Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

Wijze mannen zoeken een kind

21Jezus werd geboren in Betlehem, een stad in Judea. Herodes was op dat moment koning.

Niet lang na de geboorte van Jezus kwamen er wijze mannen in Jeruzalem aan. Ze kwamen uit het oosten, uit een ver land. 2Ze vroegen aan de mensen in Jeruzalem: ‘Waar is de koning van de Joden die kortgeleden geboren is? We hebben zijn ster gezien. Die kwam aan de hemel omhoog. En nu zijn we gekomen om de nieuwe koning te eren.’

3Toen koning Herodes dat hoorde, schrok hij vreselijk. Ook de andere mensen in Jeruzalem schrokken.

4Herodes liet alle priesters en wetsleraren bij elkaar komen. Hij vroeg aan hen: ‘Waar zal de messias geboren worden?’ 5Ze zeiden: ‘In Betlehem in Judea, want dat wordt al verteld in de heilige boeken. Daar staat: 6«Luister, Betlehem in Judea, jij hoort bij de belangrijkste steden van het land. Want uit Betlehem komt de leider van Israël. Hij zal zorgen voor het volk van God, zoals een herder voor zijn schapen zorgt.»’

De wijze mannen vinden het kind

7Toen liet Herodes de wijze mannen in het geheim bij zich komen. Hij wilde precies weten wanneer ze de ster voor het eerst gezien hadden. 8Daarna zei hij: ‘Ga naar Betlehem en zoek uit waar het kind precies is. Als jullie hem gevonden hebben, moet je dat aan mij komen vertellen. Dan kan ik ook naar hem toe gaan om hem te eren.’

9-10Na het gesprek met Herodes gingen de wijze mannen op weg. En opeens was daar de ster weer die ze al eerder gezien hadden. Toen ze de ster weer zagen, waren ze erg blij. De ster wees hun de weg. Hij bleef staan boven het huis waar het kind was.

11De wijze mannen gingen naar binnen. Daar zagen ze het kind bij zijn moeder Maria. Ze knielden voor hem en eerden hem. Ze gaven hem de dure geschenken die ze meegebracht hadden: goud, wierook en mirre.

12’s Nachts kregen de wijze mannen een droom. In de droom zei God tegen hen: ‘Jullie moeten niet teruggaan naar Herodes.’ En dus gingen ze langs een andere weg terug naar hun land.

Jozef en Maria vluchten naar Egypte

13Toen de wijze mannen weggegaan waren, kreeg Jozef een droom. In zijn droom zag hij een engel van de Heer, die zei: ‘Sta op! Je moet met Maria en het kind naar Egypte vluchten. Daar moeten jullie blijven totdat ik zeg dat jullie terug kunnen gaan. Want Herodes is op zoek naar het kind, hij wil het doden.’

14Meteen stond Jozef op. Midden in de nacht vertrok hij met Maria en het kind naar Egypte. 15Daar bleven ze tot de dood van Herodes.

Dat moest zo gebeuren. Want dat wordt al verteld in de heilige boeken. Daar staan deze woorden van God: «Ik heb mijn Zoon teruggeroepen uit Egypte.»

Alle jongetjes in Betlehem worden gedood

16Intussen begreep Herodes dat de wijze mannen niet terug zouden komen. Hij voelde zich bedrogen, en hij was verschrikkelijk kwaad. Hij dacht: Dat kind kan niet ouder zijn dan twee jaar. Dat wist hij van de wijze mannen.

Herodes stuurde zijn soldaten naar Betlehem. Ze moesten in dat hele gebied alle jongetjes van nul tot twee jaar doden.

17Toen gebeurde er wat al door de profeet Jeremia gezegd was: 18«In Rama wordt gehuild en geschreeuwd. Rachel huilt om haar kinderen. Ze wil niet dat iemand haar komt troosten, want haar kinderen zijn er niet meer.»

Jozef en Maria gaan terug naar Israël

19Toen Herodes gestorven was, kreeg Jozef weer een droom. In die droom zag hij een engel van de Heer, die zei: 20‘Sta op! Je moet teruggaan naar het land Israël, met Maria en het kind. Want de man die het kind wilde doden, is gestorven.’ 21Jozef stond op. Hij ging met Maria en het kind terug naar Israël.

Jozef en Maria gaan in Nazaret wonen

22Na de dood van Herodes werd zijn zoon Archelaüs koning van Judea. Toen Jozef dat hoorde, durfde hij niet naar Judea te gaan. God zei tegen hem in een droom dat hij naar Galilea moest gaan. 23Daar ging Jozef met Maria en Jezus wonen, in de stad Nazaret.

Dat moest zo gebeuren, want dat wordt al verteld in de heilige boeken. Daar staat: «Hij zal Nazoreeër genoemd worden.»

3

Johannes de Doper

Johannes begint met zijn werk

31In die tijd kwam Johannes de Doper naar de woestijn van Judea. Daar zei hij tegen de mensen: 2‘Dit is het moment om je leven te veranderen. Want Gods nieuwe wereld is dichtbij.’ 3Over Johannes heeft de profeet Jesaja gezegd: «Hij roept in de woestijn: Opzij voor de Heer! Maak de weg klaar voor de Heer!»

4Johannes liep in een jas van kameelhaar, en hij had een leren riem om. Hij leefde van sprinkhanen en honing.

5Alle mensen uit Jeruzalem, uit Judea en uit het gebied van de Jordaan kwamen naar hem toe. 6Ze zeiden: ‘We hebben spijt van alles wat we verkeerd gedaan hebben.’ En Johannes doopte hen in de rivier de Jordaan.

Johannes geeft een waarschuwing

7Er kwamen ook veel farizeeën en sadduceeën naar Johannes om gedoopt te worden. Toen Johannes hen zag, zei hij: ‘Stelletje slangen! Jullie denken dat je slim genoeg bent om te ontsnappen aan Gods straf. 8-10Jullie zeggen: ‘We horen toch bij het volk van Abraham?’ Maar luister naar mijn woorden: God kan van de stenen die hier liggen een nieuw volk van Abraham maken. Laat eerst maar eens zien dat jullie je leven echt willen veranderen! Jullie moeten goede dingen doen. Dan zullen jullie lijken op een boom met goede vruchten. Want God zal alle bomen zonder goede vruchten omhakken en in het vuur gooien. De bijl ligt al klaar.’

Johannes vertelt dat Jezus zal komen

11Johannes zei tegen de mensen: ‘Ik doop jullie met water. Dat laat zien dat jullie je leven willen veranderen. Maar na mij komt iemand die veel machtiger is dan ik. Ik ben niet eens goed genoeg om zijn schoenen uit te trekken. Hij zal jullie dopen met het vuur van de heilige Geest.

12Hij lijkt op een boer die het koren van zijn akker haalt. De boer bewaart het graan in zijn schuur. Maar het stro dat overblijft, steekt hij in brand. Net zo zal de man die na mij komt, het goede bewaren. Maar het slechte zal hij verbranden, met vuur dat nooit uitgaat.’

Jezus wordt door Johannes gedoopt

13Toen kwam Jezus vanuit Galilea naar de Jordaan. Hij kwam bij Johannes om door hem gedoopt te worden. 14Maar Johannes wilde hem tegenhouden en zei: ‘Waarom bent u bij mij gekomen? Ik zou juist door u gedoopt moeten worden!’ 15Jezus zei: ‘Toch moet je het doen, want wij moeten alles doen wat God van ons vraagt.’ Toen deed Johannes wat Jezus vroeg.

16Jezus werd gedoopt. Zodra hij weer uit het water kwam, ging de hemel open. Jezus zag dat de Geest van God naar hem toe kwam in de vorm van een duif. 17En Gods stem klonk uit de hemel: ‘Hij alleen is mijn Zoon. Mijn liefde voor hem is groot.’

4

Jezus begint met zijn werk

De duivel wil Jezus laten zondigen

41De Geest bracht Jezus naar de woestijn. Daar zou de duivel proberen om Jezus te laten zondigen. 2Veertig dagen en nachten was Jezus in de woestijn zonder iets te eten. Hij had erge honger gekregen.

3Toen kwam de duivel naar hem toe en zei: ‘Jij bent toch de Zoon van God? Zeg dan dat deze stenen in brood moeten veranderen!’ 4Maar Jezus antwoordde: ‘In de heilige boeken staat: «Alleen van brood kan een mens niet leven. Maar hij leeft van elk woord dat God spreekt.»’

5Toen nam de duivel Jezus mee naar Jeruzalem. Hij zette hem op het dak van de tempel, 6en hij zei: ‘Jij bent toch de Zoon van God? Spring dan naar beneden! Want in de heilige boeken staat: «God geeft zijn engelen de opdracht om je op te vangen. Je zult je voet niet stoten tegen een steen.»’ 7Maar Jezus zei: ‘In de heilige boeken staat ook dit: «Je mag de Heer, je God, niet uitdagen om zijn macht te bewijzen.»’

8Daarna nam de duivel Jezus mee naar een heel hoge berg. Hij liet hem alle machtige koninkrijken van de wereld zien, 9en hij zei: ‘Ik geef jou al die koninkrijken. Maar dan moet jij voor mij knielen en mij eren.’

10Maar Jezus zei: ‘Ga weg, Satan. In de heilige boeken staat: «Kniel alleen voor de Heer, je God, en vereer alleen hem.»’

11Toen ging de duivel weg, en meteen kwamen er engelen om voor Jezus te zorgen.

Jezus gaat terug naar Galilea

12Johannes de Doper werd gevangengenomen. Toen Jezus dat hoorde, ging hij terug naar Galilea. 13Hij ging niet terug naar Nazaret, maar hij ging wonen in Kafarnaüm. Die stad lag bij het Meer van Galilea, in het gebied van Zebulon en Naftali.

14Dat moest zo gebeuren, want de profeet Jesaja had gezegd: 15«Luister, gebied van Zebulon en Naftali, tussen de Jordaan en de zee! Luister, Galilea, land van de ongelovigen! 16Het volk leeft nu nog in het donker, maar het zal een stralend licht zien. De mensen leven nu nog in het land van schaduw en dood, maar ze zullen leven in het licht.»

17Vanaf dat moment begon Jezus het goede nieuws te vertellen aan de mensen. Hij zei: ‘Dit is het moment om je leven te veranderen, want Gods nieuwe wereld is dichtbij.’

Jezus kiest zijn leerlingen uit

18Op een dag liep Jezus langs het Meer van Galilea. Daar zag hij twee broers: Simon, die ook wel Petrus genoemd wordt, en Andreas. Het waren vissers. Ze gooiden hun netten uit in het water. 19Jezus zei tegen hen: ‘Kom, ga met mij mee. Ik zal jullie leren om mensen te vangen in plaats van vissen.’ 20Meteen lieten ze hun netten liggen, en ze gingen met Jezus mee.

21Een eindje verder zag Jezus twee andere broers: Jakobus en Johannes. Hun vader heette Zebedeüs. Ze zaten in hun boot netten te repareren, samen met hun vader. Toen Jezus de twee broers riep, 22gingen ze meteen met hem mee. Ze lieten hun vader in de boot achter.

Jezus maakt veel zieke mensen beter

23Jezus reisde rond in heel Galilea. In de synagogen gaf hij het volk uitleg over God. Hij vertelde het goede nieuws over Gods nieuwe wereld. En hij maakte alle mensen beter die ziek waren of pijn hadden.

24Het nieuws over Jezus werd bekend in heel Syrië. De mensen brachten alle zieken naar hem toe, en Jezus maakte iedereen beter. Mensen met ziektes en pijn, mensen die een kwade geest in zich hadden, en mensen die niet konden lopen.

25Een grote groep mensen ging met Jezus mee. Ze kwamen uit Galilea en Dekapolis. En ook uit Jeruzalem, uit Judea en van de overkant van de Jordaan.