Bijbel in Gewone Taal (BGT)
16

Een vraag om bewijs

161Er kwamen farizeeën en sadduceeën naar Jezus toe. Ze zeiden: ‘Bewijs maar eens met een teken dat u door God gestuurd bent!’ Ze wilden laten zien dat Jezus dat niet kon.

2Maar Jezus zei tegen hen: ‘Als jullie ’s avonds een rode lucht zien, dan zeggen jullie: ‘Het wordt morgen mooi weer.’ 3En als jullie ’s ochtends een rode lucht zien, dan zeggen jullie: ‘Het wordt vandaag slecht weer.’ Jullie begrijpen wat de kleur van de lucht betekent. Maar de tekens die om jullie heen gebeuren, die begrijpen jullie niet.

4Jullie zijn slechte mensen, die ontrouw zijn aan God. Jullie vragen om een teken. Maar het enige teken dat jullie krijgen, is het voorbeeld van Jona.’

Jezus liet de farizeeën en de sadduceeën daar staan en ging weg.

Jezus waarschuwt zijn leerlingen

5De leerlingen kwamen bij Jezus aan de andere kant van het meer. Ze waren vergeten om eten mee te nemen. 6Jezus zei tegen hen: ‘Pas op voor het gevaarlijke voedsel van de farizeeën en de sadduceeën.’ 7Maar de leerlingen bespraken intussen met elkaar dat ze geen eten bij zich hadden.

8Toen Jezus dat merkte, zei hij: ‘Waarom bespreken jullie met elkaar dat je geen eten hebt? Is jullie geloof dan zo klein? 9Begrijpen jullie het nog steeds niet?

Denk eens aan die vijf broden voor vijfduizend mensen. Hoeveel manden met brood hielden jullie toen over? 10En denk aan die zeven broden voor vierduizend mensen. Hoeveel manden met brood hielden jullie toen over? 11Maar nu zeg ik: Pas op voor het gevaarlijke voedsel van de farizeeën en de sadduceeën. En dat gaat niet over echt eten!’

12Toen begrepen de leerlingen het. Dat gevaarlijke voedsel was geen eten. Maar het waren de gevaarlijke ideeën van de farizeeën en de sadduceeën.

Jezus vertelt over zichzelf

Jezus vraagt de leerlingen wie hij is

13Jezus en de leerlingen kwamen in de omgeving van Caesarea Filippi. Jezus vroeg aan de leerlingen: ‘Wat zeggen de mensen over mij, de Mensenzoon?’ 14De leerlingen antwoordden: ‘Sommige mensen zeggen dat u Johannes de Doper bent. Anderen zeggen dat u Elia bent. Weer anderen zeggen dat u Jeremia bent, of een andere profeet van vroeger.’

15Toen zei Jezus: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ 16Simon Petrus antwoordde: ‘U bent de messias, de Zoon van de levende God.’

17Jezus zei tegen hem: ‘Dat heb je niet gehoord van een mens, maar van mijn Vader in de hemel. Daarom ben je een gelukkig mens, Simon, zoon van Jona! 18En ik zeg je: Jij bent Petrus, de rots. Op die rots zal ik mijn kerk bouwen. Mijn kerk zal er zijn zolang deze wereld bestaat. 19Aan jou geef ik de sleutels van de poort naar de nieuwe wereld. Want de besluiten die jij hier op aarde neemt, zullen ook geldig zijn in de hemel.’

20Daarna zei Jezus tegen de leerlingen: ‘Vertel aan niemand dat ik de messias ben!’

Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren

21Vanaf dat moment begon Jezus zijn leerlingen te vertellen wat er met hem moest gebeuren. Hij zei: ‘Ik moet naar Jeruzalem gaan. Daar zal ik veel moeten lijden. De leiders van het volk, de priesters en de wetsleraren zullen mij doden. Maar drie dagen later zal ik opstaan uit de dood.’

22Toen nam Petrus Jezus mee, weg van de andere leerlingen. Hij zei tegen Jezus: ‘Nee, dat mag niet gebeuren! God zal u beschermen, Heer.’ 23Maar Jezus draaide zich om en zei tegen Petrus: ‘Achteruit jij, Satan! Houd me niet tegen. Jij denkt aan wat mensen willen, maar niet aan wat God wil.’

Jezus vertelt hoe je zijn volgeling wordt

24Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Als je mijn volgeling wilt zijn, dan mag je niet meer aan jezelf denken. Nee, je moet bereid zijn om je leven op te geven en met mij mee te gaan. 25Als je je leven probeert te redden, zul je het juist voor altijd verliezen. Maar je kunt ook je leven verliezen omdat je mijn volgeling bent. Dan zul je je leven juist voor altijd redden. 26Stel dat je de hele wereld in bezit krijgt. Wat heb je daaraan als je je leven verliest? Het eeuwige leven is niet te koop.’

27Jezus zei verder: ‘De Mensenzoon zal terugkomen met de macht van zijn Vader, samen met de engelen. Dan zal hij alle mensen geven wat ze verdienen. 28Luister goed naar mijn woorden: Sommigen van jullie zullen dat nog tijdens hun leven meemaken. Zij zullen de Mensenzoon zien komen als de koning van de nieuwe wereld.’

17

Jezus spreekt met Mozes en Elia

171Zes dagen later ging Jezus een hoge berg op. Petrus mocht met hem mee, en ook de broers Jakobus en Johannes. Boven op de berg waren ze alleen. 2De leerlingen zagen dat Jezus veranderde. Zijn gezicht begon te stralen, net als de zon. En zijn kleren werden zo wit als een helder licht.

3Opeens zagen de leerlingen Mozes en Elia. Die waren met Jezus aan het praten. 4Petrus zei tegen Jezus: ‘Heer, het komt goed uit dat wij hier zijn! Als u wilt, maken we hier drie hutten: één voor u, één voor Mozes, en één voor Elia.’ 5Terwijl Petrus dat zei, kwam er een stralend lichte wolk boven hen. En uit die wolk klonk Gods stem, die zei: ‘Hij alleen is mijn Zoon. Mijn liefde voor hem is groot. Luister naar hem!’

6Toen de leerlingen dat hoorden, lieten ze zich voorover op de grond vallen. Ze waren erg bang. 7Jezus kwam naar hen toe. Hij raakte hen aan en zei: ‘Sta op. Jullie hoeven niet bang te zijn.’ 8Toen de leerlingen opkeken, zagen ze niemand meer, behalve Jezus.

Jezus vertelt dat Elia al gekomen is

9Jezus en de drie leerlingen gingen weer van de berg af. Jezus zei: ‘Jullie mogen nu nog niet vertellen wat je gezien hebt, aan niemand. Want eerst moet de Mensenzoon opstaan uit de dood.’

10De leerlingen vroegen: ‘De wetsleraren zeggen dat Elia eerst moet komen. Hoe zit dat precies?’ 11Jezus zei: ‘Dat klopt. Elia komt om alles in orde te maken. 12Maar luister naar mijn woorden: Elia is al gekomen. Maar de mensen wilden niet geloven dat hij het was. Ze hebben hem slecht behandeld. En ook de Mensenzoon zal veel moeten lijden.’

13Toen begrepen de leerlingen wie Jezus bedoelde met Elia. Hij bedoelde Johannes de Doper.

Jezus jaagt een kwade geest weg

14Toen Jezus en de drie leerlingen terugkwamen, stond er een groep mensen. Er kwam een man naar Jezus toe. Hij knielde voor Jezus 15en zei: ‘Heer, heb medelijden met mijn zoon! Hij heeft een kwade geest in zich. Daardoor heeft hij veel pijn en valt hij vaak in het vuur of in het water. 16Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht. Maar zij konden hem niet beter maken.’

17Jezus zei: ‘Wat zijn jullie toch ongelovig! Jullie doen het helemaal verkeerd. Hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe houd ik dat vol? Breng die jongen hier!’

18Jezus sprak streng tegen de kwade geest. De kwade geest ging weg, en vanaf dat moment was de jongen weer beter.

19Toen Jezus en de leerlingen alleen waren, vroegen de leerlingen: ‘Waarom konden wij die kwade geest niet wegjagen?’ 20-21Jezus antwoordde: ‘Dat komt doordat jullie geloof te klein is. Luister goed naar mijn woorden: Zelfs als je geloof maar zo klein is als een mosterdzaadje, is alles mogelijk. Als je dan tegen een berg zegt: ‘Ga eens opzij,’ dan gaat die berg opzij.’

Jezus zegt wat er met hem zal gebeuren

22-23Toen Jezus en de leerlingen weer in Galilea waren, zei Jezus tegen hen: ‘De Mensenzoon zal uitgeleverd worden aan mensen die hem zullen doden. Maar drie dagen later zal hij opstaan uit de dood.’

Toen de leerlingen dat hoorden, werden ze erg verdrietig.

Uitleg over Gods nieuwe wereld

Jezus betaalt tempelbelasting

24Toen Jezus en de leerlingen in Kafarnaüm waren, kwamen er een paar mannen bij Petrus. Het waren de mannen die de tempelbelasting ophaalden. Ze vroegen: ‘Betaalt jouw meester wel tempelbelasting?’ 25‘Ja, natuurlijk,’ zei Petrus.

Toen Petrus thuiskwam, vroeg Jezus meteen aan hem: ‘Simon, ik wil je wat vragen. Alle koningen vragen belasting. Maar van wie vragen ze dat? Van hun eigen kinderen of van andere mensen?’

26Petrus antwoordde: ‘Van andere mensen.’ ‘Inderdaad,’ zei Jezus, ‘kinderen hoeven geen belasting te betalen aan hun vader. 27Maar ik wil niet dat de mensen slecht over ons denken. Daarom moet je naar het meer gaan om te vissen. Pak de eerste vis die je vangt en doe zijn bek open. Daar zit een munt in. Geef die aan de mannen die de tempelbelasting ophalen. Dan heb je voor ons allebei betaald.’

18

Je moet niet belangrijk willen zijn

181Op dat moment kwamen ook de andere leerlingen bij Jezus. Ze vroegen: ‘Wie is eigenlijk de belangrijkste in Gods nieuwe wereld?’

2Jezus riep een kind bij zich en zette het midden in de groep. 3Hij zei: ‘Luister goed naar mijn woorden: Jullie moeten veranderen en net zo worden als kinderen. Anders kun je de nieuwe wereld niet binnengaan. 4Je moet jezelf net zo onbelangrijk maken als dit kind. Dan zul je de belangrijkste zijn in Gods nieuwe wereld.

5De mensen die in mij geloven, zijn net zoals kinderen. Iedereen die hen met open armen ontvangt, die ontvangt mij. 6Maar iemand die een gelovige weghaalt bij God, krijgt een zware straf. Het zou beter voor hem zijn als hij met een zware steen om zijn nek verdronken was, diep in de zee.

7Mensen zullen proberen om gelovigen weg te halen bij God. Die dingen moeten gebeuren. Maar wat een ramp zal het zijn voor wie dat doet! En wat een ramp zal het zijn voor de wereld, als dat gebeurt!’

Hoe kom je in de nieuwe wereld?

8Jezus zei: ‘Stel dat je hand of je voet iets slechts doet. Iets dat jou weghaalt bij God. Hak je hand of je voet dan af. Beter met één hand of met één voet naar het eeuwige leven, dan met twee naar het eeuwige vuur.

9Stel dat je oog iets slechts ziet. Iets dat jou weghaalt bij God. Ruk je oog dan uit en gooi het weg. Beter met één oog naar het eeuwige leven, dan met twee naar het vuur van de hel.

10-11Pas op, behandel gelovigen niet als mensen die niets waard zijn. Want luister naar mijn woorden: De engelen die voor hen zorgen, staan in de hemel het dichtst bij God.’

Het voorbeeld van het schaap

12Jezus zei: ‘Stel dat iemand honderd schapen heeft, maar hij raakt er één kwijt. Wat zal hij dan doen? Hij laat de 99 andere schapen in de heuvels achter. En hij gaat op zoek naar dat ene schaap dat hij kwijt is. 13En als hij het vindt, dan is hij blij. Luister goed naar mijn woorden: Dat ene schaap maakt hem gelukkiger dan alle andere schapen die hij niet kwijt was.

14Zo is het ook met jullie Vader in de hemel. Hij wil niet één gelovige kwijtraken.’

Hoe je met elkaar moet omgaan

15Jezus zei: ‘Stel dat een andere gelovige iets verkeerds doet. Zeg hem dan wat hij verkeerd gedaan heeft zonder dat er anderen bij zijn. Als hij naar je luistert, dan heb je hem bij God teruggebracht.

16Maar als hij niet naar je wil luisteren, moet je naar hem toe gaan, samen met één of twee anderen. Want er zijn minstens twee mensen nodig voor een geldige verklaring. 17Als hij dan nog niet luistert, vertel het dan aan de hele groep gelovigen. Als hij ook niet naar de groep luistert, dan hoort hij er niet meer bij. Dan moet je hem behandelen als een ongelovige of een tollenaar. 18Luister goed naar mijn woorden: De besluiten die jullie op aarde nemen, zullen ook geldig zijn in de hemel.

19En luister ook goed naar deze woorden: Stel dat twee van jullie samen bidden om iets hier op aarde. Dan zal mijn hemelse Vader zorgen dat het gebeurt, wat het ook is. 20Want overal waar twee of meer gelovigen bij elkaar zijn, daar ben ik ook.’

Uitleg over vergeven

21Petrus kwam bij Jezus en zei: ‘Heer, als een andere gelovige mij slecht behandelt, dan moet ik hem vergeven. Maar hoe vaak? Wel zeven keer?’ 22Jezus zei: ‘Nee, niet zeven keer, maar zeventig maal zeven keer. 23Luister, ik zal een voorbeeld geven over Gods nieuwe wereld.

Een koning wil dat zijn dienaren al hun schulden aan hem terugbetalen. 24Eén voor één laat hij de dienaren bij zich komen. Er wordt ook een man bij de koning gebracht die hem vele miljoenen schuldig is. 25De man kan niets terugbetalen. De koning zegt: ‘Verkoop die man, samen met zijn vrouw, zijn kinderen en al zijn bezittingen. Dan krijg ik nog iets terug.’

26Maar de dienaar knielt voor de koning. Diep gebogen blijft hij liggen en zegt: ‘Heb alstublieft geduld met mij. Ik zal u later alles terugbetalen.’ 27De koning krijgt medelijden met de man. Hij zegt: ‘Ik laat je gaan. Je hoeft dat geld niet meer terug te betalen.’

28Als de man naar buiten gaat, ziet hij een andere dienaar van de koning. Die ander is hem nog een paar duizend schuldig. Hij grijpt hem bij zijn keel en zegt: ‘Nu betalen!’ 29De andere dienaar knielt voor hem en zegt: ‘Heb alsjeblieft geduld met mij. Ik zal je later terugbetalen.’ 30Maar de man zegt: ‘Geen sprake van.’ En hij laat de ander opsluiten in de gevangenis, totdat die zijn schuld terugbetaald heeft.

31Andere dienaren van de koning hebben gezien wat er gebeurd is. Ze zijn erg verdrietig. Ze vertellen alles aan de koning. 32Dan roept de koning die man weer bij zich en zegt: ‘Jij bent een slechte dienaar! Je vroeg mij om geduld met je te hebben. En ik zei dat je het geld niet terug hoefde te betalen. 33Ik had medelijden met jou. En jij had ook medelijden moeten hebben met die andere dienaar.’

34De koning is woedend. Hij laat de man meenemen door de bewakers van de gevangenis. Die zullen hem pijn laten lijden, totdat hij zijn schuld heeft terugbetaald.’

35Jezus zei: ‘Zo is het ook met mijn hemelse Vader. Hij wil dat je de andere gelovigen van harte vergeeft. Anders zal hij je straffen.’