Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

God straft de onderdrukkers

21-2Er zijn mensen die kwade plannen bedenken als ze in bed liggen. Zodra ze ’s ochtends opstaan, voeren ze die plannen uit. Want ze hebben veel macht. Als ze een akker willen hebben, dan pakken ze die van iemand af. En als ze een huis willen hebben, dan nemen ze dat gewoon in bezit. Ze onderdrukken andere mensen, en stelen hun bezittingen.

Maar met die onderdrukkers zal het slecht aflopen! 3Want de Heer zegt tegen hen: ‘Ik zal iets verschrikkelijks met jullie laten gebeuren. Jullie zullen er niet aan kunnen ontsnappen. Er komt een vreselijke tijd voor jullie!

4Dan zullen de mensen dit klaaglied over jullie zingen:

‘Het is afgelopen met de onderdrukkers,

ze hebben helemaal niets meer!

Hun grond is van hen afgepakt,

hun akkers zijn aan slechte mensen gegeven.’

5Luister, onderdrukkers! Als het land weer verdeeld wordt onder mijn volk, dan zullen jullie geen enkel stuk grond meer krijgen.’

Micha’s tegenstanders

Micha’s tegenstanders protesteren

6Mijn tegenstanders zeggen tegen mij: ‘Je bent de mensen steeds aan het waarschuwen. Houd toch eens op met dat gezeur! Jouw beschuldigingen zijn grote onzin. 7De Heer zou nooit zulke dingen tegen zijn eigen volk zeggen. Zo snel verliest hij zijn geduld niet. Hij zou ons nooit kwaad willen doen!’

Micha reageert op zijn tegenstanders

Maar ik zeg tegen mijn tegenstanders: ‘Ik zeg vriendelijke dingen tegen iedereen die eerlijk leeft. Maar jullie gedragen je slecht! 8Jullie zijn de vijanden van mensen die in vrede willen leven. Als iemand rustig voorbijloopt, pakken jullie zijn jas af. 9Jullie jagen vrouwen weg uit de huizen waar ze gelukkig zijn. En jullie maken hun kinderen voor altijd ongelukkig.

10Maak je maar klaar om weg te gaan. Hier zijn jullie niet meer veilig. Want door jullie misdaden is dit land onrein geworden. Daarom zal het helemaal vernietigd worden.

11Maar jullie willen dat niet horen. Jullie horen liever een profeet die alleen maar leugens vertelt, en die jullie wijn en bier belooft!’

God zal het volk terugbrengen

De Heer zal de Israëlieten verzamelen

12De Heer zegt: ‘Ik zal het hele volk van Israël weer bij elkaar brengen. Alle Israëlieten die nog over zijn, zal ik verzamelen en terugbrengen naar hun eigen land. Net zoals een herder zijn schapen verzamelt en terugbrengt naar hun eigen stal. Dan zal het land weer vol zijn met mensen.’

13De Heer zelf zal koning zijn van zijn volk. Hij zal de Israëlieten bevrijden uit de landen waar ze gevangen zitten. Ze zullen uit die landen wegtrekken, en de Heer zal voor hen uit gaan.

3

Micha waarschuwt de leiders

Micha waarschuwt de leiders van Israël

31Luister, leiders van Israël! Jullie zouden eerlijkheid en recht belangrijk moeten vinden. 2Maar jullie haten het goede, en houden juist van het kwaad!

Jullie gebruiken geweld tegen mijn volk. Jullie zijn net wrede herders die hun schapen slachten. Die trekken het vel van de dieren eraf en breken hun botten. 3Daarna hakken ze het vlees in stukken en gooien het in een pan, zodat ze het op kunnen eten. Zo wreed zijn jullie ook voor mijn volk.

4Luister, leiders! Omdat jullie zo veel misdaden gepleegd hebben, zal de Heer zich niet meer aan jullie laten zien. Als jullie hem om hulp vragen, zal hij geen antwoord meer geven.

Micha waarschuwt de profeten

5Er zijn profeten in Israël die het volk bedriegen. Zij voorspellen vrede aan mensen die hen betalen. Maar aan mensen die hen niet betalen, voorspellen ze dat er oorlog komt.

Daarom zegt de Heer tegen die profeten: 6‘Jullie zullen de toekomst niet meer kunnen voorspellen. Jullie zullen ’s nachts geen dromen meer krijgen. Er zal iets vreselijks met jullie gebeuren. En dan is het afgelopen met jullie.’

7Iedereen die de toekomst voorspelt, zal zich schamen. Alle waarzeggers zullen zich zo schamen, dat ze hun mond bedekken. Want God geeft hun geen antwoord meer.

8Maar ik heb juist kracht gekregen van de Heer. Hij gaf me zijn geest. Hij gaf me de moed om te spreken over recht, en om aan de Israëlieten hun fouten en misdaden te laten zien.

Jeruzalem zal verwoest worden

9De leiders van Israël haten eerlijkheid en recht. Ze veranderen het recht in onrecht. 10Ze maken van Jeruzalem een stad vol misdaad en geweld. 11Want de bestuurders laten zich in een rechtszaak omkopen met geschenken. De priesters leggen de wet alleen maar uit als ze betaald worden. En de profeten voorspellen de toekomst alleen voor geld. En intussen denken ze allemaal dat de Heer hen zal helpen! Ze zeggen: ‘Met ons kan niets ergs gebeuren, want de Heer is bij ons!’

12Omdat al die leiders zich zo gedragen, zal de tempel op de berg Sion verwoest worden. Er zullen daar alleen nog struiken en bomen groeien. En van de stad Jeruzalem blijft alleen een hoop stenen over.

4

Er komt vrede voor Jeruzalem

Op een dag zal er vrede zijn

41Er komt een dag waarop alles anders wordt. Dan zal de tempel stevig staan, boven op de allerhoogste berg. 2Veel volken zullen zeggen: ‘Laten we naar de berg van de Heer gaan, naar de tempel van de God van Israël. Op de berg Sion zullen we de woorden van de Heer horen. Hij zal tegen ons spreken vanuit Jeruzalem. Hij zal ons leren wat we moeten doen. En wij zullen leven zoals hij het wil.’

Dan komen alle volken bij elkaar op de berg Sion. 3Daar zal God als een rechter tegen ze spreken. Hij zal machtige volken uit verre landen leren wat goed en slecht is. Dan zullen ze hun zwaarden en speren laten smelten in het vuur, en ze zullen er gereedschap van maken. Dan zullen de volken niet meer tegen elkaar strijden, ze zullen niet meer weten wat oorlog is. 4Dan hoeft niemand meer bang te zijn. Iedereen kan rustig in zijn eigen wijngaard zitten, en onder zijn eigen vijgenboom. Dat heeft de machtige Heer besloten.

5Andere volken leven zoals hun eigen god het wil. Maar wij zullen leven zoals onze God het wil, voor altijd!

De Heer zal zijn volk terugbrengen

6De Heer zegt: ‘Ik straf de Israëlieten, ik jaag hen weg naar andere landen. Ze zullen een zwak volk worden. Maar eens zal ik hen weer bij elkaar brengen. 7Ik zal zorgen dat ze in leven blijven, en ik zal een machtig volk van hen maken. Dan zal ik, de Heer, op de berg Sion als koning over hen regeren, voor altijd.

8Jeruzalem, die plek waar de mensen zich ooit veilig voelden, zal weer een belangrijke stad worden. Het zal weer de plaats zijn waar koningen regeren, net als vroeger.’

Jeruzalem wordt aangevallen

De inwoners van Jeruzalem zijn bang

9-10De inwoners van Jeruzalem hebben geen koning en geen raadgevers meer. Ze zijn wanhopig. Ze schreeuwen het uit, als een vrouw die aan het bevallen is. Want ze moeten de stad verlaten, ze zullen moeten leven op het veld. En daarna worden ze als gevangenen naar Babylonië gebracht.

Maar in Babylonië zal de Heer hen bevrijden. Daar zal hij hen redden van hun vijanden.

De vijanden zullen verslagen worden

11Veel volken zijn bij elkaar gekomen om Jeruzalem aan te vallen. Ze zeggen: ‘Wat zou het mooi zijn als die stad verwoest was!’ 12Maar die volken begrijpen niet wat de Heer van plan is. Ze snappen niet dat hij degene is die ze bij elkaar gebracht heeft. De Heer heeft ze verzameld, zodat hij ze allemaal kan vernietigen.

13Inwoners van Jeruzalem, maak je klaar om de vijanden te verslaan! Want de Heer zal jullie zo sterk maken als een stier, als een stier met hoorns van ijzer en hoeven van brons. Dan zullen jullie de andere volken vernietigen. Alles wat zij geroofd hebben, moeten jullie aan de Heer geven. Want al hun rijkdom is bestemd voor de Heer van de hele aarde.

De vijanden omsingelen de stad

14Inwoners van Jeruzalem, jullie moeten vechten! Maak je maar klaar voor de strijd! Want de vijanden zijn al bezig om de stad aan te vallen. Ze zullen de koning van Israël neerslaan.