Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

Regels over graanoffers

Het offeren van meel

21De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Als iemand een graanoffer wil brengen aan de Heer, moet hij fijn meel gebruiken. Hij moet er olijfolie overheen gieten en er wierook bij leggen.

2Dat offer moet naar de priesters uit de familie van Aäron gebracht worden. Zij moeten een handvol meel met olie pakken, en dat met alle wierook verbranden op het altaar. Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

Er hoeft maar een handvol meel verbrand te worden. Dat is een teken voor het hele offer. 3De rest van het meel is voor de priesters. Het meel is heel heilig, omdat het bij een offer voor de Heer hoort.

Regels voor het offeren van brood

4Voor een graanoffer kunnen verschillende soorten brood gebruikt worden. Iemand kan een brood offeren dat in een oven gebakken is. Dat brood moet gemaakt zijn van fijn meel zonder gist. Het kan een dik brood zijn, dat met olijfolie gemaakt is. Maar het kan ook een dun brood zijn, waar alleen olie op gesmeerd is.

5Iemand kan ook een brood offeren dat op een vuur gebakken is. Dat brood moet ook gemaakt zijn van fijn meel, gemengd met olijfolie. En er mag geen gist in zitten. 6Het brood moet in stukken gebroken worden, en er moet olijfolie overheen gegoten worden. Dan is het geschikt als offer.

7Ten slotte kan iemand ook een brood offeren dat in een pan gebakken is. Ook dat brood moet van fijn meel en olijfolie gemaakt zijn.

8Het offer moet aangeboden worden aan de Heer. Het moet aan de priester gegeven worden, en die moet het naar het altaar brengen. 9-10De priester moet een deel van het offer verbranden op het altaar. Dat deel is een teken voor het hele offer. De rest is voor de priesters. Het brood is heel heilig, omdat het bij een offer voor de Heer hoort.

Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

Nog meer regels over graanoffers

11Voor een graanoffer mag geen brood met gist gebruikt worden. Want gist en honing mogen nooit als offer verbrand worden. 12Jullie mogen gist en honing wel aan de Heer aanbieden om hem te danken voor de oogst. Maar je mag ze nooit verbranden op het altaar.

13Bij al jullie graanoffers moeten jullie zout toevoegen aan het meel. Dat zout is een teken van de afspraken die God met jullie gemaakt heeft. Want die afspraken blijven altijd bestaan, net zoals voedsel langer blijft bestaan door zout. Ook bij al je andere offers moet je zout toevoegen.

14Als jullie met een graanoffer de Heer willen danken voor de oogst, moet je geroosterd graan of platgeslagen graan gebruiken. 15Daar moet olijfolie overheen gegoten worden, en er moet wierook bij gelegd worden. Dan is het geschikt als graanoffer.

16De priester moet een deel van het offer verbranden. Dat is een teken voor het hele offer.’’

3

Regels over offers bij een feestmaal

Het offeren van een koe of een stier

31De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Als iemand een feestmaal wil houden, moet hij een koe of een stier offeren. Het dier moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben.

2Degene die het offer brengt, moet zijn hand op de kop van het dier leggen. Daarna moet hij het slachten bij de ingang van de heilige tent. De priesters uit de familie van Aäron moeten het bloed langs de zijkanten van het altaar gieten.

3Een deel van het offer moet aangeboden worden aan de Heer. De rest is voor het feestmaal. Voor de Heer zijn de vette delen: het vet dat aan de ingewanden zit, 4de twee nieren en het vet van de nieren. En ook het vette stukje van de lever is voor de Heer. Dat stukje moet tegelijk met de nieren verwijderd worden.

5De priesters moeten dat allemaal op het vuur op het altaar leggen. Dan moeten ze alles verbranden, tegelijk met de andere offers.

Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

Het offeren van een schaap of een geit

6Als iemand een feestmaal voor de Heer wil houden, kan hij ook een schaap of een geit offeren. Het mag een mannelijk of een vrouwelijk dier zijn. Het dier moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben.

7Als iemand een schaap wil offeren aan de Heer, 8moet hij zijn hand op de kop van het dier leggen. Daarna moet hij het slachten bij de heilige tent. De priesters moeten het bloed langs de zijkanten van het altaar gieten.

9Een deel van het offer is voor de Heer, de rest is voor het feestmaal. Voor de Heer zijn de vette delen: de hele staart, het vet dat aan de ingewanden zit, 10de twee nieren en het vet van de nieren. En ook het vette stukje van de lever is voor de Heer. Dat stukje moet tegelijk met de nieren verwijderd worden.

11De priesters moeten dat allemaal verbranden op het altaar. Het is een offer voor de Heer.

12Als iemand een geit wil offeren aan de Heer, 13moet hij zijn hand op de kop van het dier leggen. Daarna moet hij het slachten bij de heilige tent. De priesters moeten het bloed langs de zijkanten van het altaar gieten.

14Een deel van het offer is voor de Heer, de rest is voor het feestmaal. Voor de Heer zijn de vette delen: het vet dat aan de ingewanden zit, 15de twee nieren en het vet van de nieren. En ook het vette stukje van de lever is voor de Heer. Dat stukje moet tegelijk met de nieren verwijderd worden.

16De priesters moeten dat allemaal verbranden op het altaar. Al het vet is voor de Heer.

Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

Het eten van vet en bloed is verboden

17Vet en bloed mogen jullie niet eten. Dat is een regel die voor altijd geldt, ook voor jullie nakomelingen, waar ze ook wonen.’’

4

Een offer voor de hogepriester

Er moet een stier geofferd worden

41De Heer zei verder tegen Mozes: 2‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Soms doet iemand per ongeluk iets dat de Heer verboden heeft. 3Als de hogepriester zoiets doet, maakt hij daarmee het hele volk schuldig. De hogepriester moet dan een jonge stier offeren om zijn fout goed te maken. De stier moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben.

4De hogepriester moet de stier naar de ingang van de heilige tent brengen. Hij moet zijn hand op de kop van de stier leggen, en hem slachten voor de Heer.

Het bloed van de stier

5Daarna moet de hogepriester een deel van het bloed van de stier naar de heilige tent brengen. 6Hij moet met zijn vinger zeven keer wat bloed spatten in de richting van het gordijn dat voor de heilige kist hangt.

7Ook moet hij wat bloed aan de hoeken van het wierookaltaar smeren. Dat altaar staat in de heilige tent, vlak bij de heilige kist.

De rest van het bloed moet hij op de grond gieten voor het grote altaar bij de ingang van de heilige tent.

De vette delen van de stier

8Daarna moet de hogepriester alle vette delen van de stier verwijderen. Dat is al het vet dat aan de ingewanden zit, 9de twee nieren, het vet van de nieren, en het vette stukje van de lever. Dat stukje moet hij tegelijk met de nieren verwijderen.

10Al die delen moet hij verbranden op het altaar, net zoals bij het offer bij een feestmaal.

De rest van de stier

11-12Ten slotte moet de hogepriester de rest van de stier buiten het kamp brengen. Dat is dus de huid, al het vlees, de kop, de poten, de ingewanden en alles wat in de ingewanden zit.

Alles moet naar de plek waar ook de as van de offers heen gebracht wordt. Dat is een reine plek. Daar moet alles verbrand worden op een vuur.’’

Een offer voor het hele volk

Er moet een stier geofferd worden

13De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Soms doet het hele volk per ongeluk iets dat de Heer verboden heeft. Dat kan gebeuren zonder dat iemand het merkt. Dan is het hele volk schuldig. 14Als de mensen begrijpen wat er verkeerd gedaan is, moet er een jonge stier geofferd worden. Zo kunnen ze hun fout goedmaken.

De stier moet naar de heilige tent gebracht worden. 15De leiders van het volk moeten daar hun hand op de kop van de stier leggen, en hem slachten voor de Heer.

Het bloed en de vette delen

16De hogepriester moet een deel van het bloed van de stier naar de heilige tent brengen. 17Hij moet met zijn vinger zeven keer wat bloed spatten in de richting van het gordijn dat voor de heilige kist hangt.

18Ook moet hij wat bloed smeren aan de hoeken van het wierookaltaar. Dat altaar staat in de heilige tent, vlak bij de heilige kist.

De rest van het bloed moet hij op de grond gieten voor het grote altaar bij de ingang van de heilige tent.

19Daarna moet de hogepriester alle vette delen van de stier verwijderen en verbranden op het altaar.

De rest van de stier

20-21De hogepriester moet de rest van de stier buiten het kamp brengen. Daar moet hij alles verbranden. Hij moet dus met die stier hetzelfde doen als met de stier die hij offert voor zijn eigen fout.

Als de stier geofferd is, zal de Heer de fout van het volk vergeven.’’

Een offer voor een leider

Er moet een bok geofferd worden

22De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Soms doet een leider van het volk per ongeluk iets dat de Heer, zijn God, verboden heeft. Dan is de leider schuldig. 23Als hij begrijpt wat hij verkeerd gedaan heeft, moet hij een bok offeren. De bok moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben.

24De leider moet zijn hand op de kop van de bok leggen. Daarna moet hij hem slachten bij het grote altaar bij de ingang van de heilige tent.

De bok is een offer waarmee de fout van de leider goedgemaakt wordt.

Het bloed en het vet van de bok

25De priester moet een deel van het bloed aan de hoeken van het grote altaar smeren. De rest van het bloed moet hij voor het altaar op de grond gieten.

26Hij moet alle vette delen van de bok op het altaar verbranden, net als bij het offer bij een feestmaal.

Als de priester de bok geofferd heeft, zal de Heer de fout van de leider vergeven.’’

Een offer voor iemand uit het volk

Er moet een geit geofferd worden

27De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Soms doet iemand uit het volk per ongeluk iets dat de Heer verboden heeft. Dan is die persoon schuldig. 28Als hij begrijpt wat hij verkeerd gedaan heeft, moet hij een geit offeren. Het moet een vrouwelijk dier zijn, dat gezond is en geen gebreken heeft. Met dat offer kan hij zijn fout goedmaken.

29Hij moet zijn hand op de kop van de geit leggen. Daarna moet hij het dier slachten bij het grote altaar bij de ingang van de heilige tent.

Het bloed en het vet van de geit

30De priester moet een deel van het bloed aan de hoeken van het grote altaar smeren. De rest van het bloed moet hij op de grond gieten voor het altaar.

31Alle vette delen van de geit moet hij aanbieden aan de Heer, net als bij het offer bij een feestmaal. Daarna moet de priester alles op het altaar verbranden voor de Heer.

Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

Als de priester de geit geofferd heeft, zal de Heer de fout vergeven.

Er mag ook een schaap geofferd worden

32Iemand uit het volk die een fout gemaakt heeft, mag ook een schaap offeren. Het moet een vrouwelijk dier zijn, dat gezond is en geen gebreken heeft.

33Degene die het offer brengt, moet zijn hand op de kop van het schaap leggen. Daarna moet hij het dier slachten bij het grote altaar bij de ingang van de heilige tent.

34De priester moet een deel van het bloed aan de hoeken van het grote altaar smeren. De rest van het bloed moet hij voor het altaar op de grond gieten.

35Alle vette delen van het schaap moet hij verwijderen, net als bij het offer bij een feestmaal. Daarna moet de priester alles op het altaar verbranden voor de Heer.

Als de priester het schaap geofferd heeft, zal de Heer de fout vergeven.