Bijbel in Gewone Taal (BGT)
4

Jezus geeft voorbeelden

Het voorbeeld van het zaad

41Jezus ging weer naar het meer. Opnieuw gaf hij de mensen uitleg over God. Er kwam een grote groep mensen om hem heen staan. Daarom stapte hij in een boot die daar lag. Vanaf het water sprak hij tegen alle mensen langs de kant. 2Hij vertelde over God met een voorbeeld. Dat deed hij vaak.

3Hij zei: ‘Luister goed. Een boer gaat naar zijn land om te zaaien. 4Hij strooit het zaad op het land, en een deel van het zaad valt op de weg. Dat wordt door de vogels opgegeten.

5-6Een ander deel van het zaad valt op harde grond vol stenen. Daar ligt maar een dun laagje aarde. Dat zaad komt wel snel op. Maar door die stenen kunnen er geen wortels in de grond groeien. Door de felle zon gaat het koren dood.

7Weer een ander deel van het zaad valt tussen het onkruid. Door het onkruid kan dat zaad niet groeien. Het krijgt geen ruimte en gaat dood. Daarom levert dat zaad niets op.

8Maar een ander deel van het zaad valt in goede grond. Dat zaad komt op en groeit goed. Het wordt goed koren vol graankorrels: dertig, zestig, of wel honderd graankorrels.’

9Toen zei Jezus: ‘Laat dat goed tot je doordringen!’

Waarom gaf Jezus dat voorbeeld?

10Toen Jezus weer alleen was met alle leerlingen, de twaalf en de anderen, vroegen ze hem: ‘Waarom gaf u dat voorbeeld van het zaad in de grond?’

11Jezus zei tegen hen: ‘Aan jullie heb ik het geheim van Gods nieuwe wereld verteld. Maar aan de mensen die niet in mij geloven, geef ik alleen voorbeelden. 12Op die manier zien ze wel wat er gebeurt, maar ze begrijpen het niet. Ze luisteren wel, maar ze snappen het niet. Dus krijgen ze geen spijt van hun verkeerde gedrag en krijgen ze ook geen vergeving van God.’

Jezus legt het voorbeeld uit

13Jezus zei verder: ‘Als jullie het voorbeeld van het zaad al niet begrijpen, dan begrijpen jullie geen enkel voorbeeld. Ik zal het uitleggen. 14Het zaad dat die boer op het land strooit, dat is het goede nieuws van God.

15Sommige mensen lijken op het zaad dat op de weg valt. Die mensen hebben het nieuws wel gehoord. Maar dan komt Satan, en die pakt het meteen weer van hen af.

16Andere mensen lijken op het zaad dat valt op harde grond vol stenen. Die mensen zijn blij als ze het nieuws horen. 17Maar dat duurt niet lang. Ze houden het niet vol. Als ze in moeilijkheden komen door hun geloof, dan geven ze het meteen weer op.

18-19Weer anderen lijken op het zaad dat tussen het onkruid valt. Die mensen hebben het nieuws gehoord, maar ze doen er niets mee. Want ze maken zich zorgen over de dagelijkse dingen. Ze willen rijk worden en een prettig leven hebben. Dat vinden ze belangrijker.

20Maar er zijn ook mensen die lijken op het zaad dat in goede grond valt. Dat zijn de mensen die het nieuws over God horen, en het geloven. Zij leven zoals God het wil. Zij lijken op het goede zaad, dat koren oplevert met wel dertig, zestig of honderd graankorrels.’

Jezus vertelt de mensen over God

21Jezus zei tegen de mensen: ‘Niemand zet een brandende lamp onder een emmer of onder een bed. Je zet een lamp juist hoog, zodat je het licht goed ziet. 22Want alles wat verborgen is, moet zichtbaar worden. En alles wat geheim is, moet bekend worden. 23Laat dat goed tot je doordringen!’

24Jezus zei verder: ‘Let goed op! God geeft net zo veel aan jou als jij aan anderen geeft. Hij doet er zelfs nog iets bij. 25Iemand die veel heeft, krijgt nog meer. Maar iemand die bijna niets heeft, raakt ook het laatste nog kwijt.’

Gods nieuwe wereld

26Jezus zei tegen de mensen: ‘Gods nieuwe wereld lijkt op een man die zaad gestrooid heeft op het land. 27Die man gaat slapen en staat weer op. Elke dag opnieuw. Intussen groeit het zaad in de grond, en het wordt koren. Hoe dat gebeurt, weet die man niet. 28Het is de aarde zelf die het laat groeien. Van de eerste groene puntjes tot het koren vol graankorrels. 29Zodra het koren rijp is, snijdt de man het af. Want dan is de tijd van de oogst gekomen.’

30Jezus zei verder: ‘Willen jullie weten waar Gods nieuwe wereld op lijkt? Ik zal nog een voorbeeld geven. 31-32Gods nieuwe wereld lijkt op een mosterdzaadje. Dat is het kleinste zaadje dat er is. Maar als je het zaait in de grond, dan groeit er uit dat kleine zaadje een boom. Die boom wordt het grootst van alle planten en krijgt dikke takken. In de schaduw van die boom kunnen vogels hun nest bouwen.’

33Jezus gebruikte ook nog andere voorbeelden om uitleg te geven over Gods nieuwe wereld. Alleen zo kon iedereen het goede nieuws begrijpen. 34Als Jezus tegen de mensen sprak, gebruikte hij steeds voorbeelden. Maar aan zijn leerlingen legde hij alles uit.

Jezus doet wonderen

Jezus heeft macht over wind en water

35’s Avonds zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Kom, we varen naar de overkant van het meer.’ 36Jezus zat al in de boot. Ze gingen weg, terwijl de mensen achterbleven bij het meer. Er gingen ook nog andere boten mee. 37Toen begon het hard te stormen. De golven sloegen over de boot, en de boot liep vol water.

38Jezus lag achter in de boot op een kussen te slapen. De leerlingen riepen: ‘Meester, word wakker! Doe toch iets, straks verdrinken we!’ 39Jezus werd wakker. Hij zei streng tegen de wind en het water: ‘Houd op! Wees stil!’ Het hield op met waaien, en het water werd helemaal rustig.

40Jezus zei tegen de leerlingen: ‘Waarom waren jullie zo bang? Hebben jullie nog steeds geen geloof in mij?’ 41De leerlingen schrokken en waren diep onder de indruk. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Zelfs de wind en het water doen wat hij zegt. Wie is deze man?’

5

Een man met een kwade geest

51Ze gingen naar de andere kant van het meer. Daar was het gebied van de Gerasenen. 2-5Toen Jezus uit de boot gestapt was, kwam er een man op hem af.

Die man kwam tevoorschijn uit één van de grotten waar mensen begraven lagen. Daar woonde hij. Hij had een kwade geest in zich. De mensen bonden hem vaak vast met zware kettingen en handboeien. Maar dat duurde niet lang. De man trok de boeien los en maakte de kettingen kapot. Niemand was sterk genoeg om hem tegen te houden. Dus ging die man zijn gang. Dag en nacht stond hij lawaai te maken in de grotten en de bergen. En hij sloeg zichzelf met stenen.

6Toen de man Jezus in de verte zag, rende hij naar hem toe. Hij liet zich voor Jezus op de grond vallen. 7-8Jezus zei tegen de kwade geest die in de man was: ‘Ga weg uit deze man!’ Maar de kwade geest schreeuwde: ‘Jij daar, Jezus, Zoon van de allerhoogste God! Laat me met rust! Ik smeek je, doe me geen pijn.’

Jezus jaagt de kwade geesten weg

9Jezus vroeg aan de man: ‘Hoe heet je?’ Hij zei: ‘Ik heet Leger. Want er zit een leger kwade geesten in me.’ 10De kwade geesten zeiden tegen Jezus: ‘Stuur ons alsjeblieft niet weg uit dit gebied.’ 11Toevallig liep daar in de bergen een grote groep varkens. 12De kwade geesten vroegen aan Jezus: ‘Mogen we in die varkens gaan?’ 13Dat vond Jezus goed.

De kwade geesten gingen weg uit de man. Ze gingen in de varkens. Meteen renden de varkens van de steile berg af, en ze vielen in het meer. Alle varkens verdronken. Het waren er wel tweeduizend.

De mensen willen dat Jezus weggaat

14-15De mannen die op de varkens gepast hadden, vluchtten weg. Ze vertelden overal wat ze gezien hadden. De mensen gingen kijken wat er gebeurd was. Ze kwamen bij Jezus. Daar zagen ze ook de man die eerst een leger kwade geesten in zich had. Nu zat hij daar rustig, met kleren aan en helemaal normaal. De mensen schrokken ervan.

16Een paar mensen hadden alles gezien. Ze vertelden het aan de anderen. Ze zeiden dat de kwade geesten in de varkens gegaan waren. En ze vertelden wat er daarna met die varkens gebeurd was. 17Toen de mensen dat hoorden, zeiden ze tegen Jezus: ‘Ga alstublieft weg uit ons gebied.’

18Jezus stapte in de boot. De man die eerst kwade geesten in zich had, wilde heel graag mee. 19Maar Jezus zei: ‘Nee. Ik wil dat je teruggaat naar je huis en je familie. Vertel hun wat de Heer voor jou gedaan heeft, en hoe goed hij voor je geweest is.’

20De man ging naar het gebied dat Dekapolis heet. Daar begon hij te vertellen wat Jezus voor hem gedaan had. En iedereen die het hoorde, was verbaasd.

Jaïrus komt bij Jezus

21Jezus en zijn leerlingen gingen weer met de boot naar de overkant van het meer. Daar kwam een grote groep mensen naar Jezus toe. 22Er kwam ook een man die Jaïrus heette. Hij was een leider van de synagoge. Jaïrus zag Jezus en knielde voor hem. 23Hij zei tegen Jezus: ‘Luister alstublieft naar mij. Mijn dochter gaat dood! Kom alstublieft mee en leg uw handen op haar hoofd. Dan zal ze beter worden en blijven leven.’

24Toen ging Jezus met Jaïrus mee.

Een zieke vrouw raakt Jezus aan

Een grote groep mensen volgde Jezus, en iedereen duwde tegen hem aan. 25Tussen de mensen liep ook een vrouw die al twaalf jaar ziek was. Ze verloor steeds bloed. 26Allerlei dokters hadden haar behandeld, maar de pijn was alleen maar erger geworden. Ze had al haar geld aan die dokters uitgegeven. Maar het was niet beter geworden, alleen maar slechter.

27Die vrouw had over Jezus gehoord. Ze ging tussen de mensen door totdat ze vlak achter Jezus was, en ze raakte zijn jas aan. 28Want ze dacht: Om beter te worden, hoef ik alleen maar zijn kleren aan te raken. 29En inderdaad, het bloeden stopte meteen. De vrouw voelde dat ze helemaal beter was.

30Op hetzelfde moment voelde Jezus dat er kracht uit hem wegging. Hij draaide zich om naar de mensen en zei: ‘Wie heeft mij aangeraakt?’ 31De leerlingen zeiden tegen hem: ‘Hoe kunt u dat nu vragen? Iedereen staat hier tegen u aan te duwen!’ 32Maar Jezus keek rond. Hij wilde weten wie hem aangeraakt had.

33De vrouw begreep wat er gebeurd was. Bevend van angst kwam ze naar voren en knielde voor Jezus. En ze vertelde hem eerlijk wat er gebeurd was. 34Jezus zei tegen haar: ‘Je bent beter geworden dankzij je geloof. Je kunt gerust zijn, je ziekte is weg.’

Jezus maakt de dochter van Jaïrus weer levend

35Terwijl Jezus nog sprak tegen de vrouw, kwam er iemand met een bericht voor Jaïrus. Hij zei: ‘Uw dochter is gestorven. U kunt Jezus nu maar beter met rust laten.’ 36Jezus hoorde dat en zei tegen Jaïrus: ‘Wees niet bang! Blijf geloven.’

37Jezus liet niemand meegaan, behalve Petrus, en de broers Jakobus en Johannes. 38Ze kwamen bij het huis van Jaïrus. Daar hoorden ze veel lawaai. Binnen stond een groep mensen te huilen en te schreeuwen. 39Jezus zei: ‘Waarom staan jullie zo hard te huilen? Het meisje is niet gestorven, maar ze slaapt.’

40De mensen lachten hem uit. Maar Jezus stuurde iedereen naar buiten. Hij nam alleen de ouders van het meisje mee, en de drie leerlingen. Ze gingen naar de kamer waar het meisje lag. 41Jezus pakte haar hand vast en zei: ‘Talita koem.’ Dat betekent: ‘Meisje, sta op!’ 42Meteen stond het meisje op en ze begon te lopen. Ze was twaalf jaar.

Iedereen die het gezien had, was stomverbaasd. 43Jezus zei tegen hen: ‘Niemand mag dit te weten komen!’ En hij zei ook: ‘Geef haar wat te eten.’

6

Wie is Jezus?

Jezus bezoekt de stad van zijn familie

61Jezus ging naar de stad waar zijn familie woonde. Zijn leerlingen gingen met hem mee. 2Op sabbat gingen ze naar de synagoge. Daar gaf Jezus de mensen uitleg over God.

Veel mensen die Jezus hoorden spreken, waren erg verbaasd. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Hoe weet hij dat allemaal? Hoe komt hij aan die wijsheid? En hoe zit het met al die wonderen die hij doet? 3Hij is toch de timmerman, de zoon van Maria? Zijn broers zijn Jakobus, Joses, Judas en Simon. En zijn zussen wonen hier bij ons.’

De mensen daar wilden niets met Jezus te maken hebben. 4Daarom zei Jezus: ‘Een profeet wordt door iedereen met respect behandeld. Behalve door de mensen in zijn eigen stad en door zijn eigen familie.’

5Jezus kon in die stad geen enkel wonder doen. Hij maakte alleen een paar zieken beter door zijn handen op hun hoofd te leggen. 6Hij was verbaasd dat de mensen in die stad helemaal geen geloof hadden.

Jezus stuurt zijn leerlingen op weg

Jezus ging naar de dorpen in de buurt, en gaf de mensen uitleg over God. 7Op een dag riep hij de twaalf leerlingen bij zich. Hij stuurde ze twee aan twee op weg. Hij gaf ze de macht om kwade geesten weg te jagen. 8Hij zei: ‘Je mag niets meenemen op je reis. Geen brood, geen tas en geen geld, alleen een stok. 9Je mag wel schoenen dragen, maar geen extra kleren aantrekken.’

10Verder zei Jezus tegen hen: ‘Als mensen je uitnodigen in hun huis, blijf daar dan totdat je weer verder reist. 11Maar als mensen je niet binnenlaten en niet naar je luisteren, dan moet je meteen verder reizen. Je moet op die plaats het stof van je voeten vegen. Zo laat je zien dat die mensen de verkeerde keus gemaakt hebben.’

12De leerlingen gingen op weg. Ze zeiden tegen de mensen: ‘Jullie moeten een nieuw leven beginnen.’ 13Ze jaagden uit veel mensen kwade geesten weg. En ze maakten veel zieken beter, waarbij ze wat olie over hen heen goten.

De mensen vragen zich af wie Jezus is

14-16Jezus werd overal bekend. Sommige mensen zeiden: ‘Het is Johannes de Doper. Hij is opgestaan uit de dood, daarom kan hij al die wonderen doen.’ Anderen zeiden: ‘Het is Elia.’ En weer anderen zeiden: ‘Het is zo’n profeet van vroeger.’

Ook koning Herodes hoorde over Jezus. Hij dacht: Dat moet Johannes zijn. Ik heb hem laten doden, maar hij is opgestaan uit de dood.

De dood van Johannes de Doper

Johannes wordt gevangengenomen

17-18Nu volgt het verhaal over de dood van Johannes de Doper.

Koning Herodes had Herodias als vrouw genomen. Maar zij was al de vrouw van zijn broer Filippus. En Johannes had tegen de koning gezegd: ‘U mag niet trouwen met de vrouw van uw broer.’ Daarom had de koning Johannes laten grijpen en hem in de gevangenis opgesloten.

19Herodias haatte Johannes, ze wilde hem dood hebben. Maar ze kreeg haar zin niet. 20Want de koning had veel respect voor Johannes. Hij wist dat Johannes eerlijk was en dat hij bij God hoorde. Daarom beschermde de koning hem. Vaak werd hij onrustig van de dingen die Johannes zei. Toch luisterde hij graag naar hem.

Johannes wordt gedood

21Op een dag kreeg Herodias haar kans. Koning Herodes was jarig en gaf een groot feest. Hij nodigde zijn bestuurders en de legerleiders uit, en de belangrijke mensen uit Galilea.

22Op het feest danste de dochter van Herodias voor de koning en zijn gasten. Iedereen genoot ervan. Daarom zei de koning tegen haar: ‘Je mag een cadeau kiezen. Zeg maar wat je wilt. 23Alles wat je kiest, zal ik je geven. Dat beloof ik je. Zelfs al is het de helft van mijn koninkrijk.’

24Het meisje liep weg en vroeg aan haar moeder: ‘Wat zal ik kiezen?’ Haar moeder zei: ‘Het hoofd van Johannes de Doper.’ 25Meteen holde het meisje terug en zei tegen de koning: ‘Ik wil nu direct het hoofd van Johannes de Doper op een bord.’

26Koning Herodes vond het vreselijk dat ze dat wilde. Maar hij kon er niets meer aan doen. Hij had het beloofd, en alle gasten hadden het gehoord. 27Hij gaf meteen een soldaat de opdracht: ‘Breng het hoofd van Johannes hier.’ De soldaat ging naar Johannes in de gevangenis en hakte zijn hoofd af. 28Hij bracht het hoofd binnen op een bord en gaf het aan het meisje. En het meisje bracht het hoofd naar haar moeder.

29De leerlingen van Johannes hoorden wat er gebeurd was. Ze gingen het lichaam van Johannes halen en legden het in een graf.

Er komen veel mensen bij Jezus

De mensen gaan achter Jezus aan

30De leerlingen die door Jezus op weg waren gestuurd, kwamen terug. Ze vertelden Jezus wat ze allemaal gedaan hadden. En wat ze de mensen geleerd hadden over God. 31Jezus zei tegen hen: ‘Kom, we gaan naar een stille plek om wat uit te rusten.’ Want er kwamen steeds zo veel mensen, dat Jezus en de leerlingen niet eens even konden eten.

32Jezus en de leerlingen gingen met de boot naar een stille plek. 33Maar veel mensen zagen hen wegvaren en begrepen waar ze heen gingen. Overal vandaan liepen mensen snel naar die plek toe. Ze waren er nog eerder dan Jezus en de leerlingen.

34Toen Jezus uit de boot stapte, zag hij al die mensen staan. Hij kreeg medelijden met hen, want hij dacht: Het lijken wel schapen zonder herder. Daarom begon hij hun uitleg te geven over God.

Jezus geeft veel mensen te eten

35-36Toen het avond werd, zeiden de leerlingen tegen Jezus: ‘U moet al die mensen wegsturen. Want het is al laat, en hier is geen eten te krijgen. Ze kunnen beter eten gaan kopen in de dorpen en bij de boeren in de buurt.’

37Maar Jezus zei tegen hen: ‘Nee, geven jullie hun maar te eten.’ De leerlingen zeiden: ‘Meent u dat echt? Hoe komen we aan het geld om voor al die mensen eten te kopen?’ 38Jezus zei: ‘Kijk eerst eens hoeveel eten we bij ons hebben.’ De leerlingen gingen kijken en zeiden: ‘We hebben vijf broden en twee vissen.’ 39Jezus zei tegen de leerlingen: ‘Alle mensen moeten in groepen op het gras gaan zitten.’ 40De mensen gingen zitten in groepen van vijftig en honderd personen.

41Toen nam Jezus het brood en de vis. Hij keek omhoog naar de hemel en dankte God voor het voedsel. Daarna brak hij het brood in stukken en verdeelde de vis. Hij gaf het aan de leerlingen, en zij deelden het uit aan de mensen.

42Alle mensen konden eten zo veel als ze wilden. 43De leerlingen haalden het eten op dat overgebleven was. Het waren twaalf manden vol brood en vis. 44Er hadden wel vijfduizend mensen van het brood gegeten!

Jezus loopt over het water

45-46Jezus zei tegen de leerlingen dat ze naar de boot moesten gaan. Ze moesten alvast naar de overkant varen, naar de plaats Betsaïda. Jezus ging niet mee. Hij stuurde de mensen naar huis. Toen iedereen weg was, ging Jezus een berg op om te bidden.

47-49Het werd nacht. De boot was midden op het meer. Hij kwam bijna niet vooruit. De leerlingen roeiden wel hard, maar ze hadden tegenwind. Jezus stond op de berg. Hij zag dat de leerlingen het moeilijk hadden. Aan het einde van de nacht liep hij over het water naar de boot. Toen hij de boot voorbij wilde gaan, zagen de leerlingen hem op het water lopen. Ze dachten dat het een geest was, en schreeuwden het uit van schrik. 50Alle leerlingen zagen hem en ze waren vreselijk bang.

Maar Jezus zei: ‘Rustig maar, ik ben het. Jullie hoeven niet bang te zijn.’ 51Jezus stapte bij hen in de boot, en het hield op met waaien. De leerlingen waren stomverbaasd. 52Ze hadden het wonder van het brood en de vis niet begrepen. Ze leken wel blind.

Jezus komt in Gennesaret

53Jezus en de leerlingen gingen met de boot naar de overkant van het meer. Ze gingen aan land bij het gebied Gennesaret. 54Zodra ze uit de boot kwamen, werd Jezus door de mensen herkend.

55Overal waar Jezus was, kwamen de mensen uit de omgeving snel naar hem toe. Ze brachten de zieke mensen naar hem toe op draagbedden. 56In elke stad en in elk dorp waar Jezus kwam, werden de zieken op straat neergelegd. De mensen vroegen aan Jezus: ‘Mogen deze mensen alstublieft de rand van uw jas aanraken?’ Want iedereen die hem aanraakte, werd beter.