Bijbel in Gewone Taal (BGT)
27

Jezus komt bij Pilatus

271Toen het ochtend geworden was, namen alle priesters en leiders van het volk een besluit. Ze besloten dat Jezus gedood moest worden. 2Ze lieten hem vastbinden, namen hem mee en brachten hem bij Pilatus, de Romeinse bestuurder.

Judas pleegt zelfmoord

3Judas, de man die Jezus uitgeleverd had, hoorde over het besluit om Jezus te doden. Toen kreeg hij spijt van wat hij gedaan had. Hij bracht de 30 zilveren munten terug naar de priesters en de leiders van het volk. 4Hij zei: ‘Ik heb iets slechts gedaan! Ik heb iemand uitgeleverd die onschuldig is. En nu wordt hij gedood!’ Maar de priesters en de leiders zeiden: ‘Dat is niet ons probleem. Zoek dat zelf maar uit.’

5Toen gooide Judas de zilveren munten in de tempel en ging weg. Daarna maakte hij een eind aan zijn leven door zich op te hangen.

Het geld wordt gebruikt

6De priesters pakten de zilveren munten en zeiden: ‘Het is geld waar bloed aan zit! Dat mogen we niet in de geldkist van de tempel doen.’ 7Ze besloten om van het geld een stuk land te kopen, dat het Land van de Pottenbakker heette. Dat land werd daarna gebruikt als begraafplaats voor vreemdelingen. 8Het wordt nu het Bloedland genoemd.

9Zo gebeurde er wat al door de profeet Jeremia gezegd was: «Ze pakten de 30 zilveren munten. Dat was het bedrag dat de mannen van Israël bepaald hadden. Zo veel vonden ze hem waard. 10En van dat geld kochten ze het land van de pottenbakker. Dat is wat ik moest zeggen van de Heer.»

Pilatus stelt vragen aan Jezus

11Jezus stond voor Pilatus, de bestuurder van de stad. Pilatus vroeg aan hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Jezus antwoordde: ‘U zegt het zelf.’

12De priesters en de leiders van het volk beschuldigden Jezus van allerlei slechte dingen. Maar Jezus zei niets terug. 13Daarom zei Pilatus tegen Jezus: ‘Zij vertellen allerlei slechte dingen over u. Waarom zegt u niets terug?’ 14Maar Jezus gaf nergens antwoord op. Pilatus was daar erg verbaasd over.

De mensen kiezen Barabbas

15Op het Joodse Paasfeest liet Pilatus altijd één gevangene vrij. Het volk mocht iemand kiezen. 16Op dat moment zat er iemand in de gevangenis die Jezus Barabbas heette. Het was een bekende gevangene. 17Pilatus vroeg aan de mensen die bij hem gekomen waren: ‘Wie moet ik vrijlaten? Jezus Barabbas of Jezus die de messias genoemd wordt?’

18Pilatus wist precies waarom de priesters en de leiders Jezus bij hem gebracht hadden. Dat was omdat ze jaloers waren op Jezus.

19Pilatus zat klaar om een beslissing te nemen. Op dat moment kwam er een bericht van zijn vrouw: ‘Pas op! Bemoei je niet met die man, want hij is onschuldig! Ik heb vannacht een vreselijke droom gehad, die met hem te maken had.’

20Maar de priesters en de leiders zeiden tegen de mensen: ‘Jullie moeten zeggen dat Barabbas vrijgelaten moet worden en dat Jezus gedood moet worden.’ Dat deden de mensen. 21Toen vroeg Pilatus nog een keer: ‘Wie van de twee moet ik vrijlaten?’ De mensen riepen: ‘Barabbas!’ 22Pilatus zei: ‘Wat moet ik dan doen met Jezus die de messias genoemd wordt?’ De mensen riepen allemaal: ‘Hij moet aan het kruis!’

Pilatus doet wat de mensen willen

23Toen zei Pilatus: ‘Maar hij heeft toch niets verkeerds gedaan?’ Maar de mensen begonnen nog harder te roepen: ‘Hij moet aan het kruis!’

24Pilatus merkte dat de dingen die hij zei, niet hielpen. Het volk leek juist in opstand te komen. Daarom pakte hij wat water en waste zijn handen. Iedereen zag wat hij deed. Toen zei hij: ‘Ik ben onschuldig aan de dood van deze man. Jullie zijn verantwoordelijk.’ 25Toen gaf het hele volk dit antwoord: ‘Ja, zijn dood is de zaak van ons en onze kinderen.’

26Toen liet Pilatus Barabbas vrij. Maar hij gaf opdracht om Jezus met de zweep te slaan. Daarna gaf hij hem aan zijn soldaten, om hem aan het kruis te hangen.

De soldaten bespotten Jezus

27De soldaten brachten Jezus naar het paleis van Pilatus. Ze riepen iedereen erbij. 28Toen trokken ze Jezus zijn kleren uit en deden hem een rode mantel aan. 29Ze maakten een kroon van doorntakken en zetten die op zijn hoofd. En ze gaven hem een stok in zijn rechterhand. Ze knielden voor hem en zeiden spottend: ‘Wij groeten u, koning van de Joden!’

30Ze spuugden hem in zijn gezicht. En ze pakten de stok en sloegen ermee op zijn hoofd.

31Zo bespotten de soldaten Jezus. Daarna trokken ze hem de mantel weer uit, en ze trokken hem zijn eigen kleren weer aan.

Jezus wordt aan het kruis gehangen

Toen brachten de soldaten Jezus weg om hem aan het kruis te hangen. 32Toen ze de stad uit gingen, kwamen ze een man tegen. Hij heette Simon en kwam uit Cyrene. De soldaten dwongen hem om het kruis te dragen.

33Ze kwamen bij de plaats die Golgota heet. Die naam betekent: schedelplaats. 34Daar gaven ze Jezus wijn met een bittere smaak. Toen hij het proefde, wilde hij het niet opdrinken.

35Toen hingen de soldaten Jezus aan het kruis. Daarna verdeelden ze zijn kleren door erom te loten. 36Ze bleven bij het kruis om Jezus te bewaken.

37Boven Jezus’ hoofd hingen ze een bordje. Daar stond op waarom Jezus gedood werd: ‘Dit is Jezus, de koning van de Joden.’

38Daarna werden er ook twee andere mannen aan een kruis gehangen, twee misdadigers. Het kruis van Jezus stond tussen de twee andere kruisen in.

De mensen bespotten Jezus

39De mensen die voorbijkwamen, lachten Jezus uit. Ze schudden spottend hun hoofd 40en riepen: ‘Daar hangt de man die de tempel wilde afbreken. En die binnen drie dagen een nieuwe wilde bouwen. Red jezelf! Als je de Zoon van God bent, kom dan van dat kruis af!’

41De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk bespotten Jezus op dezelfde manier. Ze zeiden: 42‘Andere mensen heeft hij gered. Maar zichzelf redden, dat kan hij niet. Hij is toch de koning van Israël? Dan moet hij maar eens van dat kruis af komen! Dan zullen we in hem geloven. 43Hij vertrouwde toch op God? Hij zei zelfs dat hij Gods Zoon was! Als God echt van hem houdt, moet hij hem maar redden!’

44Ook de twee misdadigers die naast Jezus aan een kruis hingen, begonnen hem uit te schelden.

Jezus roept om God en sterft

45Om twaalf uur ’s middags werd het opeens donker in het hele land. Drie uur lang bleef het donker. 46Toen, om drie uur ’s middags, riep Jezus luid: ‘Eli, Eli, lema sabachtani?’ Dat betekent: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij alleen gelaten?’ 47De mensen die daar stonden, hoorden het. Sommigen zeiden: ‘Hij roept Elia!’

48Meteen pakte iemand een spons. Hij liet die vollopen met zure wijn. Toen deed hij de spons op een stok, en zo gaf hij Jezus te drinken. 49De anderen zeiden: ‘Nu zullen we eens zien of Elia hem komt redden.’

50Maar Jezus riep opnieuw. Toen stierf hij.

Er gebeuren bijzondere dingen

51Op hetzelfde moment gebeurde er iets in de tempel. Het gordijn voor de heilige zaal scheurde doormidden, van boven naar beneden.

De grond begon te schudden, de rotsen scheurden doormidden. 52De graven van de doden gingen open. En veel heilige mensen die gestorven waren, stonden op uit de dood. 53Na de opstanding van Jezus gingen ze naar de heilige stad Jeruzalem. Daar werden ze door veel mensen gezien.

54De Romeinse officier en de soldaten die Jezus bewaakten, voelden de grond schudden. Ze merkten wat er allemaal gebeurde. Ze werden erg bang en zeiden: ‘Geen twijfel mogelijk! Hij was de Zoon van God!’

55Een eind verderop stond een grote groep vrouwen te kijken. Ze waren met Jezus meegekomen uit Galilea. Ze hadden steeds voor hem gezorgd. 56Bij die groep hoorden Maria uit Magdala en Maria, de moeder van Jakobus en Josef, en verder de moeder van Jakobus en Johannes.

Jezus wordt begraven

57Er was een rijke man die Josef heette en uit Arimatea kwam. Hij was ook een leerling van Jezus. Toen het avond was, 58ging hij naar Pilatus. Hij vroeg of hij het lichaam van Jezus mee mocht nemen. Pilatus gaf opdracht om het lichaam aan Josef te geven.

59Josef nam het lichaam van Jezus mee. Hij wikkelde het in een nieuwe, schone doek. 60Daarna legde hij het in een graf dat nog niet gebruikt was. Josef had dat graf voor zichzelf in een rots laten uithakken.

Josef rolde een grote steen voor de ingang van het graf. Toen ging hij weg. 61Maria uit Magdala en de andere Maria waren erbij. Ze zaten tegenover het graf.

Het graf wordt bewaakt

62De volgende dag was het sabbat. Een groep priesters en farizeeën ging naar Pilatus toe. 63Ze zeiden: ‘Heer, we willen u iets vragen. Toen die bedrieger Jezus nog leefde, heeft hij gezegd: ‘Drie dagen na mijn dood zal ik opstaan uit de dood.’ 64Wilt u daarom opdracht geven om het graf drie dagen lang te bewaken? Anders komen zijn leerlingen het lichaam stelen en dan zeggen ze tegen het volk: ‘Jezus is opgestaan uit de dood!’ En daarmee zullen ze het volk nog erger bedriegen dan Jezus al deed.’

65Pilatus antwoordde: ‘Jullie krijgen soldaten mee om het graf te bewaken. Doe verder zelf wat jullie nodig vinden.’

66De priesters en de farizeeën gingen naar het graf. Ze zorgden ervoor dat niemand het graf zomaar kon openmaken. En ze gaven de soldaten opdracht om voor het graf te blijven staan.

28

Jezus is opgestaan uit de dood

Een engel komt bij het graf

281De sabbat was voorbij. De volgende dag gingen Maria uit Magdala en de andere Maria bij het graf kijken. Het was nog vroeg, de zon kwam net op.

2Opeens was er een grote aardbeving. Er kwam een engel van de Heer uit de hemel naar beneden. Hij rolde de steen van het graf weg en ging erop zitten. 3Hij leek op het stralende licht van de bliksem. En zijn kleren waren zo wit als sneeuw.

4De soldaten die het graf moesten bewaken, beefden van angst en vielen op de grond. Het leek alsof ze dood waren.

De vrouwen horen dat Jezus is opgestaan

5De engel zei tegen de vrouwen: ‘Jullie hoeven niet bang te zijn. Ik weet dat jullie op zoek zijn naar Jezus, die aan het kruis gestorven is. 6Maar hij is hier niet. Want hij is opgestaan uit de dood, zoals hij gezegd heeft. Kom maar kijken, hier heeft hij gelegen.

7Ga nu snel naar de leerlingen en zeg hun dat Jezus uit de dood is opgestaan. Vertel hun ook dat Jezus naar Galilea gaat. En dat ze hem daar zullen zien. Dat is wat ik tegen jullie moest zeggen.’

De vrouwen zien Jezus

8Snel gingen de vrouwen weg bij het graf. Ze waren geschrokken, maar ook ontzettend blij. Ze wilden zo snel mogelijk aan de leerlingen gaan vertellen wat er gebeurd was.

9Op dat moment kwam Jezus hun tegemoet, en hij groette hen. De vrouwen liepen op hem af. Ze knielden voor hem en pakten zijn voeten vast. 10Jezus zei: ‘Jullie hoeven niet bang te zijn. Ga aan mijn vrienden vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan. Daar zullen ze mij zien.’

De priesters verzinnen een verhaal

11De vrouwen gingen op weg naar de leerlingen. Intussen gingen een paar van de soldaten die het graf moesten bewaken, naar de stad. Ze vertelden alles wat er gebeurd was aan de priesters.

12Toen maakten de priesters en de leiders van het volk een plan. Ze besloten om de soldaten veel geld te geven. 13Ze zeiden tegen hen: ‘Jullie moeten vertellen dat de leerlingen het lichaam van Jezus gestolen hebben. Zeg maar dat ze ’s nachts gekomen zijn, terwijl jullie sliepen. 14Als Pilatus ervan hoort, gaan wij wel met hem praten. Wij zorgen ervoor dat jullie geen problemen krijgen.’ 15De soldaten namen het geld aan, en deden wat de priesters gezegd hadden.

Het verhaal dat de priesters bedacht hadden, wordt nog altijd bij de Joden verteld.

De leerlingen zien Jezus in Galilea

16De elf leerlingen gingen naar Galilea. Ze gingen naar de berg die Jezus genoemd had. 17Toen ze Jezus zagen, knielden ze voor hem. Maar sommige leerlingen twijfelden.

18Jezus kwam dichterbij en zei tegen de leerlingen: ‘God heeft mij alle macht gegeven, in de hemel en op de aarde. 19Jullie moeten naar alle volken gaan, zodat iedereen mijn leerling kan worden. Jullie moeten de mensen dopen in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige Geest.

20Leer de mensen om zich te houden aan alles wat ik jullie verteld heb. En vergeet nooit: ik ben altijd bij jullie, totdat de nieuwe wereld komt.’