Bijbel in Gewone Taal (BGT)
19

Zacheüs wordt gered

191Toen ging Jezus de stad Jericho binnen. 2Daar woonde een man die Zacheüs heette. Zacheüs was het hoofd van de tollenaars, en hij was erg rijk. 3Hij wilde wel eens zien wie Jezus was. Maar dat lukte niet, want Zacheüs was klein, en er stonden veel mensen om Jezus heen. 4Daarom rende Zacheüs een stuk vooruit. En hij klom in een boom waar Jezus voorbij zou komen. Op die manier kon hij Jezus toch zien.

5Toen Jezus langs de boom liep, keek hij omhoog en zei: ‘Zacheüs, kom snel naar beneden! Want ik kom bij jou logeren.’ 6Zacheüs kwam meteen naar beneden. Hij was blij dat Jezus met hem mee naar huis ging. 7Maar de mensen klaagden. Ze zeiden: ‘Kijk nou, Jezus logeert bij een dief!’

8Toen zei Zacheüs tegen de Heer: ‘Ik beloof dat ik de helft van mijn bezit aan de armen zal geven. En als ik geld van iemand afgepakt heb, dan geef ik hem vier keer zo veel terug.’ 9Toen zei Jezus: ‘Zacheüs, je hoort weer bij het volk van Abraham. Jij en jouw gezin zijn vandaag gered. 10Want ik, de Mensenzoon, ben gekomen om mensen te redden die verkeerde dingen doen.’

Het voorbeeld van de tien dienaren

11De leerlingen hadden gehoord wat Jezus zei. Ze dachten: We zijn nu dicht bij Jeruzalem. Zodra we daar zijn, begint Gods nieuwe wereld.

Maar omdat de leerlingen dat dachten, gaf Jezus hun een voorbeeld. 12-13Hij zei: ‘Een belangrijke man gaat een verre reis maken. Hij roept tien van zijn dienaren bij zich. Hij geeft ze alle tien geld en zegt: ‘Gebruik dit geld om nog meer geld te verdienen, totdat ik weer terugkom.’

Daarna gaat de man op reis naar een ver land. Daar wordt hij koning gemaakt van zijn eigen volk. 14Maar de mensen van zijn volk willen dat niet. Ze haten hem. Daarom sturen ze boodschappers naar het verre land met het bericht: ‘Wij willen die man niet als koning.’ 15Maar de man wordt toch koning, en hij gaat terug naar zijn land.

Twee dienaren hebben het goed gedaan

Als de man weer thuiskomt, roept hij zijn dienaren bij zich. Hij wil weten hoeveel ze verdiend hebben met zijn geld. 16De eerste dienaar komt en zegt: ‘Heer, ik heb met uw geld tien keer zo veel verdiend.’ 17‘Uitstekend,’ zegt zijn heer, ‘jij bent een goede dienaar. Je hebt trouw gezorgd voor iets kleins. Daarom geef ik jou de leiding over tien steden.’

18De tweede dienaar komt en zegt: ‘Heer, ik heb met uw geld vijf keer zo veel verdiend.’ 19En de heer zegt: ‘Ik geef jou de leiding over vijf steden.’

Eén dienaar heeft het slecht gedaan

20Maar dan komt de derde dienaar en die zegt: ‘Heer, hier is uw geld terug. Ik heb het voor u bewaard in een doek. 21Want u bent een strenge meester en ik ben bang voor u. Voor u is het nooit genoeg, u wilt altijd meer.’

22De heer zegt: ‘Jij bent een slechte dienaar. Je weet dat ik een strenge meester ben. Dat heb je net zelf gezegd. Je weet dat het voor mij nooit genoeg is en dat ik altijd meer wil. 23Waarom heb je mijn geld dan niet naar de bank gebracht? Dan had ik het nu met rente terug kunnen krijgen.’

24Daarna zegt de heer tegen de mensen om zich heen: ‘Pak het geld van deze dienaar af! En geef het aan de dienaar die tien keer zo veel verdiend heeft.’ 25De mensen antwoorden: ‘Maar heer, die dienaar heeft al het meeste geld!’

26Dan zegt de heer: ‘Luister naar mijn woorden: Iedereen die veel heeft, krijgt nog meer. Maar iedereen die bijna niets heeft, raakt ook het laatste nog kwijt. 27En breng nu de mensen hier die niet wilden dat ik koning werd. Dat zijn mijn vijanden. Breng hen hier en dood hen.’’

28Toen Jezus dat voorbeeld gegeven had, reisde hij verder naar Jeruzalem.

Twee leerlingen gaan een ezel halen

29Jezus en de leerlingen kwamen in de buurt van de dorpen Betfage en Betanië, bij de Olijfberg. Daar stuurde Jezus twee leerlingen vooruit. 30Hij zei tegen hen: ‘Ga naar dat dorp daar. Jullie zullen daar een jonge ezel zien, die vastgebonden staat. Er heeft nog nooit iemand op gereden. Maak hem los en breng hem hier. 31Misschien vraagt iemand: ‘Wat doen jullie daar?’ Dan moet je zeggen: ‘De Heer heeft deze ezel nodig.’’

32De twee leerlingen gingen naar het dorp. Daar gebeurde alles precies zoals Jezus gezegd had. 33Toen de leerlingen de ezel losmaakten, vroegen de eigenaars: ‘Wat doen jullie daar?’ 34De leerlingen zeiden: ‘De Heer heeft deze ezel nodig.’

Jezus rijdt op de ezel naar Jeruzalem

35De leerlingen brachten de ezel bij Jezus. Ze legden hun jassen op de rug van de ezel, en lieten Jezus erop zitten. 36Andere leerlingen legden hun jas op de weg. 37Zo ging Jezus naar Jeruzalem. Toen hij van de Olijfberg begon af te dalen, werden al zijn leerlingen blij. Ze dankten God voor alle wonderen die ze gezien hadden. Ze juichten en riepen: 38‘Leve de koning, de man die door God gestuurd is! Vrede in de hemel en alle eer aan God!’

39Tussen de mensen stonden ook een paar farizeeën. Zij zeiden tegen Jezus: ‘Meester, zeg tegen uw leerlingen dat ze stil moeten zijn!’ 40Maar Jezus antwoordde: ‘Luister naar mijn woorden: Als mijn leerlingen stil zouden zijn, dan zouden de stenen gaan juichen en roepen!’

Jezus huilt om Jeruzalem

41Jezus was nu dicht bij Jeruzalem. Toen hij de stad zag, begon hij te huilen. 42Hij zei: ‘Jeruzalem, je inwoners hebben niet geluisterd! Vandaag is de vrede heel dichtbij voor hen, maar dat zien ze niet. 43Daarom zullen hun vijanden komen. Die zullen jou aanvallen, Jeruzalem. Ze komen van alle kanten, ze zullen je omsingelen. 44Ze zullen je vernietigen. Ze zullen al je inwoners doden en alle huizen verwoesten.

Jeruzalem, ik ben gekomen om vrede te brengen. Maar jouw inwoners hebben dat niet begrepen. Daarom zullen al die dingen gebeuren.’

Jezus geeft uitleg in de tempel

Jezus jaagt handelaars weg uit de tempel

45Daarna ging Jezus de tempel binnen en begon de handelaars weg te jagen. 46Hij zei tegen hen: ‘In de heilige boeken staat: «Gods huis is een plaats om te bidden.» Maar jullie hebben het veranderd in een huis van dieven!’

47Jezus was elke dag in de tempel om uitleg te geven over God. De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk wilden hem doden. 48Maar ze wisten niet hoe. Want er waren steeds heel veel mensen bij Jezus, omdat ze graag naar hem luisterden.

20

Vragen zonder antwoord

201Jezus was elke dag in de tempel. Hij gaf uitleg aan het volk en hij vertelde hun het goede nieuws. Op een dag kwamen de priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk naar hem toe. 2Ze zeiden: ‘U doet alsof u alles mag! Maar wie heeft u dat recht gegeven?’

3Jezus antwoordde: ‘Ik heb eerst een vraag voor jullie. 4Johannes de Doper doopte mensen. Deed hij dat uit zichzelf of in opdracht van God?’

5De priesters, de wetsleraren en de leiders van het volk overlegden met elkaar. Ze zeiden: ‘Stel dat we zeggen: ‘Johannes doopte in opdracht van God.’ Dan zegt Jezus natuurlijk: ‘Waarom geloofden jullie hem dan niet?’ 6Maar stel dat we zeggen: ‘Johannes doopte uit zichzelf.’ Dan zal het volk proberen om ons te doden. Want het hele volk gelooft dat Johannes een profeet van God is.’ 7Daarom antwoordden ze: ‘We weten het niet.’ 8Toen zei Jezus: ‘Dan zeg ik ook niet wie mij het recht gegeven heeft om deze dingen te doen.’

Het voorbeeld van de wijngaard

9Daarna gaf Jezus het volk een voorbeeld. Hij zei: ‘Een man heeft een wijngaard. Hij verhuurt die wijngaard aan boeren en gaat zelf voor lange tijd op reis. 10In de tijd van de oogst stuurt de man een knecht naar de wijngaard. Die moet bij de boeren een deel van de opbrengst ophalen. Maar de boeren slaan de knecht, en sturen hem weg met lege handen. 11Dan stuurt de man een andere knecht naar de wijngaard. Maar de boeren slaan ook die knecht en ze beledigen hem. Ze sturen ook hem weg met lege handen. 12Daarna stuurt de man een derde knecht. Ook die wordt hard geslagen en de wijngaard uit gejaagd.

13Ten slotte vraagt de eigenaar zich af wat hij nu moet doen. Hij denkt: Ik stuur mijn zoon, van wie ik heel veel houd. Voor hem zullen de boeren waarschijnlijk wel respect hebben.

14Maar als de boeren de zoon zien, zeggen ze tegen elkaar: ‘Kijk, daar komt de zoon. Hij zal al het bezit van zijn vader krijgen. Kom, we slaan hem dood! Dan is de wijngaard van ons.’ 15De boeren slepen de zoon de wijngaard uit en slaan hem dood.’

Het voorbeeld gaat over de leiders

Daarna zei Jezus: ‘Wat zal de eigenaar van de wijngaard nu doen? 16Hij zal zelf komen. Hij zal de boeren doden, en de wijngaard aan anderen geven.’ Toen zeiden de mensen: ‘Dat mag nooit gebeuren!’ 17Maar Jezus keek hen aan en zei: ‘Wat betekent dan deze tekst uit de heilige boeken: «De bouwers gooiden één van de stenen weg. Maar dat werd juist de belangrijkste steen van het gebouw»? 18Als je over die steen struikelt, zul je sterven. En als die steen op jou valt, blijft er niets van je over.’

19De priesters en de wetsleraren begrepen dat het voorbeeld van de boeren over hen ging. Het liefst wilden ze Jezus meteen gevangennemen. Maar ze durfden het niet, omdat ze bang waren voor het volk.

Een vraag met een slechte bedoeling

20De priesters en de wetsleraren letten goed op Jezus. Ze stuurden spionnen naar hem toe. Die moesten doen alsof ze iets van Jezus wilden leren. De priesters en de wetsleraren hoopten dat Jezus iets strafbaars zou zeggen. Dan konden ze hem oppakken en naar de Romeinse machthebbers brengen.

21Toen de spionnen bij Jezus kwamen, zeiden ze: ‘Meester, u spreekt altijd de waarheid. U zegt geen andere dingen om mensen een plezier te doen. En u vertelt altijd precies wat God van ons wil. 22Zeg eens, mogen wij belasting betalen aan de keizer of niet?’

23Maar Jezus wist dat ze met die vraag een slechte bedoeling hadden. Dus zei hij: 24‘Laat mij eens een geldstuk zien. Wie staat er op deze munt?’ De spionnen antwoordden: ‘De keizer.’ 25Toen zei Jezus: ‘Geef aan de keizer wat voor de keizer is. En geef aan God wat voor God is.’

26Iedereen hoorde dat Jezus niets verkeerds zei. En dus konden zijn tegenstanders hem niet oppakken. Ze waren zo verbaasd over zijn wijze antwoord, dat ze niets meer wisten te zeggen.

De sadduceeën stellen een vraag

27Toen kwamen er sadduceeën naar Jezus toe. Sadduceeën geloven niet dat de mensen zullen opstaan uit de dood. 28Ze zeiden tegen Jezus: ‘Meester, in de wet van Mozes staat deze regel: «Het kan gebeuren dat een man sterft zonder kinderen. Dan moet zijn broer trouwen met de weduwe. De broer moet zorgen dat zij een kind krijgt. Dat kind geldt dan als het kind van de gestorven man.»

29Maar stel: Er zijn zeven broers. De oudste trouwt. Maar hij sterft zonder kinderen, en zijn vrouw blijft alleen achter. 30Dan trouwt de tweede broer met de vrouw. Maar ook hij sterft zonder kinderen. 31Met de derde broer gaat het net zo. En met de anderen ook. Alle zeven broers sterven zonder kinderen. 32Als laatste sterft de vrouw. 33Nu is onze vraag: Wat gebeurt er als de mensen zullen opstaan uit de dood? Met wie zal die vrouw dan getrouwd zijn? Want alle zeven broers zijn met haar getrouwd geweest!’

Jezus geeft antwoord op de vraag

34Jezus antwoordde de sadduceeën: ‘De mensen van deze wereld trouwen met elkaar. 35Maar de mensen die opstaan uit de dood, die leven niet meer als getrouwde mensen. Zij mogen leven in Gods nieuwe wereld. 36Dan zijn ze net als engelen en kunnen ze niet meer sterven. Ze zijn kinderen van God, omdat ze zijn opgestaan uit de dood.

37Jullie geloven niet dat de mensen zullen opstaan uit de dood. Maar denk eens aan het verhaal van Mozes en de brandende doornstruik. Daar noemt God zich de God van Abraham, Isaak en Jakob. 38God is geen God van dode mensen, maar van levende mensen. Want hij geeft het leven aan alle mensen.’

39-40Toen durfde niemand meer een vraag aan Jezus te stellen. En sommige van de wetsleraren zeiden: ‘Meester, dat hebt u goed gezegd.’

Jezus vertelt over de messias

41Jezus zei: ‘De mensen zeggen dat de messias een zoon van David is. 42Maar luister eens wat David zelf gezegd heeft over de messias: «God zei tegen mijn Heer: Kom naast mij zitten, aan de rechterkant. 43Ik zal je vijanden diep voor jou laten buigen.»

Dat is wat David in het boek Psalmen gezegd heeft. 44David zelf noemde de messias dus zijn Heer. Hoe kan de messias dan tegelijk Davids zoon zijn?’

Jezus waarschuwt voor de wetsleraren

45Terwijl het hele volk het kon horen, zei Jezus tegen zijn leerlingen: 46‘Pas op voor de wetsleraren! Zij lopen graag rond in deftige kleren. Ze willen beleefd gegroet worden op straat. Ze willen de beste plaatsen hebben in de synagoge. En ze willen de mooiste plaatsen krijgen bij een feestelijke maaltijd. 47Ze doen alsof ze uren aan het bidden zijn. Maar intussen pakken ze het bezit van weduwen af. God zal de wetsleraren extra streng straffen.’

21

Het einde van deze wereld

Een arme weduwe geeft geld

211In de tempel keek Jezus naar de rijke mensen die geld in de geldkist deden. 2Hij zag ook een arme weduwe. Zij deed twee muntjes in de geldkist. Die waren bijna niets waard.

3Toen zei Jezus: ‘Luister goed naar mijn woorden: Die arme vrouw heeft het meest gegeven van allemaal. 4Want de anderen gaven een deel van het geld dat ze overhadden. Maar die vrouw gaf geld dat ze niet kon missen. Al het geld dat ze had, geld waar ze van moest leven.’

De tempel zal worden afgebroken

5Een paar mensen stonden te praten over de tempel. Ze zeiden: ‘Wat een prachtig gebouw. En wat is het mooi versierd met prachtige stenen en geschenken voor God.’

Toen zei Jezus: 6‘Bekijk de tempel maar goed. Want hij zal helemaal worden afgebroken, steen voor steen.’ 7De leerlingen vroegen: ‘Meester, wanneer gaat dat allemaal gebeuren? Aan welk teken zullen we zien dat het zover is?’

Er zullen vreselijke dingen gebeuren

8Jezus zei: ‘Pas op! Laat je niet bedriegen. Want er zullen veel mensen komen die mijn naam gebruiken. Ze zullen zeggen dat ze de messias zijn en dat het einde gekomen is. Maar jullie moeten die mensen niet geloven.

9Als jullie horen dat er oorlog is of een opstand, moet je niet bang zijn. Want dat moet allemaal gebeuren, maar het is nog niet het einde. 10Eerst zullen alle volken en landen oorlog tegen elkaar voeren. 11Overal zullen rampen gebeuren. Er zullen grote aardbevingen komen, en ziektes en hongersnood. En aan de hemel zullen verschrikkelijke dingen te zien zijn.

De leerlingen krijgen het moeilijk

12Maar voordat al die dingen gebeuren, zullen jullie het moeilijk krijgen. De mensen zullen jullie oppakken en naar de synagoge of naar de gevangenis brengen. En jullie moeten bij bestuurders en koningen komen. Dat zal allemaal gebeuren omdat jullie bij mij horen.

13Maar dat geeft jullie de kans om het goede nieuws te vertellen. 14Ga niet van tevoren bedenken wat je dan moet zeggen! Doe dat niet! 15Want ik zal jullie wijze woorden geven, waarmee je al je tegenstanders kunt overtuigen. Ze zullen niets meer weten te zeggen.

16-17Iedereen zal jullie behandelen als vijanden, omdat je bij mij hoort. Zelfs je ouders kun je niet meer vertrouwen. En andere familieleden of vrienden ook niet. Sommigen van jullie worden door hen aangegeven om gedood te worden. 18Maar je hoeft niet bang te zijn. 19Want als je volhoudt tot het einde, zul je gered worden.

Er zal iets verschrikkelijks gebeuren

20Op een dag zullen jullie soldaten van de vijand zien rondom Jeruzalem. Dan weet je dat de stad binnenkort verwoest wordt. 21Dan moet iedereen in Judea de bergen in vluchten. De mensen in Jeruzalem moeten weggaan uit de stad. En de mensen die buiten de stad wonen, moeten vooral niet naar de stad toe gaan. 22Want in die tijd komt God de mensen straffen. Alles wat in de heilige boeken staat, zal dan gebeuren.

23Het zal een ramp zijn voor vrouwen die zwanger zijn of een baby hebben. Want er zal grote ellende komen over het land. De mensen die er wonen, zullen zwaar gestraft worden. 24Ze zullen door soldaten gedood worden, of als gevangenen naar andere landen gebracht worden. De ongelovigen zullen Jeruzalem binnengaan en de stad verwoesten. Maar uiteindelijk zal God een eind maken aan hun macht.

Jezus vertelt dat hij terug zal komen

25-26Er zullen vreemde dingen gebeuren met de zon, de maan en de sterren. Alle planeten zullen heen en weer schudden. Overal op aarde zullen mensen in paniek raken door de zee, die buldert met zijn hoge golven. Mensen zullen sterven van angst. Zo bang zijn ze voor wat er met de wereld gaat gebeuren.

27Dan komt de Mensenzoon. Iedereen zal hem zien komen op de wolken. Hij komt als een machtige en schitterende koning.

28Wees vol goede moed en vertrouwen als die dingen gebeuren. Want dan is het moment van jullie bevrijding dichtbij.’

Het voorbeeld van de vijgenboom

29Jezus gaf een voorbeeld. Hij zei: ‘Kijk eens naar een vijgenboom of naar een andere boom. 30Als je ziet dat er bladeren aan de takken komen, dan weet je dat het snel zomer wordt. 31Dat geldt ook voor de dingen waarover ik verteld heb. Als je die dingen ziet gebeuren, dan weet je dat Gods nieuwe wereld snel zal komen.

32Luister goed naar mijn woorden: Sommige mensen die nu leven, zullen dat nog meemaken. 33De hemel zal verdwijnen, en de aarde zal verdwijnen. Maar mijn woorden zullen niet verdwijnen.’

De Mensenzoon komt onverwacht

34-35Daarna zei Jezus: ‘Let heel goed op! Op een dag komt de Mensenzoon, plotseling zal hij op aarde zijn. Overal zullen de mensen verrast worden.

Zorg dat je daarop voorbereid bent. Laat je niet afleiden door feesten of drank, en ook niet door dagelijkse problemen. Laat je niet verrassen als de Mensenzoon plotseling komt.

36Let heel goed op en blijf steeds bidden. Vraag God om kracht, zodat jullie kunnen ontsnappen aan alle vreselijke dingen die gaan gebeuren. Vraag om kracht, zodat jullie vol vertrouwen voor de Mensenzoon kunnen staan.’

Iedereen wil de uitleg van Jezus horen

37Overdag gaf Jezus uitleg over God in de tempel. En ’s nachts sliep hij buiten de stad, op de Olijfberg.

38De mensen kwamen elke dag al vroeg naar de tempel. Want ze wilden allemaal horen wat Jezus te vertellen had.