Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

De voorouders van Jezus

11Jezus Christus kwam uit de familie van David en Abraham. Hier volgt de lijst van zijn voorouders.

Van Abraham tot David

2Abraham was de vader van Isaak. Isaak was de vader van Jakob. Jakob was de vader van Juda en zijn broers. 3Juda was de vader van Peres en Zerach. Hun moeder was Tamar.

Peres was de vader van Chesron. Chesron was de vader van Aram. 4Aram was de vader van Amminadab. Amminadab was de vader van Nachson. Nachson was de vader van Salmon.

5Salmon was de vader van Boaz. De moeder van Boaz was Rachab. Boaz was de vader van Obed. De moeder van Obed was Ruth. Obed was de vader van Isaï. 6Isaï was de vader van koning David.

Van David tot Jechonja

David was de vader van Salomo. De moeder van Salomo was Batseba, de vrouw van Uria.

7Salomo was de vader van Rechabeam. Rechabeam was de vader van Abia. Abia was de vader van Asaf. 8Asaf was de vader van Josafat. Josafat was de vader van Joram. Joram was de vader van Uzzia. 9Uzzia was de vader van Jotam. Jotam was de vader van Achaz. Achaz was de vader van Hizkia. 10Hizkia was de vader van Manasse. Manasse was de vader van Amos. Amos was de vader van Josia.

11Josia was de vader van Jechonja en zijn broers. Zij leefden in de tijd dat het volk van Israël in Babylonië woonde.

Van Jechonja tot Jezus

12Jechonja was de vader van Sealtiël. Die leefde na de tijd dat het volk van Israël in Babylonië woonde.

Sealtiël was de vader van Zerubbabel. 13Zerubbabel was de vader van Abihud. Abihud was de vader van Eljakim. Eljakim was de vader van Azor. 14Azor was de vader van Sadok. Sadok was de vader van Achim. Achim was de vader van Eliud. 15Eliud was de vader van Eleazar. Eleazar was de vader van Mattan. Mattan was de vader van Jakob. 16Jakob was de vader van Jozef.

Jozef was de man van Maria, en Maria was de moeder van Jezus. Jezus wordt ook Christus genoemd.

Drie keer veertien generaties

17Van Abraham tot David waren er veertien generaties. Van David tot Jechonja waren er ook veertien generaties. En van Jechonja tot Christus waren er nog eens veertien generaties.

De geboorte van Jezus Christus

Maria is zwanger

18Dit is het verhaal over de geboorte van Jezus Christus.

Maria zou trouwen met Jozef, dat was afgesproken. Maar nog voordat ze getrouwd waren, werd Maria zwanger, door de heilige Geest.

19Jozef was een goed mens. Hij dacht: Ik kan niet met Maria trouwen, want ze is zwanger van een ander. Ik moet haar wegsturen. Maar dat zal ik in het geheim doen, anders zullen de mensen haar behandelen als een slechte vrouw.

Jozef krijgt een droom

20Toen kreeg Jozef een droom. In die droom zag hij een engel van de Heer, die zei: ‘Jozef, nakomeling van David, luister! Je kunt rustig met Maria trouwen. Want het kind dat zij verwacht, is van de heilige Geest. 21Maria zal een zoon krijgen. Je moet hem Jezus noemen. Hij zal zijn volk redden, hij zorgt ervoor dat al hun zonden vergeven worden.’

22Dat moest allemaal zo gebeuren, want in het boek van de profeet Jesaja staan deze woorden van God: 23«Een jonge vrouw die nog maagd is, zal zwanger worden. Ze zal een zoon krijgen, en hij zal Immanuel genoemd worden.» De naam Immanuel betekent: God is bij ons.

Jozef trouwt met Maria

24Toen Jozef wakker werd, deed hij wat de engel van de Heer tegen hem gezegd had. Hij trouwde met Maria. 25Maar ze sliepen niet met elkaar voordat haar zoon geboren werd. En Jozef noemde hem Jezus.

2

Wijze mannen zoeken een kind

21Jezus werd geboren in Betlehem, een stad in Judea. Herodes was op dat moment koning.

Niet lang na de geboorte van Jezus kwamen er wijze mannen in Jeruzalem aan. Ze kwamen uit het oosten, uit een ver land. 2Ze vroegen aan de mensen in Jeruzalem: ‘Waar is de koning van de Joden die kortgeleden geboren is? We hebben zijn ster gezien. Die kwam aan de hemel omhoog. En nu zijn we gekomen om de nieuwe koning te eren.’

3Toen koning Herodes dat hoorde, schrok hij vreselijk. Ook de andere mensen in Jeruzalem schrokken.

4Herodes liet alle priesters en wetsleraren bij elkaar komen. Hij vroeg aan hen: ‘Waar zal de messias geboren worden?’ 5Ze zeiden: ‘In Betlehem in Judea, want dat wordt al verteld in de heilige boeken. Daar staat: 6«Luister, Betlehem in Judea, jij hoort bij de belangrijkste steden van het land. Want uit Betlehem komt de leider van Israël. Hij zal zorgen voor het volk van God, zoals een herder voor zijn schapen zorgt.»’

De wijze mannen vinden het kind

7Toen liet Herodes de wijze mannen in het geheim bij zich komen. Hij wilde precies weten wanneer ze de ster voor het eerst gezien hadden. 8Daarna zei hij: ‘Ga naar Betlehem en zoek uit waar het kind precies is. Als jullie hem gevonden hebben, moet je dat aan mij komen vertellen. Dan kan ik ook naar hem toe gaan om hem te eren.’

9-10Na het gesprek met Herodes gingen de wijze mannen op weg. En opeens was daar de ster weer die ze al eerder gezien hadden. Toen ze de ster weer zagen, waren ze erg blij. De ster wees hun de weg. Hij bleef staan boven het huis waar het kind was.

11De wijze mannen gingen naar binnen. Daar zagen ze het kind bij zijn moeder Maria. Ze knielden voor hem en eerden hem. Ze gaven hem de dure geschenken die ze meegebracht hadden: goud, wierook en mirre.

12’s Nachts kregen de wijze mannen een droom. In de droom zei God tegen hen: ‘Jullie moeten niet teruggaan naar Herodes.’ En dus gingen ze langs een andere weg terug naar hun land.

Jozef en Maria vluchten naar Egypte

13Toen de wijze mannen weggegaan waren, kreeg Jozef een droom. In zijn droom zag hij een engel van de Heer, die zei: ‘Sta op! Je moet met Maria en het kind naar Egypte vluchten. Daar moeten jullie blijven totdat ik zeg dat jullie terug kunnen gaan. Want Herodes is op zoek naar het kind, hij wil het doden.’

14Meteen stond Jozef op. Midden in de nacht vertrok hij met Maria en het kind naar Egypte. 15Daar bleven ze tot de dood van Herodes.

Dat moest zo gebeuren. Want dat wordt al verteld in de heilige boeken. Daar staan deze woorden van God: «Ik heb mijn Zoon teruggeroepen uit Egypte.»

Alle jongetjes in Betlehem worden gedood

16Intussen begreep Herodes dat de wijze mannen niet terug zouden komen. Hij voelde zich bedrogen, en hij was verschrikkelijk kwaad. Hij dacht: Dat kind kan niet ouder zijn dan twee jaar. Dat wist hij van de wijze mannen.

Herodes stuurde zijn soldaten naar Betlehem. Ze moesten in dat hele gebied alle jongetjes van nul tot twee jaar doden.

17Toen gebeurde er wat al door de profeet Jeremia gezegd was: 18«In Rama wordt gehuild en geschreeuwd. Rachel huilt om haar kinderen. Ze wil niet dat iemand haar komt troosten, want haar kinderen zijn er niet meer.»

Jozef en Maria gaan terug naar Israël

19Toen Herodes gestorven was, kreeg Jozef weer een droom. In die droom zag hij een engel van de Heer, die zei: 20‘Sta op! Je moet teruggaan naar het land Israël, met Maria en het kind. Want de man die het kind wilde doden, is gestorven.’ 21Jozef stond op. Hij ging met Maria en het kind terug naar Israël.

Jozef en Maria gaan in Nazaret wonen

22Na de dood van Herodes werd zijn zoon Archelaüs koning van Judea. Toen Jozef dat hoorde, durfde hij niet naar Judea te gaan. God zei tegen hem in een droom dat hij naar Galilea moest gaan. 23Daar ging Jozef met Maria en Jezus wonen, in de stad Nazaret.

Dat moest zo gebeuren, want dat wordt al verteld in de heilige boeken. Daar staat: «Hij zal Nazoreeër genoemd worden.»

3

Johannes de Doper

Johannes begint met zijn werk

31In die tijd kwam Johannes de Doper naar de woestijn van Judea. Daar zei hij tegen de mensen: 2‘Dit is het moment om je leven te veranderen. Want Gods nieuwe wereld is dichtbij.’ 3Over Johannes heeft de profeet Jesaja gezegd: «Hij roept in de woestijn: Opzij voor de Heer! Maak de weg klaar voor de Heer!»

4Johannes liep in een jas van kameelhaar, en hij had een leren riem om. Hij leefde van sprinkhanen en honing.

5Alle mensen uit Jeruzalem, uit Judea en uit het gebied van de Jordaan kwamen naar hem toe. 6Ze zeiden: ‘We hebben spijt van alles wat we verkeerd gedaan hebben.’ En Johannes doopte hen in de rivier de Jordaan.

Johannes geeft een waarschuwing

7Er kwamen ook veel farizeeën en sadduceeën naar Johannes om gedoopt te worden. Toen Johannes hen zag, zei hij: ‘Stelletje slangen! Jullie denken dat je slim genoeg bent om te ontsnappen aan Gods straf. 8-10Jullie zeggen: ‘We horen toch bij het volk van Abraham?’ Maar luister naar mijn woorden: God kan van de stenen die hier liggen een nieuw volk van Abraham maken. Laat eerst maar eens zien dat jullie je leven echt willen veranderen! Jullie moeten goede dingen doen. Dan zullen jullie lijken op een boom met goede vruchten. Want God zal alle bomen zonder goede vruchten omhakken en in het vuur gooien. De bijl ligt al klaar.’

Johannes vertelt dat Jezus zal komen

11Johannes zei tegen de mensen: ‘Ik doop jullie met water. Dat laat zien dat jullie je leven willen veranderen. Maar na mij komt iemand die veel machtiger is dan ik. Ik ben niet eens goed genoeg om zijn schoenen uit te trekken. Hij zal jullie dopen met het vuur van de heilige Geest.

12Hij lijkt op een boer die het koren van zijn akker haalt. De boer bewaart het graan in zijn schuur. Maar het stro dat overblijft, steekt hij in brand. Net zo zal de man die na mij komt, het goede bewaren. Maar het slechte zal hij verbranden, met vuur dat nooit uitgaat.’

Jezus wordt door Johannes gedoopt

13Toen kwam Jezus vanuit Galilea naar de Jordaan. Hij kwam bij Johannes om door hem gedoopt te worden. 14Maar Johannes wilde hem tegenhouden en zei: ‘Waarom bent u bij mij gekomen? Ik zou juist door u gedoopt moeten worden!’ 15Jezus zei: ‘Toch moet je het doen, want wij moeten alles doen wat God van ons vraagt.’ Toen deed Johannes wat Jezus vroeg.

16Jezus werd gedoopt. Zodra hij weer uit het water kwam, ging de hemel open. Jezus zag dat de Geest van God naar hem toe kwam in de vorm van een duif. 17En Gods stem klonk uit de hemel: ‘Hij alleen is mijn Zoon. Mijn liefde voor hem is groot.’