Bijbel in Gewone Taal (BGT)
22

Het voorbeeld van het feest

221-2Jezus gaf nog een voorbeeld om uitleg te geven over Gods nieuwe wereld. Hij zei: ‘Een koning geeft een groot feest, omdat zijn zoon gaat trouwen. 3Hij geeft zijn knechten de opdracht om de gasten voor het feest op te halen. Maar de gasten willen niet komen.

4Dan stuurt de koning andere knechten naar de gasten, met de boodschap: ‘Luister, de maaltijd staat klaar. De koeien en stieren zijn geslacht en alles is klaar. Kom naar het feest!’ 5Maar de gasten luisteren niet. Ze gaan andere dingen doen. Sommigen gaan naar hun land om te werken. Anderen gaan naar hun winkel. 6En weer anderen grijpen de knechten van de koning. Ze slaan hen en vermoorden hen.

7Dan wordt de koning erg kwaad. Hij stuurt zijn soldaten om de moordenaars te doden en hun stad in brand te steken.

8Daarna zegt de koning tegen zijn knechten: ‘Alles is klaar voor het feest. Maar de gasten zijn het niet waard om te komen! 9Ga daarom nu het land in, en nodig iedereen uit die je tegenkomt.’

10De knechten gaan het land in. Ze nemen iedereen mee die ze tegenkomen. Goede mensen en slechte mensen door elkaar. Zo komen er veel gasten op het feest.

De gast die niet welkom is

11De koning komt bij de gasten kijken. Hij ziet een man die geen feestelijke kleren draagt. 12De koning zegt: ‘Zeg vriend, hoe kun je hier komen zonder feestelijke kleren?’ De man weet niet wat hij moet zeggen. 13Dan zegt de koning tegen zijn dienaren: ‘Bind hem vast aan zijn handen en voeten, en gooi hem naar buiten. Breng hem ver weg, naar de donkerste plaats, waar iedereen huilt van ellende en spijt.’’

14Toen zei Jezus: ‘Zo zal het ook zijn met de nieuwe wereld. Daar zijn veel mensen voor uitgenodigd. Maar er zijn weinig mensen die er echt bij horen.’

Een vraag met een slechte bedoeling

15De farizeeën maakten een plan om Jezus in de val te laten lopen. Ze hoopten dat hij iets strafbaars zou zeggen. 16Ze stuurden een paar van hun leerlingen naar Jezus toe, samen met een paar volgelingen van koning Herodes. Die moesten tegen Jezus zeggen: ‘Meester, u spreekt altijd de waarheid. U vertelt altijd precies wat God van ons wil. U zegt geen andere dingen om mensen een plezier te doen, of omdat u bang bent. 17Vertel ons daarom uw mening: Mogen wij belasting betalen aan de keizer of niet?’

18Maar Jezus wist dat ze met die vraag een slechte bedoeling hadden. Hij zei: ‘Wat zijn jullie schijnheilig! Jullie willen mij in de val laten lopen. 19Laat mij eens een munt zien waarmee je belasting kunt betalen.’ Ze gaven hem een munt. 20Toen zei Jezus: ‘Wie staat er op deze munt?’ 21Zij antwoordden: ‘De keizer.’ Toen zei Jezus: ‘Geef aan de keizer wat voor de keizer is. En geef aan God wat voor God is.’

22Ze waren erg verbaasd over dat antwoord. Ze lieten Jezus daar staan en gingen weg.

De sadduceeën stellen een vraag

23Op diezelfde dag kwamen er ook sadduceeën naar Jezus toe. Sadduceeën geloven niet dat de mensen zullen opstaan uit de dood. Ze zeiden tegen Jezus: 24‘Meester, in de wet van Mozes staat deze regel: «Het kan gebeuren dat een man sterft zonder kinderen. Dan moet zijn broer trouwen met de weduwe. De broer moet zorgen dat zij een kind krijgt. Dat kind geldt dan als het kind van de gestorven man.»

25Maar luister nu eens naar wat wij meegemaakt hebben: Er waren zeven broers. De oudste trouwde, maar hij stierf zonder kinderen. Zijn vrouw bleef alleen achter. Toen trouwde de tweede broer met de vrouw. 26Maar met hem gebeurde hetzelfde, en met de andere broers ook. Ze stierven allemaal zonder kinderen. 27Als laatste stierf de vrouw. 28En nu is onze vraag: Wat gebeurt er als de mensen opstaan uit de dood? Met wie van de zeven broers zal die vrouw dan getrouwd zijn? Want ze zijn allemaal met haar getrouwd geweest.’

Jezus geeft antwoord op de vraag

29Jezus antwoordde de sadduceeën: ‘Jullie hebben het helemaal fout! Jullie begrijpen de heilige boeken niet. En jullie begrijpen niet hoe machtig God is. 30Als de mensen opstaan uit de dood, dan leven ze niet meer als getrouwde mensen. Dan leven ze zoals de engelen in de hemel.’

31Jezus zei verder: ‘De mensen zullen opstaan uit de dood. Jullie weten toch wat God zegt in de heilige boeken? Hij zegt: «Ik ben de God van Abraham, Isaak en Jakob.» 32God is geen God van dode mensen, maar van levende mensen.’

33Alle mensen die het hoorden, waren diep onder de indruk van Jezus’ uitleg.

De belangrijkste regel in de wet

34Daarna durfden de sadduceeën niets meer aan Jezus te vragen. Toen de farizeeën dat hoorden, kwamen ze bij elkaar. 35Eén van hen, een wetsleraar, stelde Jezus een vraag. Hij zei: 36‘Meester, wat is de belangrijkste regel in de wet?’ Hij hoopte dat Jezus iets verkeerds zou zeggen.

37-38Jezus antwoordde: ‘De eerste en belangrijkste regel is deze: «De Heer is je God. Je moet van hem houden met je hele hart, met je hele ziel, en met je hele verstand.» 39Maar de tweede regel is net zo belangrijk: «Van de mensen om je heen moet je evenveel houden als van jezelf.» 40Die twee regels zijn de basis van de wet en van de andere heilige boeken.’

Jezus vertelt over de messias

41Jezus zei tegen de groep farizeeën: 42‘Ik heb voor jullie een vraag over de messias. Van wie is hij een zoon?’ De farizeeën antwoordden: ‘De messias is de zoon van David.’

43-44Jezus zei tegen hen: ‘Maar David zelf noemde hem Heer. Want dit zijn Davids woorden, die de heilige Geest hem liet zeggen: «God zei tegen mijn Heer: Kom naast mij zitten, aan de rechterkant. Ik zal je vijanden diep voor jou laten buigen.» 45David noemde de messias dus zijn Heer. Hoe kan de messias dan tegelijk Davids zoon zijn?’

46Niemand van de farizeeën kon daar een antwoord op geven. Vanaf dat moment durfde niemand meer een vraag aan Jezus te stellen.

23

Kritiek op wetsleraren en farizeeën

Leef niet zoals de leiders

231Jezus sprak tegen de leerlingen en tegen alle mensen. 2Hij zei: ‘De wetsleraren en de farizeeën vertellen hoe je je moet houden aan de wet van Mozes. 3Doe wat ze zeggen, maar leef niet zoals zij. Want ze doen zelf niet wat ze aan jullie leren.

4Ze willen dat iedereen zich houdt aan alle regels. Zo maken ze het de mensen moeilijk. Maar zelf willen ze zich aan geen enkele regel houden.

5Alles wat ze doen, is bedoeld om op te vallen. De kwastjes die ze aan hun kleren dragen, zijn extra groot. En de band die ze om hun voorhoofd dragen als ze gaan bidden, is extra breed. Zo lijkt het alsof zij meer eerbied voor God hebben dan andere mensen. 6Ze willen de mooiste plaatsen hebben bij een feestelijke maaltijd. En ze willen vooraan zitten in de synagoge. 7Ze willen beleefd gegroet worden op straat. En ze willen dat mensen hen ‘meester’ noemen.’

Je moet jezelf niet belangrijk vinden

8Jezus zei tegen de leerlingen: ‘Jullie moeten je nooit ‘meester’ laten noemen. Want jullie hebben maar één meester. En jullie zijn mijn volgelingen, dus jullie zijn allemaal gelijk. 9Noem niemand op aarde ‘vader’. Want jullie hebben maar één Vader, je Vader in de hemel. 10Laat je ook niet ‘leraar’ noemen. Want jullie hebben maar één leraar, de messias.

11De belangrijkste van jullie is degene die de anderen dient. 12God zal iedereen die zichzelf geweldig vindt, onbelangrijk maken. Maar mensen die zichzelf niets waard vinden, die zal God belangrijk maken.’

De leiders helpen de mensen niet

13-14Jezus zei: ‘Wetsleraren en farizeeën, wat zijn jullie schijnheilig! Jullie houden de mensen weg bij Gods nieuwe wereld. Jullie zullen zelf niet in Gods nieuwe wereld komen. Maar bovendien zorgen jullie ervoor dat ook andere mensen daar niet zullen komen. Daarom zullen jullie gestraft worden.

15Wetsleraren en farizeeën, wat zijn jullie schijnheilig! Jullie reizen de hele wereld over om er één volgeling bij te krijgen. En als jullie hem gevonden hebben, maken jullie hem nog slechter dan je zelf bent. Jullie maken hem klaar voor de hel! Daarom zullen jullie gestraft worden.

De leiders hebben geen verstand

16Jullie zijn leiders zonder verstand! Als iemand een plechtige belofte doet, noemt hij daarbij vaak iets dat heilig is. Zo wordt zijn belofte geldig. Als hij de tempel noemt, vinden jullie zijn belofte niet geldig. Maar als hij het goud van de tempel noemt, vinden jullie de belofte wel geldig. 17Jullie zijn domme mensen zonder verstand. Want het is juist de tempel die het goud heilig maakt.

18Als iemand bij zijn belofte het altaar in de tempel noemt, vinden jullie zijn belofte niet geldig. Maar als hij het offer op het altaar noemt, vinden jullie de belofte wel geldig. 19Jullie hebben geen verstand! Want het is juist het altaar dat het offer heilig maakt.

20Denk goed na als je iets plechtig belooft. Als je het altaar noemt, dan gaat het ook over het offer op het altaar. 21En als je de tempel noemt, dan gaat het ook over God, die in de tempel woont. 22En als je de hemel noemt, dan gaat het ook over God. Want in de hemel is zijn troon.

De leiders doen niet wat belangrijk is

23-24Wetsleraren en farizeeën, wat zijn jullie schijnheilig! Jullie houden je aan de kleinste regeltjes. Jullie betalen zelfs belasting over de kruiden in je tuin. Maar jullie houden je niet aan de belangrijkste regels van de wet: eerlijkheid, liefde en trouw. Dan heeft het ook geen zin om je aan die kleine regels te houden! Daarom zullen jullie gestraft worden.

Jullie zijn leiders zonder verstand. Jullie lijken op iemand die eerst een mug uit zijn wijn haalt, maar daarna een kameel doorslikt.

De leiders zijn schijnheilig

25Wetsleraren en farizeeën, wat zijn jullie schijnheilig! Jullie maken je borden en je bekers aan de buitenkant schoon. Maar de slechtheid zit aan de binnenkant: al het eten en drinken dat jullie gestolen hebben. Daarom zullen jullie gestraft worden. 26Farizeeën, jullie hebben geen verstand! Dat schoonmaken heeft alleen zin als je eerst stopt met stelen.

27Wetsleraren en farizeeën, wat zijn jullie schijnheilig! Jullie lijken goede mensen, maar van binnen zijn jullie slecht. Jullie lijken op een graf met een mooie witte steen aan de buitenkant. Maar alles wat in dat graf ligt, is onrein: de botten van de doden. 28Zo is het ook met jullie. Aan de buitenkant lijken jullie op eerlijke mensen. Maar van binnen zijn jullie schijnheilig en slecht. Daarom zullen jullie gestraft worden.

De leiders worden gestraft

29Wetsleraren en farizeeën, wat zijn jullie schijnheilig! Jullie maken prachtige monumenten voor de profeten en de goede mensen van vroeger. 30En jullie zeggen: ‘Stel dat wij vroeger geleefd hadden. Dan hadden we niet meegedaan met onze voorouders, die de profeten vermoord hebben.’ 31Jullie stammen dus af van mensen die de profeten vermoord hebben. Dat zeggen jullie zelf. 32Ga dan ook maar door met het slechte gedrag van jullie voorouders. Dan komt de straf vanzelf. 33Stelletje slangen! Denk maar niet dat je kunt ontsnappen aan de straf in de hel.

34-35Ik zal profeten, wijzen en leraren naar jullie toe sturen. Jullie zullen sommigen van hen doodslaan of aan het kruis hangen. En jullie zullen anderen met de zweep slaan in de synagoge, en achtervolgen van de ene stad naar de andere. Maar dan komt de tijd van de straf. Dan zal God jullie straffen omdat jullie onschuldige mensen vermoord hebben. Jullie hebben veel goede en eerlijke mensen gedood. Het begon met de moord op Abel. En het ging door tot de moord op Zecharja, de zoon van Berechja, die gedood werd bij het altaar in de tempel.

36Luister goed naar mijn woorden: De mensen die nu leven, zullen voor al die misdaden gestraft worden.’

Jeruzalem zal gestraft worden

37Jezus zei: ‘Jeruzalem, Jeruzalem! Jouw inwoners hebben de profeten gedood. Ze hebben de dienaren die God stuurde, met stenen doodgegooid.

Inwoners van Jeruzalem, telkens probeerde ik jullie te beschermen. Net zoals een vogel haar jongen beschermt onder haar vleugels. Maar jullie wilden niet door mij beschermd worden. 38Daarom zal de tempel verwoest worden.

39Luister naar mijn woorden: Jullie zien mij nu voor het laatst. Jullie zullen mij pas weer zien als de nieuwe wereld komt. Dan zullen jullie zeggen: ‘Leve de man die door God gestuurd is!’’

24

Het einde van deze wereld

De tempel zal worden afgebroken

241Toen ging Jezus weg uit de tempel. De leerlingen kwamen bij hem en zeiden: ‘Kijk eens naar al die gebouwen van de tempel!’ 2Jezus zei: ‘Bekijk die gebouwen maar goed. Luister goed naar mijn woorden: Ze zullen helemaal worden afgebroken. Steen voor steen.’

3Daarna ging Jezus naar de Olijfberg. Toen hij daar zat met zijn leerlingen, vroegen zij: ‘Wilt u ons vertellen wanneer dat allemaal gebeuren zal? Aan welk teken zullen we zien dat u komt en dat het einde van deze wereld gekomen is?’

Er zullen vreselijke dingen gebeuren

4Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Pas op, laat je niet bedriegen! 5Want het zal vaak gebeuren dat mensen mijn naam gebruiken. Ze zullen zeggen dat ze de messias zijn. Zo zullen ze veel mensen bedriegen.

6Jullie zullen horen dat er oorlog is, of dat er oorlog komt. Maar je moet daar niet van schrikken. Want dat moet allemaal gebeuren, maar het is nog niet het einde. 7Want eerst zullen alle volken en landen oorlog tegen elkaar voeren. Er zal hongersnood komen, en overal zullen aardbevingen zijn. 8Dat is het begin van de grote rampen.

De leerlingen krijgen het moeilijk

9Jullie zullen het moeilijk hebben. Sommigen van jullie zullen gedood worden. En alle mensen zullen jullie behandelen als vijanden, omdat jullie bij mij horen. 10Veel mensen zullen hun geloof opgeven. Ze zullen elkaar behandelen als vijanden, en elkaar verraden. 11Er zullen veel valse profeten komen, en die zullen de mensen bedriegen. 12Er zullen steeds meer slechte dingen gebeuren op aarde. En veel gelovigen zullen hun liefde voor God en voor elkaar verliezen. 13Maar iedereen die volhoudt tot het einde, die zal gered worden.

14Het goede nieuws over Gods nieuwe wereld zal overal op aarde verteld worden. En als alle volken het gehoord hebben, zal het einde komen.

Er zal iets verschrikkelijks gebeuren

15Op een dag zullen jullie iets verschrikkelijks zien: de Grote Verwoester. Die zal staan op de heilige plaats. De profeet Daniël heeft daar al over verteld. (Lezer, probeer te begrijpen wat dat betekent!)

16Dan moet iedereen in Judea de bergen in vluchten. 17Als je op dat moment buiten bij je huis bent, moet je meteen vluchten. Ga niet eerst naar binnen om nog iets te pakken. 18Ook als je op het land aan het werk bent, moet je meteen vluchten. Ga niet eerst terug om je jas te halen.

19Het zal een ramp zijn voor vrouwen die zwanger zijn of een baby hebben. 20Bid tot God dat je niet in de winter hoeft te vluchten, of op sabbat. 21Want wat er dan gebeurt, zal echt verschrikkelijk zijn. Zoiets is nog nooit gebeurd sinds het begin van de wereld. En zoiets zal daarna ook nooit meer gebeuren.

22Gelukkig heeft God bepaald dat die verschrikkelijke tijd niet te lang zal duren. Anders zou niemand het volhouden. God heeft die tijd juist kort gemaakt, zodat de mensen die hij uitgekozen heeft, het kunnen volhouden.

Valse messiassen en profeten

23In die tijd zullen mensen tegen jullie zeggen: ‘Kijk, dit is de messias.’ Of: ‘Dat is hem.’ Geloof die mensen niet! 24Want er zullen allerlei valse messiassen en valse profeten komen. Ze zullen veel machtige wonderen doen. Zo proberen ze de mensen die door God uitgekozen zijn, te bedriegen. 25Let op, ik heb jullie gewaarschuwd!

26In die tijd zullen mensen tegen jullie zeggen dat de messias in de woestijn is. Of dat hij ergens in een huis is. Geloof dat niet, en ga er niet heen. 27Want als de Mensenzoon komt, zal iedereen hem zien. Net zoals iedereen de bliksem in de lucht kan zien. 28Als alle gieren naar één plek toe gaan, is het duidelijk dat daar een dood dier ligt. Net zo duidelijk zal de komst van de Mensenzoon zijn.

Jezus vertelt dat hij terug zal komen

29Meteen na die verschrikkelijke tijd gebeurt dit: De zon wordt donker, de maan geeft geen licht meer. De sterren vallen naar beneden, en alles schudt heen en weer.

30Dan wordt het teken van de Mensenzoon zichtbaar aan de hemel. Alle mensen op aarde zullen huilen en jammeren. Ze zien de Mensenzoon op de wolken uit de hemel komen. Hij komt als een machtige en schitterende koning. 31Dan zal hij de engelen over de hele aarde sturen. Ze blazen op hun trompetten, en zo verzamelen ze alle mensen die bij de Mensenzoon horen. Overal vandaan, van de hele aarde.’

Het voorbeeld van de vijgenboom

32Jezus gaf een voorbeeld: ‘Het is net als met de vijgenboom. Elk jaar zie je nieuwe bladeren aan zijn takken komen. Dan weet je dat het snel zomer wordt. 33Dat geldt ook voor de dingen waarover ik verteld heb. Als je al die dingen ziet gebeuren, dan weet je dat het einde snel zal komen.

34Luister goed naar mijn woorden: Sommige mensen die nu leven, zullen dat nog meemaken. 35De hemel zal verdwijnen, en de aarde zal verdwijnen. Maar mijn woorden zullen nooit verdwijnen.’

De Mensenzoon komt onverwacht

36-37Jezus zei: ‘De Mensenzoon zal onverwacht komen. Niemand weet precies wanneer dat gaat gebeuren. Ook de engelen in de hemel weten het niet. Zelfs ik weet dat niet. Alleen God, de Vader, weet dat.

Het zal net zo gaan als in de tijd van Noach. 38-39Toen waren de mensen bezig met gewone dingen: met eten, drinken en trouwen. Niemand wist wat er ging gebeuren. Totdat de dag kwam dat Noach zijn boot in ging. Toen kwam plotseling de grote overstroming, en alle mensen verdronken. Net zo plotseling zal ook de Mensenzoon komen.

40Als de Mensenzoon komt, mag niet iedereen met hem mee. Als er bijvoorbeeld twee mannen aan het werk zijn op het land, mag maar één van hen met de Mensenzoon mee. De ander moet achterblijven. 41Of als er twee vrouwen graan aan het malen zijn, mag maar één van hen met de Mensenzoon mee. De ander moet achterblijven.

Blijf goed opletten

42Blijf opletten! Want jullie weten niet wanneer jullie Heer zal komen. 43-44Stel dat je van tevoren weet wanneer er een dief komt. Dan blijf je wakker en zorg je ervoor dat die dief niet bij je kan inbreken. Maar jullie weten niet wanneer de Mensenzoon komt. Dus moeten jullie altijd klaarstaan. Onthoud dat goed!

45Wat doet een dienaar die trouw en verstandig is? Stel dat zijn heer op reis gaat. Hij geeft zijn dienaar de opdracht om goed voor alle knechten te zorgen. 46-47Op een dag komt de heer terug. En hij ziet dat de dienaar inderdaad goed voor alle knechten zorgt. Luister goed naar mijn woorden: Die dienaar krijgt een beloning! Hij wordt verantwoordelijk voor het hele bezit van zijn heer.

48-49Maar stel dat die dienaar slecht is en denkt: Mijn heer komt voorlopig niet terug. En hij begint de andere knechten te slaan. Hij eet zich vol en drinkt vrolijk mee met dronken kerels. 50Stel dat de heer dan terugkomt op een moment dat de dienaar hem helemaal niet verwacht. 51Dan zal de heer hem de zwaarste straf geven. Dan gaat die dienaar naar de plaats waar iedereen huilt van ellende en spijt. Daar gaan ook alle schijnheilige mensen naartoe.’