Bijbel in Gewone Taal (BGT)
13

Jezus geeft voorbeelden

Het voorbeeld van het zaad

131Nog diezelfde dag ging Jezus naar het meer. Daar ging hij zitten. 2Er kwam een grote groep mensen om hem heen staan. Daarom stapte hij in een boot die daar lag. Hij zat in de boot, en alle mensen stonden langs de kant. 3Jezus vertelde de mensen veel, en hij gebruikte steeds voorbeelden.

Hij zei: ‘Een boer gaat naar zijn land om te zaaien. 4Hij strooit het zaad op het land, en een deel van het zaad valt op de weg. Dat wordt door de vogels opgegeten.

5-6Een ander deel van het zaad valt op harde grond vol stenen. Daar ligt maar een dun laagje aarde. Dat zaad komt wel snel op. Maar door die stenen kunnen er geen wortels in de grond groeien. Door de felle zon gaat het koren dood.

7Weer een ander deel van het zaad valt tussen het onkruid. Door het onkruid kan dat zaad niet groeien. Het krijgt geen ruimte en gaat dood.

8Maar een ander deel van het zaad valt in goede grond. Dat zaad levert goed koren op, met wel honderd of zestig of dertig graankorrels. 9Laat dat goed tot je doordringen!’

Waarom geeft Jezus voorbeelden?

10De leerlingen kwamen naar Jezus toe en vroegen: ‘Waarom geeft u steeds voorbeelden als u de mensen toespreekt?’

11Jezus zei: ‘Jullie mogen de geheimen van Gods nieuwe wereld kennen. Maar de andere mensen niet. 12Want iemand die veel heeft, krijgt nog meer, zelfs meer dan genoeg. Maar iemand die bijna niets heeft, raakt ook het laatste nog kwijt. 13Ik geef de mensen voorbeelden. Ze zien mij en ze horen mij, maar ze begrijpen mij niet.

14Zo gebeurt wat de profeet Jesaja al heeft gezegd over dit volk: «Jullie luisteren wel goed, maar jullie begrijpen het niet. Jullie kijken wel goed, maar jullie snappen het niet. 15Dat komt doordat jullie zo vreselijk eigenwijs zijn. Jullie ogen en oren zitten dicht. Jullie willen het niet zien. Jullie willen het niet horen. Anders zouden jullie begrijpen dat jullie je leven moeten veranderen. En dan zou ik jullie te hulp komen.»’

16Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Het echte geluk is voor jullie. Want jullie zien en horen de geheimen van Gods nieuwe wereld. 17Luister goed naar mijn woorden: Er zijn veel profeten geweest, en mensen die dicht bij God leefden. Zij hoopten die geheimen te horen en te zien. Maar zij kregen ze niet te zien of te horen, en jullie wel.’

Jezus legt het voorbeeld uit

18Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Luister goed naar de betekenis van het voorbeeld van de boer die zaait.

19Sommige mensen lijken op het zaad dat op de weg valt. Die mensen hebben het nieuws over Gods nieuwe wereld wel gehoord, maar ze begrijpen het niet. Dan komt de duivel en hij steelt het bij hen weg. Die mensen zijn het nieuws snel vergeten.

20Andere mensen lijken op het zaad dat valt op harde grond vol stenen. Die mensen zijn blij als ze het nieuws horen. 21Maar dat duurt niet lang. Ze houden het niet vol om te geloven. Als ze in moeilijkheden komen door hun geloof, dan geven ze het meteen weer op.

22Weer anderen lijken op het zaad dat tussen het onkruid valt. Die mensen hebben het nieuws gehoord, maar ze doen er niets mee. Want ze maken zich zorgen over de dagelijkse dingen. Ze willen rijk worden. Dat vinden ze belangrijker.

23Maar er zijn ook mensen die lijken op het zaad dat in goede grond valt. Dat zijn de mensen die het nieuws over God horen en het begrijpen. Zij leven zoals God het wil. Zij lijken op het goede zaad, dat koren oplevert met wel honderd of zestig of dertig graankorrels.’

Het voorbeeld van het onkruid

24Jezus gaf nog een voorbeeld aan de mensen. Hij zei: ‘Gods nieuwe wereld lijkt op een boer die goed zaad strooit op zijn land. 25’s Nachts, als iedereen slaapt, komt de vijand van de boer. De vijand zaait onkruid tussen het koren en gaat dan weer weg. 26Het koren komt op en groeit. Maar tegelijk komt ook het onkruid op.

27De knechten van de boer gaan naar hem toe. Ze zeggen: ‘U hebt toch goed zaad op het land gestrooid? Waar komt al dat onkruid dan vandaan?’ 28De boer zegt: ‘Dat heeft een vijand gedaan.’

De knechten vragen: ‘Wilt u dat we het onkruid weghalen?’ 29Maar de boer zegt: ‘Nee, want als je het onkruid weghaalt, dan trek je ook het koren uit de grond. 30Laat het koren en het onkruid maar allebei groeien tot de tijd van de oogst. Dan laat ik mijn mannen eerst het onkruid van het land halen. Dat moeten ze bij elkaar binden en in brand steken. Daarna kunnen ze het koren naar mijn schuur brengen.’’

Andere voorbeelden

31-32Jezus gaf nog een voorbeeld aan de mensen. Hij zei: ‘Gods nieuwe wereld lijkt op een mosterdzaadje. Dat is het kleinste zaadje dat er is. Als iemand het zaait op zijn land, dan groeit er uit dat kleine zaadje een boom. Die boom is het grootst van alle planten. En de vogels bouwen er hun nest in.’

33Jezus gaf nog een voorbeeld. Hij zei: ‘Gods nieuwe wereld lijkt op gist. Een vrouw doet een klein beetje gist bij een grote zak meel. Daardoor verandert al het meel.’

34Jezus gaf de mensen al die voorbeelden. Hij gebruikte alleen maar voorbeelden als hij tegen hen sprak. 35Dat moest zo gebeuren, want dat wordt al gezegd in de heilige boeken. Daar staat: «Ik spreek met voorbeelden. Op die manier maak ik het geheim bekend dat zo oud is als de wereld zelf.»

De betekenis van het onkruid

36Jezus stuurde de mensen weer weg en ging naar huis. De leerlingen kwamen bij hem en vroegen: ‘U gaf het voorbeeld van het onkruid op het land. Wilt u ons ook uitleggen wat het betekent?’

37Jezus zei: ‘De man die het goede zaad op het land strooit, dat is de Mensenzoon. 38Het land, dat is de wereld. Het goede zaad, dat zijn de mensen die horen bij Gods nieuwe wereld. Het onkruid, dat zijn de mensen die bij de duivel horen. 39De vijand die het onkruid zaait, dat is de duivel. De tijd van de oogst, dat is het einde van deze wereld. En de mannen op het land, dat zijn de engelen.

40Het onkruid wordt van het land gehaald en verbrand. Dat is wat er gebeurt bij het einde van deze wereld. 41Dan stuurt de Mensenzoon zijn engelen op weg. Zij halen alle slechtheid weg uit de wereld, alle mensen die steeds maar weer gedaan hebben wat God niet wil. 42Die mensen worden in een brandende oven gegooid. Daar huilen ze van ellende en spijt.

43Maar alle mensen die Gods wil gedaan hebben, zullen gelukkig zijn. Ze zullen leven in de nieuwe wereld van hun Vader. Laat dat goed tot je doordringen!’

Uitleg over de nieuwe wereld

44Jezus zei: ‘Gods nieuwe wereld lijkt op een schat die verstopt is in de grond. Op een dag vindt een man de schat. Hij is heel blij. Toch verstopt hij de schat weer in de grond. Dan verkoopt hij alles wat hij heeft. En van het geld koopt hij het stuk land waar de schat verstopt is.

45Gods nieuwe wereld lijkt ook op een koopman die op zoek is naar mooie parels. 46Op een dag ziet hij een heel bijzondere parel. Hij verkoopt alles wat hij heeft. En van het geld koopt hij die ene parel.

47Gods nieuwe wereld lijkt ook op een net dat uitgegooid wordt in een meer. In dat net worden allerlei vissen gevangen. 48Als het net vol is, trekken de vissers het naar de kant. Ze gaan zitten en halen de goede vissen eruit. Die doen ze in manden. Maar de slechte vissen gooien ze weg. 49Zo zal het gaan bij het einde van deze wereld. Dan zullen de engelen komen. Zij zullen de slechte mensen weghalen bij de mensen die gehoorzaam zijn geweest aan God. 50En zij zullen die slechte mensen in een brandende oven gooien. Daar zullen ze huilen van ellende en spijt.’

De leerlingen hebben alles begrepen

51Jezus vroeg aan de leerlingen: ‘Hebben jullie alles goed begrepen?’ ‘Ja,’ antwoordden ze. 52Toen zei Jezus: ‘Stel dat iemand de heilige boeken goed kent. En dat hij een leerling van mij wordt, en gelooft in het nieuws over Gods nieuwe wereld. Dan lijkt hij op een man met een huis vol schatten. Hij heeft veel nieuwe schatten om te laten zien, en ook veel oude.’

53Dat waren de voorbeelden die Jezus gaf. Daarna reisde hij weer verder.

Jezus bezoekt de stad van zijn familie

54Jezus ging naar de stad waar zijn familie woonde. In de synagoge gaf hij de mensen uitleg over God.

De mensen waren erg verbaasd, en zeiden tegen elkaar: ‘Hoe komt hij aan al die wijsheid? Hoe kan hij al die wonderen doen? 55Hij is toch de zoon van de timmerman? Zijn moeder is Maria. Zijn broers zijn Jakobus, Josef, Simon en Judas. 56En zijn zussen wonen bij ons in de stad. Hoe kan het dan dat hij al die dingen doet?’

57De mensen daar wilden niets met Jezus te maken hebben. Daarom zei Jezus: ‘Een profeet wordt door iedereen met respect behandeld. Behalve door de mensen in zijn eigen stad en door zijn eigen familie.’

58De mensen in die stad hadden helemaal geen geloof. Daarom deed Jezus daar maar weinig wonderen.

14

De dood van Johannes de Doper

Herodes hoort het nieuws over Jezus

141In die tijd hoorde ook koning Herodes het nieuws over Jezus. 2Hij zei tegen zijn dienaren: ‘Het is Johannes de Doper. Hij is opgestaan uit de dood. Daarom kan hij al die wonderen doen.’

3-4Dit was er namelijk gebeurd: Koning Herodes leefde samen met Herodias. Zij was de vrouw van zijn broer Filippus. En Johannes de Doper had tegen de koning gezegd: ‘U mag haar niet als vrouw hebben.’ Daarom had de koning Johannes laten grijpen en vastbinden, en hem in de gevangenis opgesloten.

5Koning Herodes wilde Johannes doden. Maar hij deed het niet, omdat hij bang was voor de mensen. Want die geloofden dat Johannes een profeet was.

Johannes wordt gedood

6Op de verjaardag van koning Herodes was er een feest. De dochter van Herodias danste voor de gasten, en de koning genoot daarvan. 7Hij zei tegen haar: ‘Je mag een cadeau kiezen. Ik geef je wat je maar wilt. Dat beloof ik plechtig.’ 8Het meisje zei: ‘Ik wil het hoofd van Johannes de Doper op een bord.’ Dat moest ze zeggen van haar moeder.

9Koning Herodes vond het erg dat ze dat vroeg. Maar hij had het beloofd, en alle gasten hadden het gehoord. Daarom kreeg het meisje wat ze wilde. 10De koning stuurde een soldaat naar de gevangenis. De soldaat sloeg het hoofd van Johannes eraf. 11Hij bracht het hoofd binnen op een bord en gaf het aan het meisje. En het meisje bracht het hoofd naar haar moeder.

12De leerlingen van Johannes kwamen zijn lichaam halen. Ze legden het in een graf. Daarna gingen ze naar Jezus, en ze vertelden wat er gebeurd was.

Er komen veel mensen bij Jezus

De mensen gaan Jezus achterna

13Toen Jezus hoorde wat er gebeurd was, vertrok hij. Hij ging met de boot naar een stille plek om alleen te zijn. Maar de mensen hoorden waar hij heen ging. Ze kwamen uit hun steden en liepen over het land mee met de boot.

14Toen Jezus uit de boot stapte, zag hij al die mensen staan. Hij kreeg medelijden met hen, en hij maakte alle zieken beter.

Jezus geeft veel mensen te eten

15Toen het avond werd, zeiden de leerlingen tegen Jezus: ‘U moet al die mensen wegsturen. Want het is al laat, en hier is geen eten te krijgen. Ze kunnen beter eten gaan kopen in de dorpen in de buurt.’

16Maar Jezus zei tegen hen: ‘De mensen hoeven niet weg te gaan. Jullie kunnen wel voor eten zorgen.’ 17De leerlingen zeiden: ‘Maar we hebben hier alleen maar vijf broden en twee vissen!’ 18Jezus zei: ‘Breng die bij mij.’

19Jezus zei tegen de mensen dat ze in het gras moesten gaan zitten. Toen pakte hij het brood en de vis. Hij keek omhoog naar de hemel en dankte God voor het voedsel. Daarna brak hij het brood in stukken. Hij gaf het aan de leerlingen, en zij deelden het uit aan de mensen.

20Alle mensen konden eten zo veel als ze wilden. De leerlingen haalden het eten op dat overgebleven was. Het waren twaalf manden vol. 21Er hadden ongeveer vijfduizend mannen gegeten van het brood en de vis. En ook nog veel vrouwen en kinderen.

Jezus loopt over het water

22Jezus zei tegen de leerlingen dat ze naar de boot moesten gaan. Ze moesten alvast naar de overkant varen. Jezus zou later komen, hij wilde eerst de mensen naar huis sturen. 23Toen iedereen weg was, ging hij een berg op om te bidden. Hij was daar alleen.

Het werd nacht. 24De leerlingen waren al een heel stuk het meer op gevaren. Ze hadden tegenwind. De golven sloegen hard tegen de boot.

25Aan het einde van de nacht liep Jezus over het water naar de boot. 26Toen de leerlingen hem over het water zagen lopen, schrokken ze vreselijk. Ze schreeuwden het uit van angst en riepen: ‘Een geest!’

27Maar Jezus zei: ‘Rustig maar, ik ben het. Jullie hoeven niet bang te zijn.’ 28Toen zei Petrus: ‘Heer, als u het echt bent, zeg dan dat ik over het water naar u toe moet komen.’ 29Jezus zei tegen hem: ‘Kom naar mij toe.’

Petrus stapte uit de boot. Hij liep over het water naar Jezus toe. 30Maar toen hij merkte hoe hard het waaide, werd hij bang. Hij zakte weg in het water en schreeuwde: ‘Heer, red mij!’ 31Meteen stak Jezus zijn hand uit en greep Petrus vast. Hij zei: ‘Waarom twijfel je? Is je geloof dan zo klein?’

32Toen ze in de boot stapten, stopte het met waaien. 33De leerlingen in de boot knielden voor Jezus. Ze zeiden: ‘U bent echt de Zoon van God!’

Jezus bezoekt Gennesaret

34Jezus en de leerlingen kwamen aan de overkant van het meer. Ze gingen aan land bij Gennesaret. 35De mensen daar herkenden Jezus. Het werd in die hele omgeving bekend dat Jezus er was. En alle zieke mensen werden bij hem gebracht. 36De mensen vroegen aan Jezus: ‘Mogen deze mensen alstublieft de rand van uw jas aanraken?’ Want alle zieken die Jezus aanraakten, werden beter.

15

Rein en onrein

Kritiek op farizeeën en wetsleraren

151Toen kwamen er uit Jeruzalem farizeeën en wetsleraren naar Jezus toe. Ze zeiden: 2‘Uw leerlingen wassen hun handen niet voordat ze gaan eten. Waarom houden zij zich niet aan de regels van onze voorouders?’

3Jezus zei tegen hen: ‘Waarom houden jullie je niet aan de regels van God? Waarom kiezen jullie voor je eigen regels? 4Want God heeft gezegd: «Je moet respect hebben voor je vader en je moeder.» En ook: «Als iemand zijn vader of zijn moeder vervloekt, dan moet hij gedood worden.» 5Maar jullie hebben een andere regel bedacht. Iemand mag volgens jullie tegen zijn ouders zeggen: ‘Ik heb mijn hele bezit aan God beloofd, ik kan jullie er niets van geven.’ 6Volgens jullie hoef je dus helemaal geen respect te hebben voor je ouders. Zo maken jullie je eigen regels belangrijker dan de wet van God.

7Wat zijn jullie schijnheilig! In het boek Jesaja staan woorden van God die precies over jullie gaan: 8«Deze mensen eren mij met mooie woorden, maar in hun hart willen ze niets van mij weten. 9Wat heb ik aan hun eerbied? Ze vertellen niet wat ik wil, maar ze maken hun eigen regels.»’

Het verschil tussen rein en onrein

10Jezus riep de mensen bij zich. Hij zei: ‘Luister goed naar mij en probeer mijn woorden te begrijpen. 11Een mens wordt niet onrein van dingen die door zijn mond naar binnen gaan. Nee, een mens wordt juist onrein van de dingen die uit zijn mond naar buiten komen.’

12Toen kwamen de leerlingen bij Jezus. Ze zeiden: ‘De farizeeën hebben gehoord wat u zei. Ze zijn erg kwaad.’ 13Maar Jezus zei: ‘Ze lijken op planten die niet door mijn hemelse Vader zijn geplant. Die worden uit de grond getrokken. 14Laat de farizeeën hun gang maar gaan. Ze denken dat ze blinde mensen de weg kunnen wijzen. Maar ze zijn zelf blind. Wat gebeurt er als de ene blinde de andere blinde de weg wijst? Dan vallen ze samen in een kuil.’

15Petrus zei tegen Jezus: ‘U sprak over de dingen waar een mens onrein van wordt. Wat bedoelde u precies?’

16Jezus antwoordde: ‘Jullie zouden dat nu eindelijk eens moeten begrijpen! 17Alles wat je eet, gaat door je mond naar binnen. Dat is bekend. Het komt in je maag terecht. En ten slotte verdwijnt het in het riool. 18-19Maar juist de dingen die uit je mond naar buiten komen, maken je onrein. Want dat zijn de slechte dingen die uit je hart komen: slechte gedachten, verboden seks, en moord. En ook vreemdgaan, stelen, en anderen beledigen of vals beschuldigen. 20Dat zijn de dingen waar een mens onrein van wordt. Maar van eten zonder je handen te wassen, word je niet onrein.’

Jezus doet wonderen

Jezus maakt een meisje beter

21Jezus reisde weer verder. Hij ging naar het gebied van Tyrus en Sidon. 22Een vrouw uit dat gebied kwam naar Jezus toe. Ze was niet Joods. Ze riep tegen Jezus: ‘Heer, Zoon van David! Heb medelijden met mij! Mijn dochter heeft een kwade geest in zich, het gaat heel slecht met haar.’

23Maar Jezus reageerde niet. De leerlingen zeiden tegen Jezus: ‘Stuur die vrouw alstublieft weg. Ze loopt maar achter ons aan te schreeuwen.’ 24Jezus zei: ‘God heeft mij de opdracht gegeven om alleen naar de mensen van Israël te gaan. Want zij zijn net verdwaalde schapen.’

25Maar de vrouw kwam dichterbij en knielde voor Jezus. Ze zei: ‘Heer, help mij toch!’ 26Jezus antwoordde: ‘Je moet het brood voor de kinderen niet aan de honden voeren.’ 27De vrouw zei: ‘Inderdaad, Heer. Maar er vallen ook stukjes brood onder de tafel. En dat mogen de honden opeten.’

28Jezus zei tegen haar: ‘Je hebt een groot geloof. Wat je gevraagd hebt, zal gebeuren.’ En vanaf dat moment was de dochter van de vrouw beter.

Jezus maakt veel zieken beter

29Jezus ging weer verder, naar het Meer van Galilea. Daar ging hij zitten op de berg. 30Grote groepen mensen kwamen naar hem toe. Ze brachten veel zieken mee: mensen die niet konden lopen, mensen met vergroeide benen, blinden en doven. Al die mensen werden bij Jezus gebracht en hij maakte iedereen beter. 31Mensen die niet konden lopen, liepen nu rond. Mensen met vergroeide benen waren genezen. Blinde mensen konden nu zien. En dove mensen konden nu horen en spreken.

Iedereen die zag wat er gebeurde, was verbaasd. En iedereen dankte de God van Israël.

Jezus geeft veel mensen te eten

32Jezus riep zijn leerlingen bij zich. Hij zei: ‘Ik maak me zorgen over de mensen. Ze zijn nu al drie dagen hier zonder eten. Ik wil ze niet met honger wegsturen. Anders houden ze de reis naar huis misschien niet vol.’

33De leerlingen antwoordden: ‘Hoe komen we aan genoeg eten voor al die mensen? Hier is niets te krijgen.’ 34Jezus vroeg: ‘Hoeveel eten hebben we bij ons?’ De leerlingen antwoordden: ‘We hebben zeven broden en een paar vissen.’

35Toen zei Jezus tegen de mensen dat ze op de grond moesten gaan zitten. 36Hij nam het brood en de vis, en dankte God voor het voedsel. Daarna brak hij het brood en de vis in stukken. Hij gaf het aan de leerlingen, en zij gaven het aan de mensen.

37Alle mensen konden eten zo veel als ze wilden. Daarna haalden de leerlingen het eten op dat over was. Het waren zeven manden vol. 38Er hadden vierduizend mannen gegeten van het brood en de vis, en ook nog veel vrouwen en kinderen.

39Na het eten stuurde Jezus de mensen naar huis. Hij stapte in de boot en ging naar de omgeving van Magadan.