Bijbel in Gewone Taal (BGT)

Jezus maakt iemand beter op sabbat

31Jezus ging weer naar de synagoge. Daar was ook een man met een vergroeide hand. 2De farizeeën letten goed op Jezus. Ze dachten: Als hij die man beter maakt op sabbat, kunnen we een klacht tegen hem indienen. 3Jezus zei tegen de man: ‘Kom eens hier staan.’

4Toen zei Jezus tegen de farizeeën: ‘Mag je op sabbat iets goeds doen? Of is het beter om iets slechts te doen? Mag je op sabbat iemands leven redden? Of is het beter om iemand dood te laten gaan?’ Maar de farizeeën gaven geen antwoord. 5Jezus keek hen aan. Hij was boos en verdrietig omdat ze hem niet wilden begrijpen.

Jezus zei tegen de zieke man: ‘Steek je hand uit.’ De man stak zijn hand uit en meteen was de hand beter. 6De farizeeën liepen weg. Ze maakten een plan om Jezus te doden. Ze maakten dat plan samen met de dienaren van koning Herodes.

Veel mensen komen naar Jezus toe

7-8Jezus en zijn leerlingen gingen terug naar het meer. Een grote groep mensen uit Galilea ging met hen mee. En er kwamen nog veel meer mensen. Ze kwamen niet alleen uit Judea en Jeruzalem, maar ook uit andere landen en steden. Al die mensen hadden over Jezus gehoord. Daarom kwamen ze naar hem toe.

9Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Zorg dat er een boot klaarligt. Dan kan ik daar instappen als de mensen te veel dringen.’ 10En inderdaad, alle zieken waren aan het dringen om vooraan te kunnen staan. Ze wilden Jezus aanraken. Want het was bekend dat Jezus al heel veel zieken beter gemaakt had.

11Mensen met een kwade geest lieten zich voor Jezus op de grond vallen. Dan riepen die kwade geesten: ‘Jij bent de Zoon van God!’ 12Maar Jezus zei streng tegen hen: ‘Je mag aan niemand vertellen wie ik ben.’

Jezus stelt twaalf apostelen aan

13-14Toen ging Jezus een berg op. Hij riep twaalf mensen bij zich, en ze kwamen naar hem toe. Jezus noemde hen ‘apostelen’. Hij gaf hun de opdracht om met hem mee te gaan, en overal het goede nieuws te vertellen. 15Ook kregen ze de macht om kwade geesten uit mensen weg te jagen.

16De eerste van die twaalf was Simon. Jezus noemde hem Petrus. 17Dan Jakobus en Johannes, twee broers. Hun vader was Zebedeüs. Jezus noemde hen Boanerges. Dat betekent: de donderaars. 18-19Verder Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon Kananeüs en Judas Iskariot. Deze Judas Iskariot heeft later meegeholpen om Jezus gevangen te nemen.

De familie van Jezus gaat naar hem toe

20Jezus en de leerlingen gingen weer naar huis. Maar ze kregen niet eens de kans om rustig te eten. Want er waren alweer heel veel mensen naar Jezus toe gekomen. 21Ook de familie van Jezus hoorde wat er allemaal gebeurde. Ze gingen op weg om hem met zich mee te nemen. Want ze dachten: Hij is gek geworden.

Jezus reageert op de wetsleraren

22Intussen waren er wetsleraren gekomen uit Jeruzalem. Ze zeiden: ‘Die Jezus heeft Satan in zich. Jezus kan kwade geesten wegjagen omdat Satan hem helpt. Want Satan is de leider van de kwade geesten.’

23Maar Jezus riep die wetsleraren bij zich. Hij zei: ‘Satan kan toch niet zichzelf wegjagen?’ Hij legde het uit met een paar voorbeelden. 24Hij zei: ‘Als een land oorlog voert tegen zichzelf, dan blijft er van dat land niets over. 25En als er binnen een familie ruzie is, dan valt die familie uit elkaar. 26Met Satan is het net zo. Als Satan tegen zichzelf vecht, dan blijft hij niet bestaan, dan blijft er niets van hem over.’

27Jezus gaf nog een voorbeeld. Hij zei: ‘Het huis van een sterke man kun je niet zomaar leegroven. Je moet eerst die man vastbinden. Pas dan kun je zijn huis leeghalen.’

28Toen zei Jezus: ‘Luister goed naar mijn woorden: Alles wat de mensen verkeerd doen, wil God vergeven. Zelfs als mensen God beledigen, zal hij hen vergeven. 29Maar als iemand de heilige Geest beledigt, krijgt hij geen vergeving. Zo iemand blijft altijd schuldig. Die fout is niet goed te maken.’ 30Jezus zei dat, omdat de wetsleraren hadden gezegd: ‘Jezus heeft een kwade geest in zich.’

De familie van Jezus komt bij hem

31Intussen waren de moeder en de broers van Jezus aangekomen bij het huis waar Jezus was. Ze bleven buiten staan en stuurden iemand naar binnen om hem te roepen. 32Binnen zaten alle mensen om Jezus heen. Ze gaven het bericht aan hem door: ‘Uw moeder en uw broers staan buiten. Ze zijn naar u op zoek.’

33Maar Jezus antwoordde: ‘Wie is mijn moeder? En wie zijn mijn broers?’ 34Hij keek de mensen aan die om hem heen zaten. En hij zei: ‘Hier zit mijn moeder. Hier zitten mijn broers. 35Want iedereen die doet wat God wil, die is mijn broer, mijn zus en mijn moeder.’