Bijbel in Gewone Taal (BGT)
8

Aäron en zijn zonen worden priester

Mozes laat offerdieren halen

81De Heer zei verder tegen Mozes: 2-3‘Laat Aäron en zijn zonen naar de ingang van de heilige tent komen. Haal de priesterkleding en de heilige olijfolie. Haal ook de stier voor het offer waarmee de fouten van Aäron en zijn zonen goedgemaakt worden. En haal twee rammen, en een mand met brood zonder gist. Roep daarna het hele volk bij elkaar.’

4Mozes deed alles wat de Heer tegen hem gezegd had. Hij riep het hele volk bij elkaar bij de ingang van de heilige tent. 5Toen zei hij: ‘Alles wat ik nu ga doen, is een opdracht van de Heer.’

Mozes doet Aäron priesterkleren aan

6Mozes liet Aäron en zijn zonen bij zich komen en hij waste hen met water. 7Hij trok Aäron het priesterhemd aan, deed hem de riem om en trok hem de mantel aan.

Daarna deed Mozes bij Aäron de priesterschort om, en bond die vast met de band die daarbij hoorde. 8Op de schort maakte Mozes de priestertas vast, en hij deed daar twee speciale steentjes in. Dat waren de steentjes waarmee Aäron de Heer om raad kon vragen.

9Ten slotte zette Mozes de tulband op het hoofd van Aäron. En hij maakte het heilige gouden sieraad vast op de tulband.

Mozes deed alles zoals de Heer het tegen hem gezegd had.

Mozes giet olie over de heilige tent

10Toen nam Mozes de olijfolie en hij goot een deel ervan over de heilige tent van de Heer en over alles wat in de tent stond. Zo werd alles heilig.

11Hij druppelde zeven keer wat olie over het grote altaar. En hij goot ook olie over alles wat bij het altaar hoort. Ten slotte goot Mozes olie over de waterbak en over het onderstel van de waterbak. Zo werd alles heilig.

Mozes stelt Aäron aan als priester

12Daarna goot Mozes een deel van de olie over het hoofd van Aäron, als teken dat hij priester werd. Zo werd Aäron heilig.

13Hij liet ook de zonen van Aäron bij zich komen. Hij trok hun het priesterhemd aan, hij deed hun de riem om, en hij zette de priestermuts op hun hoofd.

Mozes deed alles zoals de Heer het tegen hem gezegd had.

Mozes offert de stier

14Toen liet Mozes de stier komen die geofferd moest worden om de fouten van Aäron en zijn zonen goed te maken. Aäron en zijn zonen legden hun hand op de kop van de stier. 15Mozes slachtte het dier, en hij smeerde wat bloed aan de hoeken van het grote altaar. De rest van het bloed goot hij op de grond voor het altaar. Zo werd het altaar heilig.

16Daarna pakte Mozes alle vette delen van de stier en verbrandde die op het altaar. Dus het vet dat aan de ingewanden zit, de twee nieren, het vet van de nieren, en het vette stukje van de lever. 17Maar het vlees, de huid en de darmen van de stier verbrandde Mozes buiten het tentenkamp.

Mozes deed alles zoals de Heer het tegen hem gezegd had.

Mozes offert de eerste ram

18Toen liet Mozes de ram komen voor het offer dat helemaal verbrand moest worden. Aäron en zijn zonen legden hun hand op de kop van de ram. 19Mozes slachtte het dier en hij goot het bloed langs de zijkanten van het altaar.

20Daarna sneed hij de ram in stukken. Hij verbrandde de kop, de stukken vlees en het vet van de nieren. 21Hij waste de ingewanden en de poten van de ram. En daarna verbrandde hij die met de rest van de ram op het altaar.

Zo werd het offer helemaal verbrand. Het had een heerlijke geur. Het was een geschenk dat de Heer graag aanneemt.

Mozes deed alles zoals de Heer het tegen hem gezegd had.

Mozes offert de tweede ram

22Toen liet Mozes nog een ram komen. Dat was de ram voor het offer bij de aanstelling van priesters. Aäron en zijn zonen legden hun hand op de kop van de ram. 23Mozes slachtte het dier. Hij smeerde wat bloed aan het rechteroor van Aäron, aan zijn rechterduim en aan de grote teen van zijn rechtervoet.

24Daarna liet Mozes de zonen van Aäron bij zich komen. Ook bij hen smeerde hij wat bloed aan hun rechteroor, aan hun rechterduim en aan de grote teen van hun rechtervoet. De rest van het bloed goot Mozes langs de zijkanten van het altaar.

25Daarna nam hij alle vette delen van de ram. Dus de staart, het vet dat aan de ingewanden zit, het vette stukje van de lever, de twee nieren en het vet van de nieren, en ook de rechterachterpoot. 26Hij nam ook drie broden uit de mand die bij het altaar van de Heer stond: één brood zonder gist, één dik brood dat met olijfolie was gemaakt, en één dun brood. Hij legde de broden boven op de achterpoot en de vette delen van de ram.

27Daarna legde hij alles op de handen van Aäron en zijn zonen. Zij hielden het voor het altaar omhoog om het aan te bieden aan de Heer. 28Toen nam Mozes alles weer terug, en hij verbrandde het op het altaar. Hij legde alles boven op de stier die helemaal verbrand moest worden.

Dat was het offer dat hoorde bij de aanstelling van priesters. Het had een heerlijke geur. Het was een geschenk dat de Heer graag aanneemt.

29Mozes pakte de borst van de ram en hield die omhoog om hem aan te bieden aan de Heer. Dat deel van het offer was bestemd voor Mozes. Dat had de Heer tegen hem gezegd.

Aäron en zijn zonen worden heilig

30Mozes nam wat bloed van het altaar en wat olijfolie. Hij druppelde dat op Aäron en zijn zonen, en op hun kleren. Zo maakte Mozes Aäron en zijn zonen heilig, en hun kleren ook.

31Mozes zei tegen Aäron en zijn zonen: ‘Kook het vlees van de ram op het plein bij de heilige tent. Eet het daar ook op, met de broden uit de mand die bij het altaar staat. Dat is een opdracht van de Heer. 32Wat er overblijft van het vlees en het brood, moeten jullie verbranden.

33Jullie moeten zeven dagen op het plein bij de heilige tent blijven. Zo lang duurt de aanstelling van priesters. 34Elke dag moeten jullie herhalen wat er vandaag gedaan is. Dat is een opdracht van de Heer. Dan zijn al jullie fouten goedgemaakt. 35Zeven dagen en zeven nachten moeten jullie op het plein bij de heilige tent blijven. Jullie moeten precies doen wat de Heer gezegd heeft. Anders zullen jullie sterven.’

36Toen deden Aäron en zijn zonen alles wat de Heer tegen Mozes gezegd had.

9

De Heer verschijnt

Mozes laat offers brengen

91Zeven dagen later liet Mozes Aäron en zijn zonen bij zich komen, samen met de leiders van Israël.

2Hij zei tegen Aäron: ‘Haal een jonge stier voor het offer waarmee fouten goedgemaakt worden. En haal ook een jonge ram voor het offer dat helemaal verbrand moet worden. Beide dieren moeten gezond zijn en mogen geen gebreken hebben. Breng ze naar de heilige tent van de Heer.

3Daarna moet je tegen de Israëlieten zeggen dat zij ook offerdieren moeten halen. Ze moeten een bok halen voor het offer waarmee hun fouten goedgemaakt worden. En een stier en een ram van één jaar oud voor het offer dat helemaal verbrand moet worden. Ook die dieren moeten gezond zijn en mogen geen gebreken hebben. 4Verder moeten de Israëlieten een stier en een ram aanbieden aan de Heer voor het offer bij een feestmaal. En ze moeten een graanoffer brengen dat met olijfolie gemengd is. Al die offers moeten gebracht worden omdat de Heer vandaag bij het volk zal komen.’

5De Israëlieten deden wat Mozes gezegd had. Ze brachten alles naar de heilige tent. En daarna gingen ze bij het grote altaar staan. 6Toen zei Mozes: ‘Jullie hebben alles gedaan wat de Heer gezegd heeft. Daarom zullen jullie de Heer zien, stralend en machtig.’

Aäron offert een stier en een ram

7Mozes zei tegen Aäron: ‘Ga naar het altaar en breng daar offers. Offer alles zoals de Heer het gezegd heeft. Dan zal hij jouw fouten en de fouten van het volk vergeven.’

8Toen ging Aäron naar het altaar. Hij slachtte eerst de stier voor het offer waarmee zijn eigen fouten goedgemaakt moesten worden. 9Zijn zonen gaven hem een schaal met het bloed van de stier. Aäron smeerde met zijn vinger wat bloed aan de hoeken van het altaar. De rest van het bloed goot hij op de grond voor het altaar. 10Het vet, de twee nieren en het vette stukje van de lever verbrandde hij op het altaar. Hij deed alles zoals de Heer het tegen Mozes gezegd had. 11Het vlees en de huid van de stier verbrandde hij buiten het kamp.

12Daarna slachtte Aäron de ram voor het offer dat helemaal verbrand moest worden. Zijn zonen gaven hem een schaal met het bloed van de ram. Aäron goot het bloed langs de zijkanten van het altaar. 13Toen gaven zijn zonen hem het vlees en de kop van de ram. Aäron verbrandde die op het altaar. 14De poten en de ingewanden waste hij eerst, en daarna verbrandde hij die met de rest van de ram.

Aäron brengt de offers voor het volk

15Toen liet Aäron de dieren voor de offers van het volk halen. Hij slachtte eerst de bok voor het offer waarmee de fouten van het volk goedgemaakt moesten worden. Hij deed precies hetzelfde als met de stier die hij geofferd had voor zijn eigen fouten. 16Daarna liet hij de stier en de ram halen voor het offer dat helemaal verbrand moest worden. Hij offerde alles volgens de regels.

17Aäron liet ook het graanoffer bij zich brengen, en hij verbrandde een handvol meel op het altaar. Het was een extra graanoffer, dat nog bij het dagelijkse graanoffer kwam.

18Ten slotte slachtte hij de stier en de ram voor het offer bij een feestmaal. Zijn zonen gaven hem een schaal met het bloed van de dieren. Aäron goot het bloed langs de zijkanten van het altaar. 19Daarna pakte hij de vette delen van de stier en de ram: de staart, het vet dat aan de ingewanden zit, de nieren, en het vette stukje van de lever. 20Hij legde alles bij de borst van de dieren. Daarna verbrandde hij de vette delen op het altaar.

21De borst en de rechterachterpoot van de dieren hield hij omhoog om ze aan te bieden aan de Heer. Hij deed alles zoals Mozes het gezegd had.

22Toen strekte Aäron zijn handen uit en hij zegende het volk. Daarna ging hij weer weg bij het altaar.

De Heer komt bij het volk

23Daarna gingen Mozes en Aäron samen de heilige tent in. Toen ze weer naar buiten kwamen, zegenden ze het volk.

Op dat moment zagen alle Israëlieten de Heer, stralend en machtig. 24Uit de heilige tent kwam een grote vlam die alle offers op het altaar verbrandde. Toen de Israëlieten dat zagen, begonnen ze te juichen. En iedereen boog diep.

10

De Heer straft Nadab en Abihu

Nadab en Abihu sterven

101Nadab en Abihu, twee zonen van Aäron, pakten hun wierookschaal. Ze deden er gloeiende kooltjes in en legden daar wierook op als offer voor de Heer. Maar ze hadden de kooltjes niet van het grote altaar gepakt. Daarom was het offer niet volgens de regels van de Heer. 2Toen kwam er een grote vlam uit de heilige tent die hen verbrandde. Zo stierven ze allebei, vlak bij de heilige tent.

3Mozes zei tegen Aäron: ‘Dat bedoelde de Heer dus toen hij zei: ‘Mijn priesters moeten eerbied voor mij hebben. Alleen dan kan iedereen zien dat ik heilig en machtig ben.’’ Maar Aäron zei helemaal niets.

Aäron en zijn zonen mogen niet rouwen

4Toen riep Mozes de zonen van Uzziël, de oom van Aäron. Dat waren Misaël en Elsafan. Mozes zei tegen hen: ‘Haal de lichamen van jullie familieleden weg bij de heilige tent. Breng ze naar een plaats buiten het kamp.’ 5Misaël en Elsafan deden wat Mozes gezegd had. Ze brachten de lichamen van Nadab en Abihu naar een plaats buiten het kamp. Nadab en Abihu hadden hun priesterhemd nog aan.

6En Mozes zei tegen Aäron en zijn twee andere zonen, Eleazar en Itamar: ‘Jullie mogen je verdriet niet laten zien. Dus laat je haar niet loshangen en scheur je kleren niet. Anders zullen jullie ook sterven, en zal de Heer woedend worden op het hele volk.

De andere Israëlieten mogen wel rouwen om de dood van Nadab en Abihu. 7Maar jullie niet, want jullie zijn priesters van de Heer. Jullie moeten op het plein bij de heilige tent blijven. Anders zullen jullie sterven.’

Aäron en zijn zonen deden wat Mozes gezegd had.

Regels voor priesters

8De Heer zei tegen Aäron: 9‘Jij en je zonen mogen geen wijn of bier drinken voordat jullie naar de heilige tent komen. Anders zullen jullie sterven. Die regel geldt voor altijd, voor jullie en je nakomelingen. 10Want jullie moeten het verschil weten tussen heilig en niet heilig, en tussen rein en onrein. 11En jullie moeten de Israëlieten alle regels leren die ik aan Mozes gegeven heb.’

12Daarna zei Mozes tegen Aäron en tegen Eleazar en Itamar, de zonen van Aäron die nog in leven waren: ‘Het graanoffer voor de Heer is heel heilig. Wat er van dat offer overblijft, is voor jullie. Jullie moeten er broden zonder gist van bakken en die opeten bij het grote altaar 13bij de heilige tent. Dat is een heilige plaats. Een deel van de offers is dus voor jullie zonen bestemd. Dat heeft de Heer tegen mij gezegd.

14-15Maar het offervlees dat voor jullie is, hoef je niet bij de heilige tent op te eten. Dat mag je opeten op elke plaats binnen het kamp. Dat geldt ook voor je zonen en je dochters. De Israëlieten moeten de borst, de rechterachterpoot en de vette delen eerst naar het altaar brengen. En dan moeten ze die omhooghouden en aanbieden aan de Heer. Daarna zijn ze voor jullie. De Israëlieten moeten dat deel van de offers bij een feestmaal altijd aan jullie geven. Zo heeft de Heer het gezegd.’

Mozes wordt boos op Eleazar en Itamar

16Mozes zocht overal naar het vlees van de bok die geofferd was om de fouten van het volk goed te maken. Maar de bok was helemaal verbrand. Daarom werd Mozes boos op Eleazar en Itamar, en hij zei: 17‘Waarom hebben jullie het vlees van de bok niet opgegeten? Het was een heel heilig offer. De Heer wil dat je zo’n offer brengt om de fouten van het volk goed te maken, en om te zorgen dat alles weer goed is tussen hem en het volk. 18Jullie hebben geen bloed van het offer in de heilige tent gespat. Dus jullie hadden het vlees moeten opeten bij de heilige tent. Dat was een opdracht van de Heer.’

19Toen zei Aäron tegen Mozes: ‘Ik en mijn zonen hebben vandaag een offer gebracht om onze fouten weer goed te maken. We hebben ook een offer gebracht dat helemaal verbrand moet worden. Maar daarna is er iets verschrikkelijks gebeurd met mijn zonen Nadab en Abihu. Hadden we daarna dan toch het vlees van het offer voor het volk moeten eten? Had de Heer dat goedgevonden?’

20Toen Mozes dat hoorde, was hij niet boos meer.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]