Bijbel in Gewone Taal (BGT)
5

Voorbeelden

51In de volgende gevallen is iemand schuldig, omdat hij iets verkeerds gedaan heeft.

Als iemand weigert om de waarheid te vertellen bij de rechter, is hij schuldig. Als iemand een misdaad gehoord of gezien heeft, moet hij dat aan de rechter vertellen. Anders doet hij iets verkeerds.

2Als iemand vergeet dat hij een dood dier aangeraakt heeft, is hij schuldig. Want dode dieren zijn onrein. En als iemand een dood dier aanraakt, is hij zelf ook onrein. Het maakt niet uit of het een wild of een tam dier is, of een heel klein dier.

3Als iemand vergeet dat hij een onrein mens aangeraakt heeft, is hij schuldig. Het maakt niet uit waarom die ander onrein is.

4Als iemand een plechtige belofte doet en daarbij zonder nadenken de naam van de Heer gebruikt, is hij schuldig. Het maakt niet uit of hij iets goeds belooft of iets slechts.

Het offeren van een schaap of een geit

5Als iemand weet dat hij iets verkeerds gedaan heeft, moet hij dat in het openbaar zeggen. Hij moet zijn fout toegeven. 6En hij moet een schaap of een geit aanbieden aan de Heer. Het moet een vrouwelijk dier zijn. Dat dier is voor het offer waarmee een fout goedgemaakt wordt.

Als de priester het dier geofferd heeft, zal de Heer de fout vergeven.

Het offeren van twee duiven

7Stel dat iemand een schaap of een geit niet kan betalen. Dan mag hij twee tortelduiven of twee jonge gewone duiven aanbieden aan de Heer. De ene duif is voor het offer waarmee een fout goedgemaakt wordt. De andere duif is voor het offer dat helemaal verbrand moet worden.

8De duiven moeten naar de priester gebracht worden. Die moet eerst de ene duif gebruiken voor het offer waarmee een fout goedgemaakt wordt. Hij moet de kop van de duif een stukje lostrekken. Maar hij mag hem er niet helemaal af trekken. 9Dan moet hij wat bloed van de duif tegen de zijkanten van het grote altaar spatten. De rest van het bloed moet hij voor het altaar op de grond gieten. Dan is het een offer waarmee een fout goedgemaakt wordt.

10Daarna moet de priester de andere duif helemaal verbranden, volgens de regels.

Als de priester de duiven geofferd heeft, zal de Heer de fout vergeven.

Het offeren van meel

11Stel dat iemand ook twee duiven niet kan betalen. Dan mag hij 2,5 kilo fijn meel aanbieden aan de Heer. Dat meel is voor het offer waarmee een fout goedgemaakt wordt. Bij dit offer mag geen olijfolie of wierook gebruikt worden.

12Het meel moet naar de priester gebracht worden. Hij moet een handvol meel verbranden, tegelijk met de andere offers voor de Heer. Die handvol meel is een teken voor het hele offer. Het is een offer waarmee een fout goedgemaakt wordt.

13Als de priester het meel geofferd heeft, zal de Heer de fout vergeven. De rest van het meel is voor de priester, net zoals bij het graanoffer.’’

Regels over offers om schuld weg te nemen

Als iemand zelf iets heiligs gebruikt

14De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: 15‘Als iemand iets voor zichzelf gebruikt dat voor de Heer bestemd is, is hij schuldig. Want alles wat voor de Heer is, is heilig. Ook als hij het per ongeluk doet, is het verkeerd.

Hij moet een ram aanbieden aan de Heer voor het offer waarmee zijn schuld weggenomen wordt. De ram moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben. En hij moet een bepaald bedrag waard zijn. Dat bedrag wordt van tevoren door de priesters vastgesteld.

16Wat iemand voor zichzelf gebruikt heeft, moet hij terugbetalen aan de priester. En hij moet ook nog een boete betalen van 20 procent. De priester moet de ram dan offeren aan de Heer om de schuld weg te nemen.

Als het dier geofferd is, zal de Heer de fout vergeven.

Als iemand iets per ongeluk doet

17Stel dat iemand per ongeluk iets verkeerds doet, iets dat de Heer verboden heeft. Dan is die persoon schuldig. Ook al doet hij het per ongeluk, hij is toch schuldig. 18-19Hij moet een ram aanbieden aan de Heer voor het offer waarmee zijn schuld weggenomen wordt. De ram moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben. En hij moet een bepaald bedrag waard zijn. Dat bedrag wordt van tevoren vastgesteld.

Als de priester de ram geofferd heeft, zal de Heer de fout vergeven. Het is een offer om iemands schuld weg te nemen, want die persoon was schuldig tegenover de Heer. Ook al deed hij per ongeluk iets fout, of zonder erbij na te denken.’’

Als iemand liegt bij de rechter

20De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: 21-22‘Als iemand liegt bij de rechter, is dat verkeerd. Bijvoorbeeld als hij iets voor een ander bewaard heeft, maar zegt dat het van hemzelf is. Of als hij iets geleend heeft, maar zegt dat hij dat niet gedaan heeft. Iemand doet ook iets verkeerds als hij iets gestolen heeft en daarover liegt. Of als hij geld van een ander afpakt, en daarover liegt. Of als hij iets gevonden heeft dat van iemand anders is, maar het zelf houdt. Over al die dingen mag nooit gelogen worden bij de rechter. Als iemand dat wel doet, is hij niet trouw aan de Heer.

23-24Als iemand één van die dingen toch gedaan heeft, is hij schuldig. Dan moet hij terugbetalen wat hij gestolen of afgepakt heeft. Hij moet alles teruggeven wat van iemand anders is. Hij moet ook een boete betalen van 20 procent. Dat moet gebeuren op dezelfde dag dat hij een offer brengt om zijn schuld weg te nemen.

25Hij moet een ram aanbieden voor het offer om zijn schuld weg te nemen. De ram moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben. En hij moet een bepaald bedrag waard zijn. Dat bedrag wordt van tevoren vastgesteld. De ram moet naar de priester gebracht worden. 26En de priester moet de ram dan aan de Heer offeren om de schuld weg te nemen.

Als de ram geofferd is, zal de Heer de fout vergeven.’’

6

Nog meer regels over offers

Offers die helemaal verbrand moeten worden

61De Heer zei verder tegen Mozes: 2‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen: ‘Nu volgen er regels over offers die helemaal verbrand moeten worden.

Zo’n offer moet de hele nacht op het altaar blijven liggen, en het vuur moet blijven branden.

De volgende ochtend 3moet de priester een linnen broek en een linnen mantel aantrekken. Hij moet de as van het verbrande offer weghalen en naast het altaar leggen. 4Daarna moet hij andere kleren aantrekken. En dan moet hij de as naar de ashoop buiten het kamp brengen.

5Het vuur op het altaar moet steeds blijven branden. Het mag niet uitgaan. Daarom moet de priester elke ochtend hout op het vuur leggen. En op het hout moet hij een nieuw offer leggen dat helemaal verbrand moet worden. Ook de vette delen van de offers bij een feestmaal moeten dan verbrand worden.

6Het vuur op het altaar moet altijd blijven branden. Het mag nooit uitgaan.

Graanoffers

7Nu volgen er regels over graanoffers.

De priesters moeten het meel voor een graanoffer aan de Heer aanbieden bij de voorkant van het altaar. 8Dan moet één van de priesters een handvol meel en wat olijfolie pakken. Dat moet hij samen met wat wierook op het altaar verbranden. Het is een teken voor het hele offer.

Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

9-11De rest van het meel is voor de priesters. Ze moeten er brood zonder gist van bakken. Dat brood moeten ze opeten op het plein bij de heilige tent. Want dat plein is een heilige plaats.

Het brood voor het graanoffer is heel heilig, net als de offers waarmee goedgemaakt wordt wat iemand verkeerd gedaan heeft. Ook alles wat met het graanoffer in contact geweest is, wordt heilig.

De Heer heeft een deel van het graanoffer dus speciaal bestemd voor de priesters. Alle nakomelingen van Aäron mogen ervan eten. Zij mogen altijd een deel van de graanoffers voor de Heer hebben.’’

Het graanoffer van de hogepriester

12De Heer zei verder tegen Mozes: 13‘Zeg ook tegen Aäron en zijn zonen: ‘De hogepriester moet elke dag een eigen graanoffer brengen aan de Heer. Dat moet hij doen vanaf de dag dat hij hogepriester wordt. Hij moet elke dag 2,5 kilo meel offeren, de ene helft ’s ochtends en de andere helft ’s avonds.

14Hij moet het meel mengen met olijfolie. Daarna moet hij er op een vuur broden van bakken. Die broden moet hij in stukken breken en aanbieden aan de Heer.

Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

15-16Alle priesters die Aäron opvolgen als hogepriester, moeten elke dag een eigen graanoffer brengen aan de Heer. Het meel van dat offer moet helemaal verbrand worden. Het is voor de Heer bestemd.

Alle graanoffers die de priesters voor zichzelf brengen, moeten helemaal verbrand worden. De priesters mogen er niet van eten. Die regels gelden voor altijd.’’

Offers om fouten goed te maken

17De Heer zei verder tegen Mozes: 18‘Zeg ook tegen Aäron en zijn zonen: ‘Nu volgen er regels over offers waarmee fouten goedgemaakt worden.

De priester moet de dieren voor zo’n offer slachten bij het grote altaar bij de ingang van de heilige tent. Dat offer is heel heilig.

19-22Het vlees van het offer is voor de priester die het offer brengt. Maar de andere priesters mogen er ook van eten. Omdat het offer heilig is, moet het vlees gegeten worden op het plein bij de heilige tent. Want dat is een heilige plaats.

Alles wat met het vlees in contact komt, wordt ook heilig. Het is voor de Heer bestemd. Als er bloed van het offerdier op iemands kleren komt, worden die kleren heilig. Ze moeten dan gewassen worden op een heilige plaats. Ook de potten waar het vlees in gekookt wordt, worden heilig. Stenen potten moeten kapotgeslagen worden. En koperen potten moeten geschuurd en afgespoeld worden.

23Soms mag het vlees niet opgegeten worden. Dat is het geval als er in de heilige tent bloed van het offerdier gespat is, om goed te maken wat iemand verkeerd gedaan heeft. Dan moet het offer helemaal verbrand worden.

7

Offers om schuld weg te nemen

71Nu volgen er regels over offers waarmee iemands schuld weggenomen wordt.

Zulke offers zijn heel heilig. 2De priester moet de offerdieren slachten bij het grote altaar bij de ingang van de heilige tent. En hij moet het bloed langs de zijkanten van het altaar gieten.

3Daarna moet hij alle vette delen offeren. Dus de staart, het vet dat aan de ingewanden zit, 4de twee nieren, het vet van de nieren, en het vette stukje van de lever. Dat deel van de lever moet tegelijk met de nieren verwijderd worden.

5De priester moet alles op het altaar verbranden. Dan is het geschikt als offer waarmee iemands schuld weggenomen wordt.

6-7Het vlees van het offerdier is voor de priester die het offer brengt. De andere priesters mogen er ook van eten. Dat moeten ze doen op een heilige plaats, want het offer is heel heilig. Die regel geldt voor dit offer en voor het offer waarmee een fout goedgemaakt wordt.

Wat overblijft, is voor de priesters

8De huid van een dier dat helemaal verbrand moet worden, is voor de priester die het offer brengt.

9Ook alles wat overblijft van een brood dat geofferd is, is voor de priester die het offer brengt. Het maakt niet uit of het brood in een oven, op een vuur of in een pan gebakken is.

10Wat overblijft van andere graanoffers, moet verdeeld worden onder alle priesters. Het maakt niet uit of die offers met of zonder olijfolie klaargemaakt zijn.

Offers bij een feestmaal

11Nu volgen er regels over offers voor de Heer bij een feestmaal.

12Zulke offers kunnen gebracht worden om de Heer te danken. Dan moeten er tegelijk met het offerdier vier soorten brood geofferd worden. Dat moet dik brood zijn van fijn meel met olijfolie. Verder dik brood zonder gist en dun brood zonder gist. Het dikke brood moet met olie klaargemaakt zijn, en op het dunne brood moet olie gesmeerd zijn. 13Ten slotte moet er ook brood met gist geofferd worden. Alles moet tegelijk met het dier geofferd worden.

14Van elke soort brood moet één brood apart gehouden worden voor de Heer. Maar daarna mag de priester die het bloed langs de zijkanten van het altaar gegoten heeft, dat brood opeten.

15Het vlees van het offer om de Heer te danken, moet gegeten worden op de dag van het offer. Het mag niet tot de volgende dag bewaard worden.

Het eten van offervlees

16Iemand kan een offer brengen bij een feestmaal omdat hij dat beloofd heeft aan de Heer. Maar iemand kan het offer ook vrijwillig brengen. In beide gevallen mag het vlees gegeten worden op de dag van het offer en op de dag daarna.

17Als er na twee dagen nog vlees over is, moet dat verbrand worden. 18Als iemand er dan toch nog iets van eet, zal de Heer het offer niet meer aannemen. Dan is dat offer voor niets geweest. Het is dan onrein vlees geworden. En de Heer zal iedereen straffen die van dat vlees eet.

19Het vlees mag ook niet gegeten worden als het in contact geweest is met iets dat onrein is. Dan moet het verbrand worden.

Alleen mensen die rein zijn, mogen meedoen met een feestmaal voor de Heer. 20-21Wie onrein is, mag niet eten van de offers. Iemand is onrein als hij iets onreins aangeraakt heeft. Dat kan een onrein mens zijn, een onrein dier of iets anders. Wie onrein is en toch van het offer eet, mag niet meer bij het volk van Israël horen.’’

Het eten van vet en bloed is verboden

22De Heer zei verder tegen Mozes: 23‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Jullie mogen nooit het vet eten van een rund, een schaap of een geit. 24Het maakt niet uit of het dier vanzelf gestorven is, of gedood is door een wild dier. Vet mag voor alles gebruikt worden, maar jullie mogen het niet eten.

25Jullie mogen ook nooit het vet eten van een dier dat geofferd is aan de Heer. Als je dat toch doet, mag je niet meer bij het volk van Israël horen.

26Jullie mogen ook nooit vlees eten waar nog bloed in zit. Het maakt niet uit of het vlees van vogels is, of van dieren die op het land leven. Die regel geldt voor jullie allemaal. Het maakt niet uit waar je woont. 27Als je vlees met bloed eet, mag je niet meer bij het volk van Israël horen.’’

Het vlees voor de Heer

28De Heer zei verder tegen Mozes: 29‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Als iemand een offer bij een feestmaal brengt, is een deel van dat offer voor de Heer. 30Voor de Heer zijn de vette delen en de borst van het dier. Degene die het offer brengt, moet zelf de borst van het dier omhooghouden om die aan te bieden aan de Heer. 31Het vet moet verbrand worden op het altaar, maar het vlees van de borst is voor de priesters.

32-33De rechterachterpoot moet apart gehouden worden. Die is voor de priester die het offer gebracht heeft. 34Dus de rechterachterpoot en de borst van een dier zijn altijd voor de priesters. Zo moet dat voortaan gaan bij elk offer dat iemand bij een feestmaal brengt. Dat heeft de Heer bepaald. 35Dat deel van de offers is voor de priesters, vanaf de dag dat ze priester worden. 36De Heer heeft dat bepaald.

Jullie en je nakomelingen moeten je altijd aan die regels houden.’’

Slot

37Dat zijn de regels over alle offers: over offers die helemaal verbrand moeten worden, graanoffers, offers waarmee een fout goedgemaakt wordt, offers waarmee iemands schuld weggenomen wordt, offers bij de aanstelling van priesters, en offers bij een feestmaal.

38De Heer heeft die regels aan Mozes gegeven. Dat gebeurde op de berg Sinai, in de woestijn. Daar gaf de Heer aan de Israëlieten de opdracht om offers aan hem te brengen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]