Bijbel in Gewone Taal (BGT)
9

91Jezus zei verder: ‘Luister goed naar mijn woorden: Sommigen van jullie zullen dat nog tijdens hun leven meemaken. Zij zullen Gods nieuwe wereld zien komen.’

Jezus op de berg

Jezus spreekt met Mozes en Elia

2Zes dagen later ging Jezus een hoge berg op. Petrus, Jakobus en Johannes mochten met hem mee. Boven op de berg waren ze helemaal alleen. De leerlingen zagen dat het gezicht van Jezus veranderde. 3En zijn kleren werden zo wit als een helder licht. Geen mens kan kleren zo wit maken.

4Opeens zagen de leerlingen Elia en Mozes. Die waren met Jezus aan het praten. 5Petrus zei tegen Jezus: ‘Meester, het komt goed uit dat wij hier zijn! We zullen drie hutten maken: één voor u, één voor Mozes, en één voor Elia.’ 6Petrus zei zomaar wat. Dat kwam omdat hij en de andere leerlingen erg geschrokken waren.

7Op dat moment kwam er een wolk boven hen. En uit die wolk klonk Gods stem, die zei: ‘Hij alleen is mijn Zoon. Luister naar hem!’ 8De leerlingen keken om zich heen, maar ineens zagen ze Mozes en Elia niet meer. Alleen Jezus was nog bij hen.

Jezus vertelt dat Elia is gekomen

9Toen ze de berg weer af gingen, zei Jezus: ‘Jullie mogen aan niemand vertellen wat je gezien hebt. Eerst moet de Mensenzoon opstaan uit de dood. Pas daarna mogen jullie hierover praten.’

10De leerlingen hielden zich daaraan. Maar intussen vroegen ze zich wel af wat Jezus bedoelde met ‘opstaan uit de dood’. 11Ze vroegen: ‘De wetsleraren zeggen dat Elia eerst moet komen. Hoe zit dat precies?’

12Jezus zei: ‘Dat klopt. Eerst moet Elia komen. Hij komt om alles in orde te maken. Toch zal de Mensenzoon daarna nog veel moeten lijden. Hij zal als een vijand behandeld worden. Dat staat allemaal in de heilige boeken. 13Maar luister naar mijn woorden: Elia is al gekomen. En hij is slecht behandeld. Precies zoals het in de heilige boeken staat.’

Jezus maakt een jongen beter

Een jongen met een kwade geest

14Jezus en de drie leerlingen kwamen terug bij de andere leerlingen. Er stond een grote groep mensen om hen heen. Een paar wetsleraren hadden een discussie met de leerlingen. 15Toen de mensen Jezus zagen, waren ze verrast. Ze liepen meteen naar hem toe om hem te begroeten.

16Jezus vroeg: ‘Waar gaat de discussie over?’ 17Iemand uit de groep mensen gaf hem antwoord: ‘Meester, ik kwam mijn zoon bij u brengen. Hij heeft een kwade geest in zich en daardoor kan hij niet praten. 18Elke keer als die geest mijn zoon te pakken neemt, gooit hij hem op de grond. Dan krijgt mijn zoon schuim op zijn mond. Hij knarst met zijn tanden en wordt helemaal stijf. Ik vroeg aan uw leerlingen om die geest uit mijn zoon weg te jagen. Maar ze konden het niet.’

Jezus praat met de vader van de jongen

19Jezus zei: ‘Wat zijn jullie toch ongelovig! Hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe houd ik dat vol? Breng die jongen hier!’

20Ze brachten de jongen bij hem. Toen de kwade geest Jezus zag, schudde hij de jongen hard door elkaar. Met schuim op zijn mond viel de jongen op de grond, en hij rolde heen en weer.

21Jezus vroeg aan de vader: ‘Hoe lang heeft hij dit al?’ De vader zei: ‘Hij had het al als klein kind. 22De kwade geest heeft hem al vaak in het vuur en in het water gegooid. Want hij wil hem doden. Als u iets kunt doen, heb dan medelijden met ons en help ons.’ 23Jezus zei: ‘Je vraagt of ik iets kan doen? Als je gelooft, kan alles!’ 24Toen riep de vader van de jongen: ‘Ik geloof! Help me om mijn ongeloof te overwinnen!’

Jezus jaagt de kwade geest weg

25Jezus zag dat de mensen steeds dichterbij kwamen staan. Hij zei streng tegen de kwade geest: ‘Ga weg uit deze jongen, en kom nooit meer terug! Want door jou kan hij niet horen en niet praten.’

26De geest schreeuwde, schudde de jongen hard door elkaar en ging weg. De jongen bleef doodstil liggen. De mensen dachten dat hij dood was. 27Maar Jezus nam hem bij de hand en liet hem opstaan.

28Later waren Jezus en de leerlingen alleen in een huis. De leerlingen vroegen aan Jezus: ‘Waarom konden wij die kwade geest niet wegjagen?’ 29Jezus antwoordde: ‘Je kunt dit soort geesten alleen wegjagen door te bidden.’

Jezus geeft de leerlingen uitleg

Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren

30Jezus en de leerlingen gingen weer verder. Ze reisden door Galilea. Maar Jezus wilde niet dat iemand dat te weten kwam. 31Want hij was bezig om zijn leerlingen iets uit te leggen.

Hij vertelde: ‘De Mensenzoon zal uitgeleverd worden aan mensen die hem zullen doden. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’ 32De leerlingen begrepen het niet. Maar ze durfden niet te vragen wat Jezus bedoelde.

Je moet niet belangrijk willen zijn

33Jezus en de leerlingen kwamen in Kafarnaüm. Toen ze thuis waren, vroeg Jezus aan de leerlingen: ‘Wat liepen jullie onderweg te bespreken?’ 34Maar de leerlingen durfden niets te zeggen. Want ze hadden gesproken over wie van hen de belangrijkste was.

35Jezus ging zitten en riep de twaalf leerlingen bij zich. Hij zei: ‘Wie de belangrijkste wil zijn, moet zichzelf op de laatste plaats zetten. En hij moet alle anderen dienen.’

36Jezus zette een kind midden in de groep. Hij sloeg zijn arm om het kind heen en zei: 37‘Als je bij mij hoort, dan moet je juist voor de minst belangrijke mensen aandacht hebben. Zoals voor zo’n kind. Want wat je voor de minst belangrijke mensen doet, dat doe je voor mij. En niet alleen voor mij, maar ook voor God, die mij gestuurd heeft.’

Vriend of vijand?

38Toen zei Johannes tegen Jezus: ‘Meester, wij hebben iemand gezien die uw naam gebruikt om kwade geesten weg te jagen. Wij zeiden dat hij daarmee moest ophouden. Want hij hoort niet bij ons.’

39Maar Jezus zei: ‘Laat hem zijn gang gaan. Hij gebruikt mijn naam om een wonder te doen. Zo iemand zal niet snel iets slechts over mij zeggen. 40Wie niet onze vijand is, is onze vriend. 41Luister goed naar mijn woorden: Iemand die een beker water aan je geeft omdat je bij mij hoort, krijgt zeker een beloning van God.’

Uitleg over Gods nieuwe wereld

Hoe kom je in de nieuwe wereld?

42Jezus zei: ‘Iemand die een gelovige weghaalt bij God, krijgt een zware straf. Het zou beter voor hem zijn als hij met een zware steen om zijn nek in zee gegooid was.

43-44Stel dat je hand iets slechts doet, iets dat jou weghaalt bij God. Hak je hand dan af. Beter met één hand naar het eeuwige leven, dan met twee handen naar de hel, waar het vuur nooit uitgaat.

45-46Stel dat je voet iets slechts doet, iets dat jou weghaalt bij God. Hak je voet dan af. Beter met één voet naar het eeuwige leven, dan met twee voeten naar de hel.

47Stel dat je oog iets slechts ziet, iets dat jou weghaalt bij God. Ruk je oog dan uit. Beter met één oog naar Gods nieuwe wereld, dan met twee ogen naar de hel. 48Want daar brandt een vuur dat nooit uitgaat, en daar blijven de wormen maar aan je vreten.’

49Jezus zei verder: ‘Iedereen wordt getest om te zien of zijn geloof zuiver is. Het moet zo zuiver zijn als zout. 50Zout is iets goeds. Maar als het zijn zoute smaak verliest, is het waardeloos. Je kunt het niet opnieuw zout maken. Zorg daarom dat je het zout in jezelf niet verliest. Dat betekent: leef in vrede met elkaar.’

10

Uitleg over trouwen en scheiden

101Jezus vertrok uit Galilea. Hij ging naar Judea, en naar de overkant van de Jordaan. Weer kwam er een grote groep mensen naar hem toe. Jezus gaf hun uitleg over God, zoals hij steeds deed.

2Er kwamen ook farizeeën naar Jezus toe. Ze vroegen: ‘Mag een man scheiden van zijn vrouw?’ Ze hoopten dat Jezus iets verkeerds zou zeggen. 3Maar Jezus vroeg: ‘Wat staat daarover in de wet van Mozes?’ 4Zij zeiden: ‘Volgens de wet mag een man scheiden van zijn vrouw. Hij moet haar dan een scheidingsbrief meegeven.’

5Jezus zei tegen hen: ‘Die regel is gemaakt voor mensen zoals jullie, die niet om elkaar geven. 6Maar al bij de schepping maakte God een man en een vrouw. 7Zo komt het dat een man niet bij zijn vader en moeder blijft. Hij gaat met zijn vrouw leven 8en ze worden samen helemaal één. Ze zijn niet langer twee, maar ze zijn samen één geheel. 9En wat God bij elkaar brengt, mag een mens niet scheiden.’

10Toen ze weer thuis waren, vroegen de leerlingen aan Jezus wat hij precies bedoelde. 11Jezus zei: ‘Als een gescheiden man met een andere vrouw trouwt, dan gaat hij vreemd. 12En als een gescheiden vrouw met een andere man trouwt, dan gaat ook zij vreemd.’

Jezus laat de kinderen bij zich komen

13Er waren mensen die kinderen bij Jezus brachten. Ze wilden graag dat hij de kinderen zou aanraken. Maar de leerlingen hielden die mensen tegen.

14Toen Jezus dat zag, werd hij kwaad. Hij zei: ‘Laat die kinderen bij me komen. Houd ze niet tegen. Want Gods nieuwe wereld is er juist voor hen. 15Luister goed naar mijn woorden: Je moet openstaan voor Gods nieuwe wereld. Net zoals een kind dat doet. Anders kun je er niet binnenkomen.’

16Jezus sloeg zijn armen om de kinderen heen. Hij legde zijn handen op hen en zegende hen.

Een rijke man komt bij Jezus

17Toen ze verdergingen, kwam er iemand op Jezus af. Hij knielde voor Jezus en vroeg: ‘Goede meester, hoe kan ik het eeuwige leven krijgen?’

18Jezus zei tegen hem: ‘Je noemt mij goed, maar waarom? Alleen God is goed, verder niemand. 19En je weet toch welke regels er in de wet staan? Je mag niemand vermoorden. Je mag niet vreemdgaan. Je mag niet stelen. Je mag niet liegen. En je moet eerlijk zijn en respect hebben voor je vader en je moeder.’

20Toen zei die man: ‘Meester, ik houd me aan al die regels. Al mijn hele leven.’ 21Jezus keek vol liefde naar de man. Hij zei: ‘Er is nog één ding dat je moet doen. Ga naar huis, verkoop alles wat je hebt en geef het geld aan de armen. Dan ligt er in de hemel een grote beloning voor je klaar. Als je alles weggegeven hebt, kun je terugkomen en met mij meegaan.’

22Toen de man dat hoorde, werd hij somber. Hij liep teleurgesteld weg. Want hij was erg rijk.

Het is moeilijk om in Gods nieuwe wereld te komen

23Jezus keek zijn leerlingen aan en zei: ‘Het is erg moeilijk voor rijke mensen om in Gods nieuwe wereld te komen.’ 24De leerlingen schrokken van die woorden.

Maar Jezus herhaalde het nog een keer. ‘Vrienden,’ zei hij, ‘het is erg moeilijk om in Gods nieuwe wereld te komen. 25Denk je dat rijke mensen in Gods nieuwe wereld kunnen komen? Je zult nog eerder een kameel door het oog van een naald zien gaan!’

26Nu schrokken de leerlingen nog veel meer. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Maar wie kan er dan nog gered worden?’ 27Jezus keek hen aan en zei: ‘Als het van mensen afhangt, kan niemand gered worden. Maar het hangt van God af. En voor God is alles mogelijk.’

Je moet alles achterlaten

28Toen vroeg Petrus: ‘Maar hoe zit het met ons? Wij hebben alles achtergelaten om met u mee te gaan.’

29-30Jezus zei: ‘Luister goed naar mijn woorden: Als je kiest voor mij en voor het goede nieuws, moet je bereid zijn om alles op te geven: je broers en je zussen, je ouders en je kinderen, je huis en je land. Maar je krijgt er honderd keer zo veel voor terug: broers en zussen, ouders en kinderen, huizen en land. Je zult het heel moeilijk hebben. Maar als Gods nieuwe wereld komt, krijg je het eeuwige leven.’

31Jezus zei verder: ‘De belangrijkste mensen zullen achteraankomen. En de onbelangrijkste mensen zullen vooraan staan.’

Jezus geeft de leerlingen uitleg

Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren

32Jezus en de leerlingen waren op weg naar Jeruzalem. De leerlingen waren ongerust. Ook de andere mensen die meegingen, waren bang voor wat er zou gaan gebeuren.

Jezus liep voorop. Hij sprak nog eens apart met de twaalf leerlingen. Hij vertelde hun wat er met hem zou gaan gebeuren. 33Hij zei: ‘We zijn op weg naar Jeruzalem. Daar zal de Mensenzoon uitgeleverd worden aan de priesters en de wetsleraren. Zij zullen besluiten dat hij gedood moet worden. Ze zullen hem uitleveren aan de ongelovigen. 34Die zullen hem bespotten, hem in zijn gezicht spugen en met de zweep slaan. Daarna zullen ze hem doden. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’

Jakobus en Johannes stellen een vraag

35De broers Jakobus en Johannes kwamen naar Jezus toe met een vraag. Ze zeiden: ‘Meester, wilt u ons iets beloven?’ 36Jezus vroeg: ‘Wat moet ik jullie beloven?’

37Zij zeiden: ‘Als u straks bij God bent, mogen wij tweeën dan naast u zitten? De één rechts en de ander links?’ 38Maar Jezus antwoordde: ‘Jullie weten niet wat je vraagt! Jullie weten toch wat ik moet meemaken: ik moet lijden en gedood worden. Kunnen jullie dat soms ook?’ 39Ze zeiden: ‘Ja, dat kunnen we.’

Toen zei Jezus tegen hen: ‘Inderdaad. Jullie zullen hetzelfde meemaken als ik. Ook jullie zullen lijden en gedood worden. 40Maar ik bepaal niet wie er straks naast mij mogen zitten. Dat bepaalt God.’

Niet heersen, maar dienen

41De andere leerlingen hoorden wat Jakobus en Johannes gezegd hadden. Ze werden kwaad. 42Jezus riep de leerlingen bij elkaar en zei: ‘Jullie weten hoe het gaat in de wereld. Koningen heersen over hun volk. En mensen met macht spelen de baas over anderen.

43Maar zo mag het bij jullie niet gaan. Als je de belangrijkste wilt zijn, moet je de anderen dienen. 44Als je de voornaamste wilt zijn, moet je de anderen dienen zoals een slaaf doet. 45Want ook ik, de Mensenzoon, ben niet gekomen om over mensen te heersen. Ik ben er juist om mensen te dienen. Ik zal mijn leven geven om veel mensen te redden.’

Jezus zorgt dat Bartimeüs kan zien

46Jezus en de leerlingen kwamen in Jericho. Ze liepen door de stad, en een grote groep mensen liep mee. Toen ze de stad weer uit gingen, zat er een blinde bedelaar langs de kant van de weg. Hij heette Bartimeüs.

47Toen hij hoorde dat Jezus uit Nazaret voorbijkwam, begon hij te roepen: ‘Jezus! Zoon van David! Heb medelijden met mij!’ 48De mensen zeiden: ‘Houd toch je mond!’ Maar hij begon nog veel harder te roepen: ‘Zoon van David! Heb medelijden met mij!’

49Jezus bleef staan en zei: ‘Roep die man hier.’ De mensen riepen de man. Ze zeiden: ‘Rustig maar. Sta op, Jezus roept je.’ 50Meteen liet de man zijn jas op de grond vallen. Hij sprong op en ging naar Jezus.

51Jezus vroeg aan hem: ‘Wat kan ik voor je doen?’ De blinde man antwoordde: ‘Meester, ik wil weer kunnen zien.’ 52Jezus zei: ‘Dat is goed. Je bent beter geworden dankzij je geloof.’ Op datzelfde moment kon de man weer zien. Hij ging met Jezus mee, op weg naar Jeruzalem.

11

Jezus komt in Jeruzalem

Twee leerlingen gaan een ezel halen

111Jezus en de leerlingen kwamen in de buurt van Jeruzalem. Ze waren vlak bij de dorpen Betfage en Betanië, bij de Olijfberg. Daar stuurde Jezus twee leerlingen vooruit.

2Hij zei tegen hen: ‘Ga naar dat dorp daar. Jullie zullen daar een jonge ezel zien, die staat daar vastgebonden. Er heeft nog nooit iemand op gereden. Maak hem los en breng hem hier. 3Misschien vraagt er iemand: ‘Wat doen jullie daar?’ Dan moet je zeggen: ‘De Heer heeft deze ezel nodig. Maar hij zal hem snel weer terugbrengen.’’

4De twee leerlingen gingen naar het dorp en vonden de ezel. Hij stond buiten op straat, vastgebonden bij een deur. Ze maakten hem los. 5Een paar mensen die daar stonden, zeiden: ‘Wat doen jullie daar?’ 6De leerlingen zeiden wat Jezus hun gezegd had. Toen lieten die mensen hen met rust.

Jezus rijdt Jeruzalem binnen

7De leerlingen brachten de ezel bij Jezus. Ze legden hun jassen op de rug van de ezel, en Jezus ging erop zitten.

8Veel mensen legden hun jas op de weg. Anderen plukten takken met bladeren en legden die op de weg. 9Ze liepen voor Jezus uit en achter hem aan. Ze riepen: ‘Alle eer aan God! Leve de man die door God gestuurd is. 10Leve het nieuwe koninkrijk van onze voorvader David. Alle eer aan God in de hemel!’

11Jezus en de leerlingen kwamen in Jeruzalem. Jezus ging de tempel in en bekeek daar alles goed. Het was al laat geworden. Daarom ging Jezus met de twaalf leerlingen terug naar Betanië.

Jezus vervloekt een vijgenboom

12De volgende dag gingen Jezus en de leerlingen weer weg uit Betanië. Onderweg kreeg Jezus honger. 13Hij zag in de verte een vijgenboom vol bladeren. Hij liep erheen. Hij hoopte dat er vijgen aan zouden zitten. Maar hij vond niets, alleen maar bladeren. Want voor vijgen was het niet de goede tijd van het jaar.

14Jezus vervloekte de boom. Hij zei: ‘Niemand zal ooit nog vijgen van jou eten!’ De leerlingen hoorden dat.

Jezus jaagt handelaars de tempel uit

15Jezus en de leerlingen kwamen weer in Jeruzalem. Jezus ging de tempel in. Daar zaten handelaars, die geld wisselden en duiven verkochten. Jezus begon de handelaars en hun klanten weg te jagen. De tafels en stoelen van de handelaars gooide hij omver. 16En hij hield iedereen tegen die met spullen over het tempelplein liep.

17Jezus legde uit waarom hij dat deed. Hij zei: ‘In de heilige boeken staat: «Gods huis is een plaats waar iedereen mag bidden.» Maar jullie hebben het veranderd in een huis van dieven!’

18De priesters en de wetsleraren hoorden wat Jezus zei. Ze dachten na over een plan om hem te doden. Ze waren bang voor hem. Want het hele volk was diep onder de indruk van wat Jezus vertelde.

19’s Avonds gingen Jezus en de leerlingen de stad weer uit.

Jezus geeft uitleg over de vijgenboom

20De volgende ochtend kwamen Jezus en de leerlingen weer langs de vijgenboom. Ze zagen dat de boom van onder tot boven verdord was. 21Petrus herinnerde zich wat Jezus gezegd had. Hij zei: ‘Kijk, meester, dat is de boom die u vervloekt hebt. Die is nu verdord!’

22Jezus zei tegen de leerlingen: ‘Je moet op God vertrouwen. 23Luister goed naar mijn woorden: Als je iets aan God vraagt, twijfel dan niet, maar geloof dat het zal gebeuren. Dan gebeurt het ook. Zelfs als je tegen die berg daar zegt: ‘Kom van je plaats en laat je in de zee vallen.’

24Daarom zeg ik: Als je iets aan God vraagt, geloof dan dat je het al gekregen hebt. Dan krijg je het ook. 25-26En als je aan het bidden bent, vergeef dan een ander zijn fouten. Dan zal je hemelse Vader ook jouw fouten vergeven.’

Jezus geeft uitleg in de tempel

Vragen zonder antwoord

27Jezus en de leerlingen kwamen weer in Jeruzalem. Ze waren in de tempel. De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk kwamen naar Jezus toe. 28Ze zeiden: ‘U doet alsof u mag bepalen wat er hier gebeurt! Maar wie heeft u dat recht gegeven?’

29-30Jezus zei: ‘Ik heb eerst een vraag voor jullie. Johannes de Doper doopte mensen. Deed hij dat uit zichzelf of in opdracht van God? Geef mij antwoord. Dan zal ik daarna antwoord geven op jullie vraag.’

31De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk overlegden met elkaar. Ze zeiden: ‘Stel dat we zeggen: ‘Johannes doopte in opdracht van God.’ Dan zegt Jezus natuurlijk: ‘Waarom geloofden jullie hem dan niet?’ 32Maar stel dat we zeggen: ‘Johannes doopte uit zichzelf.’ Dan komen we in moeilijkheden. Want het hele volk gelooft dat Johannes een profeet van God is.’

33Daarom gaven ze dit antwoord: ‘We weten het niet.’ Toen zei Jezus: ‘Dan zeg ik ook niet wie mij het recht gegeven heeft om deze dingen te doen.’