Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

Jezus maakt iemand beter op sabbat

31Jezus ging weer naar de synagoge. Daar was ook een man met een vergroeide hand. 2De farizeeën letten goed op Jezus. Ze dachten: Als hij die man beter maakt op sabbat, kunnen we een klacht tegen hem indienen. 3Jezus zei tegen de man: ‘Kom eens hier staan.’

4Toen zei Jezus tegen de farizeeën: ‘Mag je op sabbat iets goeds doen? Of is het beter om iets slechts te doen? Mag je op sabbat iemands leven redden? Of is het beter om iemand dood te laten gaan?’ Maar de farizeeën gaven geen antwoord. 5Jezus keek hen aan. Hij was boos en verdrietig omdat ze hem niet wilden begrijpen.

Jezus zei tegen de zieke man: ‘Steek je hand uit.’ De man stak zijn hand uit en meteen was de hand beter. 6De farizeeën liepen weg. Ze maakten een plan om Jezus te doden. Ze maakten dat plan samen met de dienaren van koning Herodes.

Veel mensen komen naar Jezus toe

7-8Jezus en zijn leerlingen gingen terug naar het meer. Een grote groep mensen uit Galilea ging met hen mee. En er kwamen nog veel meer mensen. Ze kwamen niet alleen uit Judea en Jeruzalem, maar ook uit andere landen en steden. Al die mensen hadden over Jezus gehoord. Daarom kwamen ze naar hem toe.

9Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Zorg dat er een boot klaarligt. Dan kan ik daar instappen als de mensen te veel dringen.’ 10En inderdaad, alle zieken waren aan het dringen om vooraan te kunnen staan. Ze wilden Jezus aanraken. Want het was bekend dat Jezus al heel veel zieken beter gemaakt had.

11Mensen met een kwade geest lieten zich voor Jezus op de grond vallen. Dan riepen die kwade geesten: ‘Jij bent de Zoon van God!’ 12Maar Jezus zei streng tegen hen: ‘Je mag aan niemand vertellen wie ik ben.’

Jezus stelt twaalf apostelen aan

13-14Toen ging Jezus een berg op. Hij riep twaalf mensen bij zich, en ze kwamen naar hem toe. Jezus noemde hen ‘apostelen’. Hij gaf hun de opdracht om met hem mee te gaan, en overal het goede nieuws te vertellen. 15Ook kregen ze de macht om kwade geesten uit mensen weg te jagen.

16De eerste van die twaalf was Simon. Jezus noemde hem Petrus. 17Dan Jakobus en Johannes, twee broers. Hun vader was Zebedeüs. Jezus noemde hen Boanerges. Dat betekent: de donderaars. 18-19Verder Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon Kananeüs en Judas Iskariot. Deze Judas Iskariot heeft later meegeholpen om Jezus gevangen te nemen.

De familie van Jezus gaat naar hem toe

20Jezus en de leerlingen gingen weer naar huis. Maar ze kregen niet eens de kans om rustig te eten. Want er waren alweer heel veel mensen naar Jezus toe gekomen. 21Ook de familie van Jezus hoorde wat er allemaal gebeurde. Ze gingen op weg om hem met zich mee te nemen. Want ze dachten: Hij is gek geworden.

Jezus reageert op de wetsleraren

22Intussen waren er wetsleraren gekomen uit Jeruzalem. Ze zeiden: ‘Die Jezus heeft Satan in zich. Jezus kan kwade geesten wegjagen omdat Satan hem helpt. Want Satan is de leider van de kwade geesten.’

23Maar Jezus riep die wetsleraren bij zich. Hij zei: ‘Satan kan toch niet zichzelf wegjagen?’ Hij legde het uit met een paar voorbeelden. 24Hij zei: ‘Als een land oorlog voert tegen zichzelf, dan blijft er van dat land niets over. 25En als er binnen een familie ruzie is, dan valt die familie uit elkaar. 26Met Satan is het net zo. Als Satan tegen zichzelf vecht, dan blijft hij niet bestaan, dan blijft er niets van hem over.’

27Jezus gaf nog een voorbeeld. Hij zei: ‘Het huis van een sterke man kun je niet zomaar leegroven. Je moet eerst die man vastbinden. Pas dan kun je zijn huis leeghalen.’

28Toen zei Jezus: ‘Luister goed naar mijn woorden: Alles wat de mensen verkeerd doen, wil God vergeven. Zelfs als mensen God beledigen, zal hij hen vergeven. 29Maar als iemand de heilige Geest beledigt, krijgt hij geen vergeving. Zo iemand blijft altijd schuldig. Die fout is niet goed te maken.’ 30Jezus zei dat, omdat de wetsleraren hadden gezegd: ‘Jezus heeft een kwade geest in zich.’

De familie van Jezus komt bij hem

31Intussen waren de moeder en de broers van Jezus aangekomen bij het huis waar Jezus was. Ze bleven buiten staan en stuurden iemand naar binnen om hem te roepen. 32Binnen zaten alle mensen om Jezus heen. Ze gaven het bericht aan hem door: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten. Ze zijn naar u op zoek.’

33Maar Jezus antwoordde: ‘Wie is mijn moeder? En wie zijn mijn broers?’ 34Hij keek de mensen aan die om hem heen zaten. En hij zei: ‘Hier zit mijn moeder. Hier zitten mijn broers. 35Want iedereen die doet wat God wil, die is mijn broer, mijn zus en mijn moeder.’

4

Jezus geeft voorbeelden

Het voorbeeld van het zaad

41Jezus ging weer naar het meer. Opnieuw gaf hij de mensen uitleg over God. Er kwam een grote groep mensen om hem heen staan. Daarom stapte hij in een boot die daar lag. Vanaf het water sprak hij tegen alle mensen langs de kant. 2Hij vertelde over God met een voorbeeld. Dat deed hij vaak.

3Hij zei: ‘Luister goed. Een boer gaat naar zijn land om te zaaien. 4Hij strooit het zaad op het land, en een deel van het zaad valt op de weg. Dat wordt door de vogels opgegeten.

5-6Een ander deel van het zaad valt op harde grond vol stenen. Daar ligt maar een dun laagje aarde. Dat zaad komt wel snel op. Maar door die stenen kunnen er geen wortels in de grond groeien. Door de felle zon gaat het koren dood.

7Weer een ander deel van het zaad valt tussen het onkruid. Door het onkruid kan dat zaad niet groeien. Het krijgt geen ruimte en gaat dood. Daarom levert dat zaad niets op.

8Maar een ander deel van het zaad valt in goede grond. Dat zaad komt op en groeit goed. Het wordt goed koren vol graankorrels: dertig, zestig, of wel honderd graankorrels.’

9Toen zei Jezus: ‘Laat dat goed tot je doordringen!’

Waarom gaf Jezus dat voorbeeld?

10Toen Jezus weer alleen was met alle leerlingen, de twaalf en de anderen, vroegen ze hem: ‘Waarom gaf u dat voorbeeld van het zaad in de grond?’

11Jezus zei tegen hen: ‘Aan jullie heb ik het geheim van Gods nieuwe wereld verteld. Maar aan de mensen die niet in mij geloven, geef ik alleen voorbeelden. 12Op die manier zien ze wel wat er gebeurt, maar ze begrijpen het niet. Ze luisteren wel, maar ze snappen het niet. Dus krijgen ze geen spijt van hun verkeerde gedrag en krijgen ze ook geen vergeving van God.’

Jezus legt het voorbeeld uit

13Jezus zei verder: ‘Als jullie het voorbeeld van het zaad al niet begrijpen, dan begrijpen jullie geen enkel voorbeeld. Ik zal het uitleggen. 14Het zaad dat die boer op het land strooit, dat is het goede nieuws van God.

15Sommige mensen lijken op het zaad dat op de weg valt. Die mensen hebben het nieuws wel gehoord. Maar dan komt Satan, en die pakt het meteen weer van hen af.

16Andere mensen lijken op het zaad dat valt op harde grond vol stenen. Die mensen zijn blij als ze het nieuws horen. 17Maar dat duurt niet lang. Ze houden het niet vol. Als ze in moeilijkheden komen door hun geloof, dan geven ze het meteen weer op.

18-19Weer anderen lijken op het zaad dat tussen het onkruid valt. Die mensen hebben het nieuws gehoord, maar ze doen er niets mee. Want ze maken zich zorgen over de dagelijkse dingen. Ze willen rijk worden en een prettig leven hebben. Dat vinden ze belangrijker.

20Maar er zijn ook mensen die lijken op het zaad dat in goede grond valt. Dat zijn de mensen die het nieuws over God horen, en het geloven. Zij leven zoals God het wil. Zij lijken op het goede zaad, dat koren oplevert met wel dertig, zestig of honderd graankorrels.’

Jezus vertelt de mensen over God

21Jezus zei tegen de mensen: ‘Niemand zet een brandende lamp onder een emmer of onder een bed. Je zet een lamp juist hoog, zodat je het licht goed ziet. 22Want alles wat verborgen is, moet zichtbaar worden. En alles wat geheim is, moet bekend worden. 23Laat dat goed tot je doordringen!’

24Jezus zei verder: ‘Let goed op! God geeft net zo veel aan jou als jij aan anderen geeft. Hij doet er zelfs nog iets bij. 25Iemand die veel heeft, krijgt nog meer. Maar iemand die bijna niets heeft, raakt ook het laatste nog kwijt.’

Gods nieuwe wereld

26Jezus zei tegen de mensen: ‘Gods nieuwe wereld lijkt op een man die zaad gestrooid heeft op het land. 27Die man gaat slapen en staat weer op. Elke dag opnieuw. Intussen groeit het zaad in de grond, en het wordt koren. Hoe dat gebeurt, weet die man niet. 28Het is de aarde zelf die het laat groeien. Van de eerste groene puntjes tot het koren vol graankorrels. 29Zodra het koren rijp is, snijdt de man het af. Want dan is de tijd van de oogst gekomen.’

30Jezus zei verder: ‘Willen jullie weten waar Gods nieuwe wereld op lijkt? Ik zal nog een voorbeeld geven. 31-32Gods nieuwe wereld lijkt op een mosterdzaadje. Dat is het kleinste zaadje dat er is. Maar als je het zaait in de grond, dan groeit er uit dat kleine zaadje een boom. Die boom wordt het grootst van alle planten en krijgt dikke takken. In de schaduw van die boom kunnen vogels hun nest bouwen.’

33Jezus gebruikte ook nog andere voorbeelden om uitleg te geven over Gods nieuwe wereld. Alleen zo kon iedereen het goede nieuws begrijpen. 34Als Jezus tegen de mensen sprak, gebruikte hij steeds voorbeelden. Maar aan zijn leerlingen legde hij alles uit.

Jezus doet wonderen

Jezus heeft macht over wind en water

35’s Avonds zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Kom, we varen naar de overkant van het meer.’ 36Jezus zat al in de boot. Ze gingen weg, terwijl de mensen achterbleven bij het meer. Er gingen ook nog andere boten mee. 37Toen begon het hard te stormen. De golven sloegen over de boot, en de boot liep vol water.

38Jezus lag achter in de boot op een kussen te slapen. De leerlingen riepen: ‘Meester, word wakker! Doe toch iets, straks verdrinken we!’ 39Jezus werd wakker. Hij zei streng tegen de wind en het water: ‘Houd op! Wees stil!’ Het hield op met waaien, en het water werd helemaal rustig.

40Jezus zei tegen de leerlingen: ‘Waarom waren jullie zo bang? Hebben jullie nog steeds geen geloof in mij?’ 41De leerlingen schrokken en waren diep onder de indruk. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Zelfs de wind en het water doen wat hij zegt. Wie is deze man?’

5

Een man met een kwade geest

51Ze gingen naar de andere kant van het meer. Daar was het gebied van de Gerasenen. 2-5Toen Jezus uit de boot gestapt was, kwam er een man op hem af.

Die man kwam tevoorschijn uit één van de grotten waar mensen begraven lagen. Daar woonde hij. Hij had een kwade geest in zich. De mensen bonden hem vaak vast met zware kettingen en handboeien. Maar dat duurde niet lang. De man trok de boeien los en maakte de kettingen kapot. Niemand was sterk genoeg om hem tegen te houden. Dus ging die man zijn gang. Dag en nacht stond hij lawaai te maken in de grotten en de bergen. En hij sloeg zichzelf met stenen.

6Toen de man Jezus in de verte zag, rende hij naar hem toe. Hij liet zich voor Jezus op de grond vallen. 7-8Jezus zei tegen de kwade geest die in de man was: ‘Ga weg uit deze man!’ Maar de kwade geest schreeuwde: ‘Jij daar, Jezus, Zoon van de allerhoogste God! Laat me met rust! Ik smeek je, doe me geen pijn.’

Jezus jaagt de kwade geesten weg

9Jezus vroeg aan de man: ‘Hoe heet je?’ Hij zei: ‘Ik heet Leger. Want er zit een leger kwade geesten in me.’ 10De kwade geesten zeiden tegen Jezus: ‘Stuur ons alsjeblieft niet weg uit dit gebied.’ 11Toevallig liep daar in de bergen een grote groep varkens. 12De kwade geesten vroegen aan Jezus: ‘Mogen we in die varkens gaan?’ 13Dat vond Jezus goed.

De kwade geesten gingen weg uit de man. Ze gingen in de varkens. Meteen renden de varkens van de steile berg af, en ze vielen in het meer. Alle varkens verdronken. Het waren er wel tweeduizend.

De mensen willen dat Jezus weggaat

14-15De mannen die op de varkens gepast hadden, vluchtten weg. Ze vertelden overal wat ze gezien hadden. De mensen gingen kijken wat er gebeurd was. Ze kwamen bij Jezus. Daar zagen ze ook de man die eerst een leger kwade geesten in zich had. Nu zat hij daar rustig, met kleren aan en helemaal normaal. De mensen schrokken ervan.

16Een paar mensen hadden alles gezien. Ze vertelden het aan de anderen. Ze zeiden dat de kwade geesten in de varkens gegaan waren. En ze vertelden wat er daarna met die varkens gebeurd was. 17Toen de mensen dat hoorden, zeiden ze tegen Jezus: ‘Ga alstublieft weg uit ons gebied.’

18Jezus stapte in de boot. De man die eerst kwade geesten in zich had, wilde heel graag mee. 19Maar Jezus zei: ‘Nee. Ik wil dat je teruggaat naar je huis en je familie. Vertel hun wat de Heer voor jou gedaan heeft, en hoe goed hij voor je geweest is.’

20De man ging naar het gebied dat Dekapolis heet. Daar begon hij te vertellen wat Jezus voor hem gedaan had. En iedereen die het hoorde, was verbaasd.

Jaïrus komt bij Jezus

21Jezus en zijn leerlingen gingen weer met de boot naar de overkant van het meer. Daar kwam een grote groep mensen naar Jezus toe. 22Er kwam ook een man die Jaïrus heette. Hij was een leider van de synagoge. Jaïrus zag Jezus en knielde voor hem. 23Hij zei tegen Jezus: ‘Luister alstublieft naar mij. Mijn dochter gaat dood! Kom alstublieft mee en leg uw handen op haar hoofd. Dan zal ze beter worden en blijven leven.’

24Toen ging Jezus met Jaïrus mee.

Een zieke vrouw raakt Jezus aan

Een grote groep mensen volgde Jezus, en iedereen duwde tegen hem aan. 25Tussen de mensen liep ook een vrouw die al twaalf jaar ziek was. Ze verloor steeds bloed. 26Allerlei dokters hadden haar behandeld, maar de pijn was alleen maar erger geworden. Ze had al haar geld aan die dokters uitgegeven. Maar het was niet beter geworden, alleen maar slechter.

27Die vrouw had over Jezus gehoord. Ze ging tussen de mensen door totdat ze vlak achter Jezus was, en ze raakte zijn jas aan. 28Want ze dacht: Om beter te worden, hoef ik alleen maar zijn kleren aan te raken. 29En inderdaad, het bloeden stopte meteen. De vrouw voelde dat ze helemaal beter was.

30Op hetzelfde moment voelde Jezus dat er kracht uit hem wegging. Hij draaide zich om naar de mensen en zei: ‘Wie heeft mij aangeraakt?’ 31De leerlingen zeiden tegen hem: ‘Hoe kunt u dat nu vragen? Iedereen staat hier tegen u aan te duwen!’ 32Maar Jezus keek rond. Hij wilde weten wie hem aangeraakt had.

33De vrouw begreep wat er gebeurd was. Bevend van angst kwam ze naar voren en knielde voor Jezus. En ze vertelde hem eerlijk wat er gebeurd was. 34Jezus zei tegen haar: ‘Je bent beter geworden dankzij je geloof. Je kunt gerust zijn, je ziekte is weg.’

Jezus maakt de dochter van Jaïrus weer levend

35Terwijl Jezus nog sprak tegen de vrouw, kwam er iemand met een bericht voor Jaïrus. Hij zei: ‘Uw dochter is gestorven. U kunt Jezus nu maar beter met rust laten.’ 36Jezus hoorde dat en zei tegen Jaïrus: ‘Wees niet bang! Blijf geloven.’

37Jezus liet niemand meegaan, behalve Petrus, en de broers Jakobus en Johannes. 38Ze kwamen bij het huis van Jaïrus. Daar hoorden ze veel lawaai. Binnen stond een groep mensen te huilen en te schreeuwen. 39Jezus zei: ‘Waarom staan jullie zo hard te huilen? Het meisje is niet gestorven, maar ze slaapt.’

40De mensen lachten hem uit. Maar Jezus stuurde iedereen naar buiten. Hij nam alleen de ouders van het meisje mee, en de drie leerlingen. Ze gingen naar de kamer waar het meisje lag. 41Jezus pakte haar hand vast en zei: ‘Talita koem.’ Dat betekent: ‘Meisje, sta op!’ 42Meteen stond het meisje op en ze begon te lopen. Ze was twaalf jaar.

Iedereen die het gezien had, was stomverbaasd. 43Jezus zei tegen hen: ‘Niemand mag dit te weten komen!’ En hij zei ook: ‘Geef haar wat te eten.’