Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

11Maleachi was een profeet. Hij moest een boodschap van de Heer doorgeven aan Israël. Hier volgen de woorden van Maleachi.

De liefde van de Heer

2-3De Heer zegt: ‘Ik houd van jullie, Israëlieten! Jullie zeggen dat daar niets van te zien is, maar toch houd ik van jullie. Want jullie stammen af van Jakob. En ik hield van Jakob! Maar ik hield niet van zijn broer Esau. En daarom houd ik ook niet van de Edomieten, want zij stammen af van Esau.

Kijk maar eens hoe slecht het met de Edomieten gaat. In de bergen van Edom woont niemand meer. Het land is één grote woestijn, er leven alleen nog maar wilde honden. Daar heb ik voor gezorgd!

4Het volk van Edom zegt: ‘Ons land is wel vernietigd, maar we bouwen alles weer op.’ Maar ik ben de machtige Heer! Alles wat de Edomieten opbouwen, breek ik weer af. Edom zal Land van het Kwaad genoemd worden. En de mensen zullen zeggen: ‘De Heer blijft voor altijd boos op dat volk.’

5Dat zullen jullie zien gebeuren. En dan zullen jullie zeggen: ‘De Heer is machtig. Dat laat hij aan Israël zien!’’

De ontrouw van de priesters

De priesters hebben geen eerbied voor de Heer

6De machtige Heer zegt: ‘Luister naar mij, priesters! Kinderen eren hun vader, en dienaren eren hun heer. Ik ben jullie vader, maar jullie hebben geen eerbied voor mij. Ik ben jullie heer, maar jullie hebben geen respect voor mij.

Jullie beledigen mij, en toch zeggen jullie: ‘Doen we iets verkeerd?’ 7Hoe durven jullie dat te vragen! Jullie brengen slecht vlees naar mijn altaar. Zo laten jullie zien dat mijn altaar voor jullie niet belangrijk is.

8Jullie brengen mij een blind dier als offer, of een dier dat ziek is of niet goed kan lopen. En jullie denken dat dat niet erg is. Probeer dan maar eens om zo’n dier aan de bestuurder van het land te geven. Die zal daar zeker niet tevreden mee zijn!

9Denken jullie echt dat ik wel tevreden ben? Denken jullie dat ik toch wel goed zal zijn voor jullie? En dat ik vriendelijk zal blijven als jullie zulke dingen doen?’

De Heer wil de offers van de priesters niet

10De machtige Heer zegt: ‘Het zou beter zijn als de poort van de tempel op slot ging. Het zou beter zijn als jullie geen offers meer konden brengen op het altaar, want dat is zinloos! Ik wil jullie niet meer zien, ik wil geen offers meer van jullie.

11In de hele wereld word ik geëerd. Overal worden er offers aan mij gebracht volgens de regels. Alle volken eren mij, 12maar jullie beledigen mij. Jullie vinden dat mijn altaar onrein mag worden, en jullie brengen er slecht vlees naartoe.’

13De machtige Heer zegt: ‘Jullie hebben geen respect voor mijn altaar. Jullie willen geen moeite voor mij doen. Jullie brengen mij gestolen dieren, en dieren die ziek zijn of niet goed kunnen lopen. Zulke dieren willen jullie aan mij offeren. Maar ik wil jullie offers niet!

14Sommige mensen beloven mij eerst een gezond dier als offer. Maar dan komen ze naar de tempel met een dier dat een gebrek heeft. Die mensen bedriegen me. Ze zullen gestraft worden! Want ik ben een machtige koning, en alle volken hebben eerbied voor mij.’ Dat zegt de machtige Heer.

2

De Heer zal de priesters straffen

21De machtige Heer zegt: ‘Luister naar mij, priesters. Mijn besluit staat vast. 2-3Als jullie niet naar mij luisteren en geen eerbied voor mij hebben, dan zal ik jullie straffen. Ik zal jullie straffen en ongelukkig maken. En ik zal ook jullie kinderen straffen. Ja, ik zal jullie zeker straffen, want jullie willen toch niet luisteren! Ik zal het afval van jullie offers in je gezicht gooien, en jullie wegjagen uit mijn tempel.’

4De machtige Heer zegt: ‘Priesters, jullie moeten begrijpen waarom ik jullie straf. Ik heb een belofte gedaan aan jullie voorvader Levi, een belofte voor altijd. 5Ik heb hem een gelukkig leven beloofd, en dat heb ik hem gegeven. Hij moest eerbied voor mij hebben, en dat had hij.

6Levi’s woorden waren wijs en waar. Hij was een man zonder leugens of bedrog. Hij was eerlijk en goed, hij leefde in vrede met mij. Veel mensen gingen goed leven door wat ze van hem leerden. 7Ook van een goede priester kun je veel leren. Ook bij hem kun je wijsheid vinden. Want hij spreekt namens mij, de machtige Heer.

8Jullie zijn geen goede priesters, en jullie leven niet zoals je voorvader Levi. Jullie leven niet zoals ik het wil. Door jullie woorden hebben veel mensen slechte dingen gedaan. 9Jullie houden je niet aan mijn regels, jullie behandelen de mensen niet gelijk. Daarom zal ik zorgen dat niemand meer respect voor jullie heeft.’ Dat zegt de machtige Heer.

De ontrouw van het volk

Het volk is ontrouw aan de Heer

10We hebben allemaal dezelfde vader, want we zijn allemaal gemaakt door dezelfde God. Maar toch zijn we niet trouw aan elkaar en niet trouw aan God. Want we houden ons niet aan de regels die hij aan onze voorouders gegeven heeft.

11De mensen hier in Juda zijn niet trouw aan God. Er zijn verschrikkelijke dingen gebeurd in Jeruzalem en in heel Israël! Er zijn mannen getrouwd met vrouwen die andere goden vereren. Daarmee beledigen ze de heilige tempel, waar de Heer zo veel van houdt.

12Ik hoop dat de Heer alle mannen straft die zoiets doen! Zij en hun kinderen moeten verdwijnen, ze mogen niet meer bij Israël horen. Ze mogen nooit meer offers brengen aan de machtige Heer.

De mannen zijn ontrouw aan hun vrouw

13Israëlieten, jullie huilen en klagen, het altaar van de Heer is nat van jullie tranen. Want de Heer kijkt niet naar jullie offers, hij neemt ze niet aan.

14Jullie vragen: ‘Waarom neemt de Heer onze offers niet aan?’ Dat is omdat jullie je vrouw ontrouw zijn! Je bent met haar getrouwd toen je jong was. De Heer was daar getuige van. Je vrouw deelde haar leven met jou, aan haar had je trouw beloofd. Maar je bent haar ontrouw geworden.

15Als je ook maar een beetje verstand hebt, doe je zoiets niet. Je wilt toch alleen kinderen die door God gewild zijn? Dat zijn de kinderen van je eigen vrouw. Doe dus geen domme dingen, blijf trouw aan de vrouw van je jeugd.

16Want de machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Ik haat het als een man zijn vrouw niet meer wil en haar wegstuurt. Dat is slecht, het is een misdaad. Doe geen domme dingen en blijf trouw aan je vrouw.’

De Heer zal rechtspreken

De Heer stuurt een boodschapper

17Israëlieten, jullie maken de Heer moe met jullie gepraat. En jullie vragen: ‘Hoezo maken we hem moe?’ Hij wordt moe omdat jullie zeggen: ‘Het kan de Heer niets schelen als mensen slechte dingen doen. Het doet hem zelfs plezier! Is God er wel? Is hij wel rechtvaardig?’