jezus antwoordde: ‘Eerst mogen de kinderen eten zo veel als ze lusten. Het is verkeerd om het brood voor de kinderen aan de honden te voeren.’ 28De vrouw antwoordde: ‘Maar Heer, de kinderen laten soms stukjes brood op de grond vallen. Dat mogen de honden onder de tafel opeten.’ 29Jezus zei tegen haar: ‘Dat heb je goed gezegd. Ga maar rustig naar huis. De kwade geest is al weg uit je dochter.’

30Toen de vrouw thuiskwam, lag haar dochter in bed. De kwade geest was weg.

Jezus maakt een dove man beter

31Jezus ging weer verder. Hij ging via de stad Sidon naar het Meer van Galilea. Onderweg kwam hij door het gebied Dekapolis. 32Daar brachten mensen een man bij hem die doof was en slecht kon praten. Ze zeiden: ‘Leg alstublieft uw hand op hem.’

33Jezus nam de man met zich mee, weg van de mensen. Hij stak zijn vingers in de oren van de man. En hij deed wat spuug op de tong van de man. 34Toen keek Jezus omhoog naar de hemel. Hij zuchtte diep. En hij zei: ‘Effata!’ Dat betekent: ‘Ga open!’ 35Meteen gingen de oren van de man open. Hij kon zijn tong bewegen en goed praten.

36Jezus zei streng tegen de mensen die daar waren: ‘Jullie mogen aan niemand vertellen wat er gebeurd is.’ Maar dat hielp niets. De mensen vertelden het toch door. 37Iedereen was diep onder de indruk. Ze zeiden: ‘Alles wat Jezus doet, is geweldig. Hij kan zelfs mensen helpen die niet kunnen horen of praten.’

8

Jezus geeft veel mensen te eten

81Op een keer waren er weer veel mensen bij Jezus gekomen. Ze hadden geen eten bij zich. Daarom riep Jezus zijn leerlingen en zei: 2‘Ik maak me zorgen over deze mensen. Ze zijn nu al drie dagen hier zonder eten. 3Als ik ze nu laat gaan, zullen ze de reis naar huis niet volhouden. Sommigen moeten een heel eind reizen.’

4De leerlingen antwoordden: ‘Maar hoe komen we aan genoeg eten voor al die mensen? Hier is niets te krijgen.’ 5Jezus vroeg: ‘Hoeveel eten hebben we bij ons?’ De leerlingen antwoordden: ‘We hebben zeven broden.’

6Toen zei Jezus tegen de mensen dat ze op de grond moesten gaan zitten. Hij nam het brood en dankte God voor het voedsel. Daarna brak hij het brood in stukken. Hij gaf het aan de leerlingen, en zij deelden het uit aan de mensen.

7Ze hadden ook een paar kleine vissen bij zich. Jezus dankte God daarvoor. Daarna deelden de leerlingen ook de vis uit.

8De mensen konden eten zo veel als ze wilden. Daarna haalden de leerlingen het eten op dat over was. Het waren zeven manden vol.

9Er waren daar ongeveer vierduizend mensen. Na het eten stuurde Jezus hen naar huis.

De farizeeën vragen om een teken

10Daarna stapten Jezus en de leerlingen in de boot. Ze gingen naar het gebied Dalmanuta. 11Daar kwamen farizeeën naar Jezus toe. Ze begonnen een discussie met hem. Ze zeiden: ‘Bewijs maar eens met een teken dat u door God gestuurd bent!’ Ze wilden laten zien dat Jezus dat niet kon.

12Jezus zuchtte diep en zei: ‘Waarom willen deze mensen toch een teken zien? Luister goed naar mijn woorden: Mensen zoals jullie krijgen zeker geen teken te zien!’ 13Toen liet Jezus de farizeeën daar achter, en stapte met de leerlingen weer in de boot. Ze gingen naar de overkant van het meer.

Jezus vertelt over zichzelf

De leerlingen begrijpen het niet

14De leerlingen waren vergeten om eten mee te nemen. Ze hadden maar één stuk brood bij zich in de boot. 15Jezus waarschuwde hen. Hij zei: ‘Pas op voor de gevaarlijke invloed van de farizeeën en van Herodes.’ 16Maar de leerlingen bespraken intussen met elkaar dat ze geen eten hadden.

17Toen Jezus dat merkte, zei hij: ‘Waarom bespreken jullie met elkaar dat je geen eten hebt? Hebben jullie er dan niets van begrepen? Jullie lijken wel blind! 18Jullie hebben ogen, maar jullie zien niets. Jullie hebben oren, maar jullie horen niets. 19Laatst verdeelde ik vijf broden onder vijfduizend mensen. Zeg eens, hoeveel manden hebben jullie toen opgehaald met brood dat over was?’ De leerlingen zeiden: ‘Twaalf manden.’

20Jezus zei: ‘En later verdeelde ik zeven broden onder vierduizend mensen. Zeg eens, hoeveel manden vol brood hebben jullie toen opgehaald?’ Ze zeiden: ‘Zeven.’ 21Toen zei Jezus: ‘Jullie zouden het nu toch moeten begrijpen!’

Jezus maakt een blinde man beter

22Jezus en de leerlingen kwamen in Betsaïda. Een paar mensen brachten een blinde man bij Jezus. Ze vroegen: ‘Wilt u deze man alstublieft aanraken?’

23Jezus nam de blinde man bij de hand en bracht hem buiten het dorp. Hij deed spuug op de ogen van de man. Toen legde hij zijn handen op hem en vroeg: ‘Zie je iets?’

24De man keek rond en zei: ‘Ik zie mensen, maar het lijken net bomen die rondlopen.’ 25Jezus legde nog een keer zijn handen op de ogen van de man. Toen de man zijn ogen opendeed, kon hij zien. Nu zag hij alles goed. 26Jezus zei tegen hem: ‘Ga naar je huis, maar ga niet naar het dorp.’

Jezus vraagt de leerlingen wie hij is

27Jezus en de leerlingen gingen naar de dorpen in de buurt van de stad Caesarea Filippi. Onderweg vroeg hij aan zijn leerlingen: ‘Wie ben ik volgens de mensen?’

28De leerlingen antwoordden: ‘Sommige mensen zeggen dat u Johannes de Doper bent. Anderen zeggen dat u Elia bent. Weer anderen zeggen dat u één van de profeten van vroeger bent.’

29Toen vroeg Jezus: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Petrus antwoordde: ‘U bent de messias.’ 30Jezus zei: ‘Vertel dat beslist niet aan iemand anders!’

Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren

31Jezus begon aan de leerlingen uit te leggen wat er met hem moest gebeuren. Hij zei: ‘De Mensenzoon zal veel moeten lijden. De leiders van het volk, de priesters en de wetsleraren zullen hem behandelen als een vijand. Hij zal gedood worden. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’ 32Jezus legde hun dit heel duidelijk uit.

Toen nam Petrus Jezus mee, weg van de andere leerlingen. Hij zei tegen Jezus: ‘Zulke dingen mag u beslist niet zeggen.’ 33Maar Jezus draaide zich weer om naar de andere leerlingen. Hij zei boos tegen Petrus: ‘Achteruit jij, Satan! Jij denkt aan wat mensen willen, niet aan wat God wil.’

Jezus vertelt hoe je zijn volgeling wordt

34Jezus riep alle mensen bij zich en ook zijn leerlingen. Hij zei: ‘Als je mijn volgeling wilt zijn, dan mag je niet meer aan jezelf denken. Nee, je moet juist bereid zijn om je leven op te geven en met mij mee te gaan. 35Als je je leven probeert te redden, zul je het juist voor altijd verliezen. Maar je kunt ook je leven verliezen omdat je mijn volgeling bent. Of omdat je het goede nieuws vertelt. Dan zul je je leven juist voor altijd redden.’

36Jezus zei verder: ‘Stel dat je de hele wereld in bezit krijgt. Wat heb je daaraan als je je leven verliest? 37Het eeuwige leven is niet te koop.

38Als je mijn volgeling wilt zijn, moet je je niet schamen voor mij of voor mijn boodschap. Ook al zijn de mensen om je heen slecht en ontrouw aan God. Want anders zal de Mensenzoon zich ook voor jou schamen als hij terugkomt. Bedenk dat de Mensenzoon zal komen met de engelen uit de hemel. En met de macht van zijn Vader.’