Bijbel in Gewone Taal (BGT)

Jezus heeft de macht om zonden te vergeven

91Jezus ging weer met de boot naar de overkant van het meer. Hij ging naar zijn woonplaats Kafarnaüm. 2Er kwamen daar een paar mensen bij hem met een draagbed waar een man op lag. De man kon niet lopen. Jezus zag dat die mensen in hem geloofden. Daarom zei hij tegen de man die niet kon lopen: ‘Maak je geen zorgen. Ik vergeef je alles wat je verkeerd gedaan hebt.’

3Een paar wetsleraren dachten bij zichzelf: Jezus beledigt God! 4Maar Jezus wist wat ze dachten. Daarom zei hij tegen hen: ‘Jullie moeten niet zulke slechte dingen denken. 5Het lijkt makkelijk om te zeggen: ‘Ik vergeef je alles wat je verkeerd gedaan hebt.’ Het lijkt veel moeilijker om te zeggen: ‘Sta op en ga lopen.’ 6Maar ik ben de Mensenzoon. God heeft mij de macht gegeven om zonden te vergeven. Dat zal ik jullie laten zien.’

Toen zei Jezus tegen de man die niet kon lopen: ‘Sta op, pak je bed op, en loop naar huis.’ 7De man stond op en liep naar huis.

8Alle mensen zagen het en waren diep onder de indruk. Ze dankten God, die zo veel macht aan mensen geeft.

Jezus gaat om met slechte mensen

9Jezus ging weer verder. Onderweg zag hij een man zitten bij het tolhuis. Hij heette Matteüs. Jezus zei tegen hem: ‘Kom, ga met mij mee.’ Matteüs stond op en ging met Jezus mee.

10Later waren Jezus en zijn leerlingen bij Matteüs thuis om te eten. Daar kwamen ook veel tollenaars en allerlei slechte mensen. En die aten mee. 11Toen de farizeeën dat zagen, zeiden ze tegen de leerlingen: ‘Jullie meester hoort niet te eten met tollenaars en slechte mensen.’

12-13Toen Jezus dat hoorde, zei hij: ‘Een dokter is er niet voor gezonde mensen, maar voor zieke mensen. Met mij is het net zo. Ik ben er niet voor goede mensen. Maar ik ben gekomen om aan slechte mensen het goede nieuws te vertellen.

Denk eens goed na over deze woorden van God: «Ik wil geen offers, maar ik wil dat jullie goed voor elkaar zijn.»’

Gasten op een bruiloft vasten niet

14De leerlingen van Johannes de Doper kwamen bij Jezus. Ze zeiden tegen hem: ‘Wij hebben speciale dagen om God te eren. Op die dagen vasten we. De farizeeën doen dat ook. Waarom doen uw leerlingen dat niet?’

15Jezus antwoordde: ‘Mijn leerlingen lijken op de gasten op een bruiloft. Op een bruiloft zijn de gasten vrolijk, zolang de bruidegom bij hen is. Mijn leerlingen zijn ook vrolijk, zolang ik bij hen ben. Maar er komt een tijd dat ik niet meer bij hen ben. Dan zullen mijn leerlingen op sommige dagen vasten.’

16Jezus zei ook: ‘Een oude jas met een scheur erin moet je niet herstellen met een nieuwe lap stof. Want als die nieuwe stof gaat krimpen, scheurt je jas nog verder kapot. 17En jonge wijn moet je niet bewaren in oude wijnzakken. Want oude zakken scheuren open door de jonge wijn. Dan zijn je wijnzakken kapot en stroomt de wijn weg. Je moet jonge wijn bewaren in nieuwe wijnzakken. Dan blijven de wijnzakken en de wijn goed.’

Een man vraagt Jezus om hulp

18Terwijl Jezus nog aan het praten was, kwam er een man naar hem toe. Hij was een leider van de synagoge. Hij knielde voor Jezus en zei: ‘Mijn dochter is net gestorven. Kom alstublieft mee en leg uw hand op haar. Dan zal ze weer levend worden.’ 19Jezus stond op en ging met hem mee, samen met de leerlingen.

Een zieke vrouw raakt Jezus aan

20Toen kwam er een vrouw aan die al twaalf jaar ziek was. Ze verloor steeds bloed. Ze kwam dichterbij totdat ze vlak achter Jezus was. En ze raakte de rand van zijn jas aan. 21Want ze dacht: Om beter te worden hoef ik alleen maar zijn kleren aan te raken.

22Jezus draaide zich om. Hij zag de vrouw en zei tegen haar: ‘Maak je geen zorgen. Je bent beter geworden dankzij je geloof.’ Vanaf dat moment was de vrouw beter.

Jezus maakt een meisje weer levend

23-24Jezus kwam bij het huis van de man die hem om hulp gevraagd had. Binnen stond een grote groep mensen te huilen, en er werd treurige muziek gemaakt. Toen Jezus het zag, zei hij: ‘Allemaal naar buiten! Het meisje is niet gestorven, maar ze slaapt.’ De mensen lachten hem uit.

25Toen iedereen weggestuurd was, ging Jezus naar het meisje toe. Hij pakte haar hand vast, en het meisje stond op.

26Het verhaal over het meisje werd bekend in het hele land.

Jezus maakt twee blinde mensen beter

27Toen Jezus weer verderging, kwamen er twee blinde mensen aan. Ze liepen met hem mee en riepen: ‘Zoon van David! Heb medelijden met ons!’ 28Toen Jezus een huis binnenging, kwamen de twee blinden naar hem toe. Jezus vroeg aan hen: ‘Geloven jullie dat ik je kan helpen?’ Zij antwoordden: ‘Ja, Heer!’

29Jezus raakte hun ogen aan en zei: ‘Jullie geloven dat ik je kan helpen. Dat zal ook gebeuren.’ 30Toen konden de blinden zien.

Jezus waarschuwde hen. Hij zei: ‘Denk erom, niemand mag weten wat er gebeurd is.’ 31Maar toen ze weggingen, vertelden ze het toch. Het nieuws over Jezus werd bekend in het hele land.

Jezus jaagt een kwade geest weg

32Toen Jezus en de leerlingen weer verdergingen, werd er een man bij Jezus gebracht. Hij had een kwade geest in zich, en daardoor kon hij niet praten. 33Jezus jaagde de kwade geest uit de man weg. Toen kon de man praten.

Alle mensen die het zagen, waren verbaasd. Ze zeiden: ‘Zoiets is in Israël nog nooit gebeurd!’ 34Maar de farizeeën zeiden: ‘Jezus krijgt hulp van Satan, de leider van de kwade geesten. Daardoor kan hij kwade geesten wegjagen.’

Jezus heeft medelijden met de mensen

35Jezus reisde rond. Hij ging naar alle steden en dorpen. In de synagogen gaf hij de mensen uitleg over God. Hij vertelde hun het goede nieuws over de nieuwe wereld. En hij maakte iedereen beter die ziek was of pijn had.

36Toen Jezus al die mensen zag, kreeg hij medelijden met hen. Hij dacht: Die mensen hebben het moeilijk. Niemand helpt hen. Ze lijken op schapen zonder herder.

37Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Het goede nieuws moet overal verteld worden. Maar er zijn te weinig mensen om dat te doen. 38Vraag daarom aan God of hij meer mensen stuurt. Dan kan het goede nieuws overal verteld worden.’