Bijbel in Gewone Taal (BGT)
12

Het voorbeeld van de wijngaard

121Jezus sprak tegen de priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk. Hij gaf hun een voorbeeld. Hij zei: ‘Een man heeft een wijngaard. Hij bouwt er een muur omheen, en maakt een bak om de druiven in te persen. Ook bouwt hij een toren voor het bewaken van de wijngaard. Dan verhuurt hij de wijngaard aan boeren, en gaat zelf op reis.

2In de tijd van de oogst stuurt de man een knecht naar de wijngaard. Die moet bij de boeren een deel van de opbrengst ophalen. 3Maar de boeren grijpen die knecht. Ze slaan hem en ze sturen hem weg met lege handen.

4Dan stuurt de man een andere knecht naar de wijngaard. Maar de boeren slaan die knecht in zijn gezicht en ze beledigen hem. 5De man stuurt een derde knecht. Maar de boeren slaan die knecht dood. Zo gaat het ook met alle andere knechten. Sommigen worden in elkaar geslagen, anderen worden vermoord.

6Dan heeft de man alleen nog zijn zoon, van wie hij veel houdt. Die stuurt hij als laatste naar de wijngaard. Want de man denkt: Voor mijn zoon zullen de boeren wel respect hebben.

7Maar de boeren zeggen tegen elkaar: ‘Kijk, daar komt de zoon. Hij zal al het bezit van zijn vader krijgen. Kom, we slaan hem dood! Dan is de wijngaard van ons.’ 8De boeren grijpen de zoon. Ze slaan hem dood, en gooien zijn lichaam de wijngaard uit.’

Het voorbeeld gaat over de leiders

9Jezus zei: ‘Wat zal de eigenaar van de wijngaard nu doen? Hij zal zelf komen. Hij zal de boeren doden, en de wijngaard aan anderen geven.’

10Jezus zei verder: ‘Jullie kennen deze tekst uit de heilige boeken toch wel: «De bouwers gooiden één van de stenen weg. Maar dat werd juist de belangrijkste steen van het gebouw. 11God heeft dat zo bepaald. En de mensen kunnen het niet begrijpen.»’

12De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk snapten dat het voorbeeld van de boeren over hen ging. Ze waren bang dat de mensen nu boos op hen zouden worden. Daarom lieten ze Jezus daar staan en liepen ze weg. Ze maakten een plan om hem gevangen te nemen.

Een vraag met een slechte bedoeling

13De leiders stuurden een paar farizeeën en dienaren van koning Herodes naar Jezus toe. Die moesten proberen om Jezus iets te laten zeggen dat strafbaar was. 14Ze kwamen bij Jezus en zeiden: ‘Meester, u spreekt altijd de waarheid. U zegt geen andere dingen om mensen een plezier te doen, of omdat u bang bent. U vertelt altijd precies wat God van ons wil. Zeg eens, mogen wij belasting betalen aan de keizer of niet?’

15Maar Jezus wist dat ze met die vraag een slechte bedoeling hadden. Hij zei: ‘Jullie willen mij in de val laten lopen! Vooruit, laat mij eens een geldstuk zien.’ 16De farizeeën en de dienaren gaven hem een geldstuk. Toen zei Jezus: ‘Wie staat er op deze munt?’ Ze antwoordden: ‘De keizer.’

17Toen zei Jezus: ‘Geef aan de keizer wat voor de keizer is. En geef aan God wat voor God is.’ Hun mond viel open van verbazing over dat antwoord.

De sadduceeën stellen een vraag

18Toen kwamen er sadduceeën naar Jezus toe. Sadduceeën geloven niet dat de mensen zullen opstaan uit de dood. Ze zeiden tegen Jezus: 19‘Meester, in de wet van Mozes staat deze regel: «Het kan gebeuren dat een man sterft zonder kinderen, en dat zijn vrouw alleen achterblijft. Dan moet de broer van die gestorven man trouwen met de weduwe. Hij moet zorgen dat er een kind komt voor zijn gestorven broer.»

20Maar stel: Er zijn zeven broers. De oudste trouwt. Maar hij sterft zonder kinderen, en zijn vrouw blijft alleen achter. 21Dan trouwt de tweede broer met de vrouw. Maar ook hij sterft zonder kinderen. Met de derde broer gaat het net zo. En met de anderen ook. 22Alle zeven broers sterven zonder kinderen. Als laatste sterft de vrouw. 23Nu is onze vraag: Wat gebeurt er als de mensen opstaan uit de dood? Met wie zal die vrouw dan getrouwd zijn? Want alle zeven broers zijn met haar getrouwd geweest!’

Jezus geeft antwoord op de vraag

24Jezus antwoordde de sadduceeën: ‘Jullie hebben het helemaal fout! Jullie begrijpen de heilige boeken niet. En jullie begrijpen niet hoe machtig God is. 25Als de mensen opstaan uit de dood, dan leven ze niet meer als getrouwde mensen. Dan leven ze zoals de engelen in de hemel.’

26Jezus zei verder: ‘Jullie geloven niet dat de mensen zullen opstaan uit de dood. Maar jullie kennen het verhaal over de brandende doornstruik in het boek van Mozes toch wel? Daar zegt God tegen Mozes: «Ik ben de God van Abraham, Isaak en Jakob.» 27God is geen God van dode mensen, maar van levende mensen. Jullie hebben het dus helemaal fout.’

De belangrijkste regel in de wet

28Toen kwam er een wetsleraar bij Jezus. Hij had de discussie met de sadduceeën gehoord. Hij vond dat Jezus hun heel goed geantwoord had. Nu stelde hij een vraag. Hij zei: ‘Wat is de belangrijkste regel in de wet?’

29Jezus antwoordde: ‘Dit is de belangrijkste regel: «Luister goed, Israëlieten! De Heer, onze God, is de enige God. 30Je moet van hem houden met je hele hart, met je hele ziel, met je hele verstand en met al je kracht.» 31Daarna komt deze regel: «Van de mensen om je heen moet je evenveel houden als van jezelf.» Dat zijn de twee belangrijkste regels.’

32De wetsleraar zei: ‘Inderdaad, meester, u hebt gelijk. Alleen de Heer is God, er is geen andere god. 33En wij moeten van hem houden met ons hele hart, met ons hele verstand en met al onze kracht. En van de mensen om ons heen moeten we evenveel houden als van onszelf. Die regels zijn veel belangrijker dan alle offers in de tempel.’

34Jezus vond dat een verstandige reactie. Daarom zei hij: ‘Jij bent dicht bij Gods nieuwe wereld.’

Daarna durfde niemand meer een vraag aan Jezus te stellen.

Jezus vertelt over de messias

35-36Jezus sprak in de tempel tegen de mensen. Hij gaf uitleg over de messias. Hij zei: ‘De wetsleraren zeggen dat de messias een zoon van David is. Maar luister eens wat David zelf gezegd heeft over de messias: «God zei tegen mijn Heer: Kom naast mij zitten, aan de rechterkant. Ik zal je vijanden diep voor jou laten buigen.»

Dat is wat David gezegd heeft. Het zijn woorden van de heilige Geest. 37David zelf noemde de messias dus zijn Heer. Hoe kan de messias dan tegelijk Davids zoon zijn?’

De mensen hielden ervan om naar Jezus te luisteren.

Jezus waarschuwt voor de wetsleraren

38Jezus gaf de mensen deze les: ‘Pas op voor de wetsleraren! Zij lopen graag rond in deftige kleren. Ze willen beleefd gegroet worden op straat. 39Ze willen de beste plaatsen hebben in de synagoge. En ze willen de mooiste plaatsen krijgen bij een feestelijke maaltijd. 40Ze doen net alsof ze uren aan het bidden zijn. Maar intussen pakken ze het bezit van weduwen af. God zal de wetsleraren extra streng straffen.’

Een arme weduwe geeft geld

41Jezus ging in de tempel bij de geldkist zitten. Hij keek hoe de mensen geld in de kist deden. Veel rijke mensen gaven veel geld. 42Er kwam ook een arme weduwe. Zij deed twee muntjes in de geldkist. Die waren bijna niets waard.

43Toen riep Jezus zijn leerlingen bij zich en zei: ‘Luister goed naar mijn woorden: Die arme vrouw heeft het meest gegeven van allemaal. 44Want de anderen gaven een deel van het geld dat ze overhadden. Maar die vrouw gaf geld dat ze niet kon missen. Ze gaf al het geld dat ze had, alles waarvan ze moest leven.’

13

Het einde van deze wereld

De tempel zal worden afgebroken

131Toen ging Jezus weg uit de tempel. Eén van de leerlingen zei: ‘Kijk, meester, wat een grote stenen! Wat een grote gebouwen!’ 2Jezus zei: ‘Bekijk die grote gebouwen van de tempel maar goed. Ze zullen helemaal worden afgebroken, steen voor steen.’

3Toen ging hij op de Olijfberg zitten, tegenover de tempel. Alleen Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas waren bij hem. Ze vroegen hem: 4‘Wilt u ons vertellen wanneer dat allemaal zal gebeuren? Aan welk teken zullen we zien dat het zover is?’

Er zullen vreselijke dingen gebeuren

5Jezus zei tegen hen: ‘Pas op, laat je niet bedriegen! 6Er zullen veel mensen komen die mijn naam gebruiken. Ze zullen zeggen dat ze de messias zijn. Ze zullen veel mensen bedriegen.

7Schrik niet als jullie horen dat er oorlog is, of dat er oorlog komt. Want dat moet allemaal gebeuren, maar het is nog niet het einde. 8Want eerst zullen alle volken en landen oorlog tegen elkaar voeren. Er zal hongersnood komen, en overal zullen aardbevingen zijn. Dat is het begin van de grote rampen.

De leerlingen krijgen het moeilijk

9Tegen jullie zeg ik: Pas op! Omdat jullie bij mij horen, zullen ze jullie naar de rechtbank of naar de synagoge brengen. Daar zullen jullie geslagen worden. En jullie zullen bij bestuurders en koningen moeten komen. Vertel daar het goede nieuws. 10Want voordat het einde komt, moet het goede nieuws aan alle volken verteld zijn.

11Als ze jullie gevangennemen en wegbrengen, maak je dan geen zorgen over wat je moet zeggen. Maar zeg wat God je op dat moment laat zeggen. Want je spreekt dan niet zelf, maar jullie woorden komen van de heilige Geest.

12De ene broer zal de andere aangeven om hem te laten doden. En vaders zullen hun kinderen aangeven. Kinderen worden vijanden van hun ouders. Ze zullen hun ouders laten doden.

13Omdat jullie bij mij horen, zal iedereen jullie behandelen als vijanden. Maar als je volhoudt tot het einde, zul je gered worden.’

Er zal iets verschrikkelijks gebeuren

14Jezus zei tegen de leerlingen: ‘Op een dag zullen jullie iets verschrikkelijks zien: de Grote Verwoester, die zal staan waar hij niet mag staan. (Lezer, probeer te begrijpen wat dat betekent!)

Dan moet iedereen in Judea de bergen in vluchten. 15Als je buiten bij je huis bent, vlucht dan meteen weg. Ga niet eerst je huis in om nog iets te pakken. 16Ook als je op het land bezig bent, vlucht dan meteen weg. Ga niet eerst terug om je jas te halen.

17Het zal een ramp zijn voor vrouwen die zwanger zijn of een baby hebben. 18Bid tot God dat je niet in de winter hoeft te vluchten. 19Want wat er dan gebeurt, zal verschrikkelijk zijn. Zoiets is nog nooit gebeurd sinds God de wereld gemaakt heeft. En zoiets zal daarna ook nooit meer gebeuren.

20Gelukkig heeft God bepaald dat die verschrikkelijke tijd niet te lang zal duren. Anders zou niemand het volhouden. God heeft die tijd juist extra kort gemaakt. Uit liefde voor de mensen die hij uitgekozen heeft.

Valse messiassen en profeten

21In die tijd zullen mensen tegen jullie zeggen: ‘Kijk, dit is de messias.’ Of: ‘Kijk, dat is hem.’ Geloof die mensen niet!

22Want er zullen allerlei valse messiassen en valse profeten komen. Ze zullen veel wonderen doen. Zo proberen ze de mensen die door God uitgekozen zijn, te bedriegen. 23Pas dus goed op. Ik heb jullie gewaarschuwd.

Jezus vertelt dat hij terug zal komen

24Na die verschrikkelijke tijd gebeurt het volgende. De zon wordt donker, de maan geeft geen licht meer. 25De sterren vallen naar beneden, en alle planeten schudden heen en weer.

26Dan komt de Mensenzoon. Iedereen zal hem zien komen op de wolken, als een machtige en schitterende koning. 27Dan zal hij de engelen over de hele aarde sturen. Zij zullen alle mensen verzamelen die bij de Mensenzoon horen. Overal vandaan, van de hele aarde.’

Het voorbeeld van de vijgenboom

28Jezus gaf een voorbeeld: ‘Het is net als met de vijgenboom. Elk jaar zie je nieuwe bladeren aan zijn takken komen. Dan weet je dat het snel zomer wordt. 29Dat geldt ook voor de dingen waarover ik verteld heb. Als je die dingen ziet gebeuren, dan weet je dat het einde snel zal komen.

30Luister goed naar mijn woorden: Sommige mensen die nu leven, zullen dat nog meemaken. 31De hemel zal verdwijnen, en de aarde zal verdwijnen. Maar mijn woorden zullen niet verdwijnen.

32Niemand weet precies wanneer het gaat gebeuren. Ook de engelen in de hemel weten het niet. En ikzelf ook niet. Alleen God, de Vader, weet het.’

De leerlingen moeten goed opletten

33Jezus zei: ‘Pas op en blijf wakker! Want jullie weten niet wanneer het gaat gebeuren.

34-35Het is net als met een man die een verre reis gaat maken. Hij geeft zijn knechten opdracht om op zijn huis te passen. Elke knecht krijgt een taak. De bewaker krijgt de taak om het huis te bewaken. Niemand weet wanneer de eigenaar van het huis terugkomt van zijn reis. Het kan ’s avonds zijn, of ’s nachts, of ’s ochtends vroeg.

Zo is het ook met jullie. Jullie moeten goed opletten, want jullie weten ook niet wanneer jullie Heer terugkomt. 36Zorg er dus voor dat je niet slaapt als hij onverwachts terugkomt.

37Tegen jullie en tegen iedereen zeg ik: Let goed op!’

14

De vrouw met de olie

Het plan om Jezus te doden

141Het was vlak voor het Joodse Paasfeest. Joden eten dan brood zonder gist. De priesters en de wetsleraren wilden Jezus doden. Ze maakten een plan om hem in het geheim gevangen te nemen. 2Ze dachten: Dat moeten we niet midden op het feest doen. Anders komt het volk in opstand.

Een vrouw giet olie over Jezus heen

3Jezus was in Betanië. Hij was op bezoek bij Simon, die Simon met de Huidziekte genoemd werd. Tijdens het eten kwam er een vrouw binnen. Ze had een flesje met olie bij zich, het was heel dure olie met een lekkere geur. Ze opende het flesje en goot de olie over Jezus’ hoofd.

4Een paar mensen werden boos. Ze riepen: ‘Zonde van die dure olie! 5Die hadden we kunnen verkopen voor een enorm bedrag. En dat geld hadden we aan arme mensen kunnen geven!’ Zo gingen ze tegen de vrouw tekeer.

De vrouw heeft iets goeds gedaan

6Maar Jezus zei: ‘Laat haar met rust. Doe niet zo boos tegen haar. Ze heeft iets goeds voor mij gedaan. 7Arme mensen zullen er altijd zijn. Je kunt hen helpen wanneer je maar wilt. Maar ik zal niet altijd bij jullie zijn. 8Deze vrouw heeft gedaan wat ze kon. Zij heeft mij verzorgd met geurige olie. Daardoor is mijn lichaam klaar om begraven te worden.

9Luister goed naar mijn woorden: Als het goede nieuws verteld wordt, zal er ook over deze vrouw verteld worden. Overal in de wereld zullen de mensen horen wat zij gedaan heeft.’

Judas helpt de priesters

10-11Judas Iskariot, één van de twaalf leerlingen, ging naar de priesters. Hij zei: ‘Ik zal jullie helpen om Jezus gevangen te nemen.’ De priesters waren daar blij mee. Ze wilden Judas er zelfs voor betalen. En Judas begon na te denken over een goed moment om Jezus gevangen te nemen.

De laatste maaltijd

De paasmaaltijd wordt klaargemaakt

12Het was de eerste dag van het Joodse Paasfeest. Op die dag slachten Joden een lam voor de paasmaaltijd. De leerlingen zeiden tegen Jezus: ‘Waar zullen we de paasmaaltijd voor vanavond gaan klaarmaken?’

13-14Jezus stuurde twee leerlingen op weg. Hij zei: ‘Ga naar de stad. Daar zul je een man tegenkomen die een kruik met water draagt. Ga achter hem aan totdat hij ergens naar binnen gaat. Zeg dan tegen de eigenaar van dat huis: ‘Onze meester vraagt waar hij met zijn leerlingen de paasmaaltijd kan vieren.’ 15Dan zal die man jullie naar boven brengen. Daar is een grote kamer, waar alles al klaarstaat. Daar moeten jullie de maaltijd klaarmaken.’

16De twee leerlingen gingen op weg naar de stad. Alles ging precies zoals Jezus gezegd had. De leerlingen maakten de paasmaaltijd klaar. 17’s Avonds kwamen ook Jezus en de andere leerlingen.

Eén leerling gaat Jezus uitleveren

18Tijdens het eten zei Jezus: ‘Luister goed naar mijn woorden: Eén van jullie zal mij uitleveren. Iemand die nu met mij eet.’ 19Daar werden de leerlingen verdrietig van. Eén voor één vroegen ze aan Jezus: ‘Dat ben ik toch niet?’

20Jezus antwoordde: ‘Het is één van jullie twaalf, iemand die uit dezelfde schaal eet als ik. 21De Mensenzoon zal sterven, dat staat in de heilige boeken. Maar wat een ramp voor de man die mij uitlevert! Die man had beter niet geboren kunnen worden.’

Jezus deelt brood en wijn uit

22Tijdens het eten nam Jezus een brood. Hij dankte God. Hij brak het brood in stukken en deelde het uit. Hij zei: ‘Kijk, dit is mijn lichaam.’

23Daarna nam hij een beker wijn. Hij dankte God en liet de beker rondgaan. Iedereen dronk eruit. 24En Jezus zei: ‘Dit is mijn bloed. Als ik gedood word, zal mijn bloed vloeien. Maar daardoor zullen veel mensen gered worden. Dat heeft God beloofd.’

25Jezus zei ook: ‘Luister goed naar mijn woorden: Vanaf nu zal ik geen wijn meer drinken. Ik zal pas weer wijn drinken in Gods nieuwe wereld.’

26Toen zongen Jezus en zijn leerlingen een lied om God te danken. Daarna gingen ze op weg naar de Olijfberg.

Jezus wordt gevangengenomen

De leerlingen zullen Jezus in de steek laten

27Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Jullie zullen mij allemaal in de steek laten. Want God zegt in de heilige boeken: «Ik zal de herder doden, en de schapen zullen alle kanten op rennen.» 28Maar luister goed: Ik zal opstaan uit de dood. En dan ga ik naar Galilea, en daar zullen jullie mij zien.’

29Maar Petrus zei: ‘Misschien zullen alle anderen u in de steek laten, maar ik niet!’ 30Jezus antwoordde: ‘Luister goed, Petrus. Jij zult drie keer zeggen dat je mij niet kent. Dat zal vannacht gebeuren, nog voordat de haan twee keer gekraaid heeft.’

31Maar Petrus zei heel beslist: ‘Nee, ik laat u niet in de steek! Als het moet, wil ik zelfs samen met u sterven!’ En alle andere leerlingen zeiden hetzelfde als Petrus.

Jezus bidt in Getsemane

32Ze kwamen bij een plek die Getsemane heette. Jezus zei tegen de leerlingen: ‘Ik ga bidden. Blijf hier wachten tot ik terugkom.’ 33Hij nam alleen Petrus, Jakobus en Johannes mee.

Toen werd Jezus onrustig en bang. 34Hij zei: ‘Ik houd het niet meer uit, zo verdrietig ben ik. Blijven jullie maar hier, en zorg dat je wakker blijft.’

35-36Jezus liep een klein stukje verder. Hij knielde op de grond en begon te bidden: ‘Vader, alstublieft! Geef dat ik niet hoef te lijden. Abba, Vader, voor u is alles mogelijk. Houd toch dit zware lijden bij mij weg! Maar doe alleen wat u wilt, niet wat ik wil.’

37Jezus ging terug naar de drie leerlingen. Ze lagen te slapen. Hij zei tegen Simon Petrus: ‘Simon, je slaapt! Kun je niet eens één uur wakker blijven? 38Blijf toch wakker! Bid God om kracht, zodat je geen verkeerde keuze maakt. Want jullie willen wel het goede kiezen, maar jullie zijn zwak.’

Jezus bidt opnieuw

39Jezus ging opnieuw bidden. Hij sprak hetzelfde gebed uit als daarvoor. 40Toen hij terugkwam, lagen de leerlingen alweer te slapen. Ze konden hun ogen gewoon niet openhouden. Ze wisten niet wat ze tegen Jezus moesten zeggen.

41Toen Jezus voor de derde keer terugkwam, zei hij: ‘Nu moeten jullie niet langer slapen en uitrusten. Het is zover. Het moment is gekomen dat de Mensenzoon uitgeleverd wordt aan slechte mensen.’

Judas komt eraan

42Jezus zei: ‘Kom, we moeten gaan. De man die mij gaat uitleveren, is dichtbij.’ 43Terwijl Jezus dat zei, kwam Judas eraan. Hij was één van de leerlingen. Hij had een groep mannen bij zich met zwaarden en stokken. Ze waren gestuurd door de priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk.

44Judas had van tevoren met die mannen een teken afgesproken. Hij had gezegd: ‘Ik zal één man groeten met een kus. Dat is de man die jullie moeten hebben. Die moeten jullie gevangennemen. Neem hem mee en bewaak hem goed.’

Jezus wordt gevangengenomen

45Judas liep recht op Jezus af. Hij zei: ‘Meester!’ En hij groette hem met een kus. 46Toen grepen de mannen Jezus vast en ze namen hem gevangen.

47Iemand die erbij was, pakte zijn zwaard. Hij raakte daarmee de knecht van de hogepriester, en sloeg zijn oor eraf.

48Jezus zei tegen de mannen die hem vastgrepen: ‘Jullie zijn hier gekomen met zwaarden en stokken om mij gevangen te nemen. Alsof ik een gevaarlijke misdadiger ben! 49Elke dag was ik in de tempel om de mensen uitleg te geven over God. Jullie zagen mij daar, maar jullie hebben mij niet gevangengenomen. Want het moet gaan zoals het verteld wordt in de heilige boeken.’

De leerlingen laten Jezus in de steek

50Toen lieten alle leerlingen Jezus in de steek. Ze vluchtten weg. 51-52Alleen een jonge man bleef dicht bij Jezus. Hij had een doek om zich heen geslagen. Verder had hij niets aan. De mannen grepen hem ook, maar hij kon ontsnappen. De doek bleef achter in de handen van de mannen. De jonge man vluchtte naakt weg.

Jezus komt bij de hogepriester

53Jezus werd naar het huis van de hogepriester gebracht. Daar kwamen alle priesters, wetsleraren en leiders van het volk bij elkaar.

54Petrus liep op een afstand achter Jezus aan. Hij kwam op de binnenplaats van het huis van de hogepriester. Daar ging hij bij de knechten zitten. Hij hield zich warm bij het vuur.

Jezus wordt vals beschuldigd

55De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk zochten naar mensen die Jezus wilden beschuldigen. Want dan konden ze besluiten om hem te doden. Maar het lukte niet. 56Er werden wel veel valse beschuldigingen tegen Jezus uitgesproken. Maar die waren niet geldig, omdat de getuigen allemaal iets anders zeiden.

57Een paar mensen gingen staan om ook iets slechts over Jezus te vertellen. Het was weer een valse beschuldiging. 58Ze zeiden: ‘Wij hebben Jezus iets horen zeggen over de tempel. Hij heeft gezegd: ‘Ik ga de tempel afbreken! Deze tempel, die door mensen gemaakt is. En binnen drie dagen bouw ik een nieuwe. Dat zal een tempel zijn die niet door mensen gemaakt is.’’ 59Maar ook die getuigen zeiden niet precies hetzelfde, en dus was hun beschuldiging niet geldig.

60Toen ging de hogepriester staan. Hij zei tegen Jezus: ‘Waarom reageert u niet op deze beschuldigingen? U hoort toch wat die mensen over u zeggen?’ 61Maar Jezus bleef zwijgen. Hij zei niets.

Jezus is de Mensenzoon

Toen stelde de hogepriester Jezus een vraag. Hij zei: ‘Bent u de messias, de Zoon van God?’ 62Jezus zei: ‘Ja, dat ben ik. Ik ben de Mensenzoon. Jullie zullen mij naast God zien zitten, aan de rechterkant. En jullie zullen mij uit de hemel zien terugkomen op de wolken.’

63Toen de hogepriester dat hoorde, scheurde hij zijn priestermantel doormidden. Hij zei: ‘We hebben geen beschuldigingen meer nodig. 64Jullie hebben allemaal gehoord dat deze man God beledigde. Wat is jullie oordeel?’ Iedereen vond dat Jezus gedood moest worden.

65Toen begonnen sommige mensen Jezus in zijn gezicht te spugen. Ze deden hem een blinddoek om, en ze begonnen hem hard te slaan. Ze riepen: ‘Hé profeet, zeg eens wie dat deed!’ Ook de knechten sloegen hem.

Petrus zegt dat hij Jezus niet kent

66Petrus zat nog steeds op de binnenplaats. Er kwam een meisje langs dat in dienst was van de hogepriester. 67Ze zag Petrus zitten bij het vuur. Ze keek hem aan en zei: ‘Jij hoort ook bij die Jezus uit Nazaret!’ 68Maar Petrus zei: ‘Welnee! Ik heb geen idee waar je het over hebt.’ Hij liep weg van de binnenplaats en ging terug naar de poort. Er kraaide een haan.

69Maar bij de poort zag het meisje Petrus weer. Ze begon tegen de mensen om zich heen te vertellen dat hij bij Jezus hoorde. 70Maar Petrus zei opnieuw: ‘Dat is niet waar!’

Even later zeiden ook een paar anderen tegen hem: ‘We weten zeker dat jij bij Jezus hoort. Want je komt duidelijk uit Galilea, net als hij!’ 71Toen begon Petrus te vloeken en hij riep: ‘God weet dat ik die man niet ken!’ 72Meteen daarna begon de haan voor de tweede keer die nacht te kraaien.

Toen dacht Petrus terug aan wat Jezus gezegd had: ‘Jij zult drie keer zeggen dat je mij niet kent. Dat zal vannacht gebeuren, nog voordat de haan twee keer gekraaid heeft.’ En Petrus begon te huilen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]