Bijbel in Gewone Taal (BGT)
4

Er komt vrede voor Jeruzalem

Op een dag zal er vrede zijn

41Er komt een dag waarop alles anders wordt. Dan zal de tempel stevig staan, boven op de allerhoogste berg. 2Veel volken zullen zeggen: ‘Laten we naar de berg van de Heer gaan, naar de tempel van de God van Israël. Op de berg Sion zullen we de woorden van de Heer horen. Hij zal tegen ons spreken vanuit Jeruzalem. Hij zal ons leren wat we moeten doen. En wij zullen leven zoals hij het wil.’

Dan komen alle volken bij elkaar op de berg Sion. 3Daar zal God als een rechter tegen ze spreken. Hij zal machtige volken uit verre landen leren wat goed en slecht is. Dan zullen ze hun zwaarden en speren laten smelten in het vuur, en ze zullen er gereedschap van maken. Dan zullen de volken niet meer tegen elkaar strijden, ze zullen niet meer weten wat oorlog is. 4Dan hoeft niemand meer bang te zijn. Iedereen kan rustig in zijn eigen wijngaard zitten, en onder zijn eigen vijgenboom. Dat heeft de machtige Heer besloten.

5Andere volken leven zoals hun eigen god het wil. Maar wij zullen leven zoals onze God het wil, voor altijd!

De Heer zal zijn volk terugbrengen

6De Heer zegt: ‘Ik straf de Israëlieten, ik jaag hen weg naar andere landen. Ze zullen een zwak volk worden. Maar eens zal ik hen weer bij elkaar brengen. 7Ik zal zorgen dat ze in leven blijven, en ik zal een machtig volk van hen maken. Dan zal ik, de Heer, op de berg Sion als koning over hen regeren, voor altijd.

8Jeruzalem, die plek waar de mensen zich ooit veilig voelden, zal weer een belangrijke stad worden. Het zal weer de plaats zijn waar koningen regeren, net als vroeger.’

Jeruzalem wordt aangevallen

De inwoners van Jeruzalem zijn bang

9-10De inwoners van Jeruzalem hebben geen koning en geen raadgevers meer. Ze zijn wanhopig. Ze schreeuwen het uit, als een vrouw die aan het bevallen is. Want ze moeten de stad verlaten, ze zullen moeten leven op het veld. En daarna worden ze als gevangenen naar Babylonië gebracht.

Maar in Babylonië zal de Heer hen bevrijden. Daar zal hij hen redden van hun vijanden.

De vijanden zullen verslagen worden

11Veel volken zijn bij elkaar gekomen om Jeruzalem aan te vallen. Ze zeggen: ‘Wat zou het mooi zijn als die stad verwoest was!’ 12Maar die volken begrijpen niet wat de Heer van plan is. Ze snappen niet dat hij degene is die ze bij elkaar gebracht heeft. De Heer heeft ze verzameld, zodat hij ze allemaal kan vernietigen.

13Inwoners van Jeruzalem, maak je klaar om de vijanden te verslaan! Want de Heer zal jullie zo sterk maken als een stier, als een stier met hoorns van ijzer en hoeven van brons. Dan zullen jullie de andere volken vernietigen. Alles wat zij geroofd hebben, moeten jullie aan de Heer geven. Want al hun rijkdom is bestemd voor de Heer van de hele aarde.

De vijanden omsingelen de stad

14Inwoners van Jeruzalem, jullie moeten vechten! Maak je maar klaar voor de strijd! Want de vijanden zijn al bezig om de stad aan te vallen. Ze zullen de koning van Israël neerslaan.

5

Israël en de andere volken

Er komt een nieuwe leider

51De Heer zegt: ‘Luister, Betlehem in Efrata. Jij bent één van de kleinste steden van Juda. Toch zal er uit Betlehem iemand komen die namens mij leider zal zijn van Israël. Hij zal afstammen van een heel oude familie.’

2De Heer heeft de Israëlieten in de steek gelaten. Ze zijn in de macht van hun vijanden. Maar als de nieuwe leider geboren wordt, zal daar een eind aan komen. Dan mogen de Israëlieten die ver weg leven, terugkeren naar hun eigen land.

3Als die nieuwe leider over het volk gaat regeren, zal hij goed voor de mensen zorgen. Hij zal kracht krijgen van de Heer, zijn God. Aan hem zullen de mensen zien hoe groot en machtig de Heer is.

Dan kunnen de mensen veilig leven. Want de nieuwe leider zal heersen over de hele wereld. 4En hij zal vrede brengen.

Het volk zal leiders uitkiezen

Als de Assyriërs ons land en onze paleizen aanvallen, zal het volk van Israël leiders uitkiezen. Die leiders zullen het volk van Israël verdedigen 5en het volk van Assyrië verslaan. Zo zal de Heer zijn volk redden van de Assyriërs.

Israël zal de andere volken aanvallen

6De Israëlieten die terugkeren uit verre landen, zullen niet meer op mensen vertrouwen, maar alleen op de Heer. Ze zullen goed zijn voor de andere volken, net zoals regen en dauw goed zijn voor het land.

7Maar de Israëlieten zullen voor sommige volken ook gevaarlijk zijn. Net zo gevaarlijk als een leeuw die schapen aanvalt en verscheurt. Niemand kan die schapen redden.

8Israëlieten, laat jullie vijanden maar eens zien hoe sterk jullie zijn! Zorg dat al jullie vijanden vernietigd worden!

God zal alle volken straffen

9De Heer zegt: ‘Luister, Israëlieten! Er komt een dag dat ik jullie paarden zal doden en jullie strijdwagens zal vernielen. 10Ik zal de steden in jullie land verwoesten, en alle stadsmuren afbreken. 11Ik maak een eind aan jullie toverkunsten, en ik zorg dat er geen waarzeggers meer zijn. 12Ik vernietig alle godenbeelden en alle heilige stenen. Ik zorg ervoor dat jullie geen dingen meer kunnen vereren die jullie zelf gemaakt hebben. 13Ik zal ook alle heilige palen voor de godin Asjera weghalen, en jullie heilige plaatsen verwoesten.

14Alle volken die niet gehoorzaam zijn aan mij, zal ik zwaar straffen.’

6

De Heer klaagt zijn volk aan

God is goed geweest voor Israël

61-2De Heer gaat Israël aanklagen. En de bergen en heuvels moeten het horen. Luister, bergen, naar de aanklacht van de Heer! Ook diep in de aarde moeten zijn woorden gehoord worden.

De Heer zegt tegen zijn volk: 3‘Mijn volk, wat heb ik verkeerd gedaan? Waarmee heb ik jullie lastiggevallen? Vertel het me toch!

4Toen jullie slaven waren in Egypte, heb ik jullie bevrijd. En ik heb Mozes, Aäron en Mirjam gestuurd om jullie leiding te geven. 5Denk ook eens terug aan de kwade plannen die Balak, de koning van Moab, tegen jullie bedacht had. En aan wat Bileam, de zoon van Beor, toen tegen hem zei. Bedenk hoe ik jullie geholpen heb toen jullie onderweg waren van de stad Sittim naar de stad Gilgal.

Als jullie aan al die dingen denken, zullen jullie weer weten hoe goed ik voor jullie geweest ben!’

Het volk vraagt wat God wil

6Jullie vragen: ‘Wat kunnen we de Heer geven? Hoe kunnen we de machtige God eren? Zullen we offers aan hem brengen? Zullen we onze beste kalveren aan hem offeren? 7Zou hij tevreden zijn met duizend rammen? Of met tienduizend liter olijfolie? Of moeten we ons oudste kind aan hem geven voor alles wat we verkeerd hebben gedaan?’

8Maar de Heer heeft jullie al verteld wat hij van jullie verlangt. Hij heeft al bekendgemaakt wat goed is. Hij vraagt alleen dit: Wees eerlijk, rechtvaardig en trouw. En denk niet alleen aan jezelf, maar leef dicht bij God.

Een stad vol onrecht

Er is oneerlijke handel in de stad

9Luister! De Heer waarschuwt de inwoners van de stad. En wie wijs is, heeft eerbied voor zijn woorden. De Heer zal de inwoners zwaar straffen, en niemand kan hen dan nog helpen.

10-11De Heer zegt: ‘In jullie stad wonen oneerlijke handelaars. Ze gebruiken oneerlijke maten en gewichten bij de handel. Op die manier hebben ze veel schatten verzameld in hun huizen. Misdadigers zijn het! Denken jullie soms dat zulk onrecht mij niets kan schelen? Denken jullie dat ik zulke oneerlijke handelaars hun gang laat gaan?

12Jullie stad is vol onrecht. Want de rijke mensen gebruiken geweld, en iedereen liegt en bedriegt!

De Heer zal de inwoners straffen

13Omdat jullie al die misdaden plegen, zal ik jullie straffen! Ik zal rampen laten gebeuren en vernietiging brengen.

14Dan zullen jullie eten, maar je honger zal niet voorbijgaan. Jullie zullen je spullen verbergen, maar ze niet kunnen redden. En als jullie toch nog iets kunnen redden, zal ik het laten vernietigen in de oorlog. 15Jullie zullen zaaien, maar niets oogsten. Jullie zullen olie maken van je olijven, maar daarmee nooit je lichaam verzorgen. Jullie zullen wijn maken van je druiven, maar die wijn nooit kunnen opdrinken.

De inwoners zullen bespot worden

16Jullie hebben het slechte voorbeeld gevolgd van koning Omri en van koning Achab en zijn nakomelingen. Jullie houden je aan hun regels en besluiten.

Daarom zal jullie stad vernietigd worden. En iedereen die jullie ziet, zal jullie uitlachen. Dan zullen jullie je diep vernederd voelen.’