Bijbel in Gewone Taal (BGT)
26

Houd je aan Gods wetten

Vereer alleen de Heer

261De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Jullie mogen geen godenbeelden maken, en nergens in het land godenbeelden of heilige stenen neerzetten. En zet ook geen stenen met afbeeldingen neer om te vereren. Ik ben de Heer, jullie God.

2Houd je altijd aan de sabbat. En gedraag je eerbiedig als je naar mijn heilige tent gaat. Ik ben de Heer.

Beloningen

3Houd je precies aan mijn wetten en regels. 4Dan zal ik ervoor zorgen dat er op de juiste tijd regen valt. Er zal veel groeien op de akkers, en de bomen zullen veel vruchten krijgen. 5Jullie zullen altijd veel kunnen zaaien en oogsten. Er zal altijd meer dan genoeg te eten zijn. En jullie kunnen zonder zorgen in het land wonen.

6Ik zal ervoor zorgen dat er vrede is. Dan kunnen jullie rustig leven en hoeven jullie nergens bang voor te zijn. Ik zal alle wilde dieren uit het land wegjagen. Er zal geen oorlog zijn. 7En als vijanden jullie aanvallen, zullen jullie ze verjagen en ze allemaal doden. 8Er zullen maar vijf soldaten nodig zijn om honderd vijanden te verslaan. En met honderd soldaten zullen jullie tienduizend vijanden kunnen verslaan. Jullie zullen al je vijanden doden.

9Ik zal voor jullie zorgen. Jullie zullen veel kinderen krijgen en een groot volk worden. Ik zal alles doen wat ik jullie beloofd heb.

10Jullie zullen altijd meer dan genoeg kunnen oogsten. Er zal nooit te weinig voedsel zijn.

11Ik zal bij jullie wonen, en altijd bij jullie blijven. 12Ik zal jullie nooit in de steek laten. Ik ben jullie God, en jullie zijn mijn volk. 13Ik ben de Heer, jullie God. Ik heb jullie bevrijd uit Egypte. Want ik wilde niet dat jullie nog langer slaven zouden zijn. Daarom heb ik ervoor gezorgd dat jullie vrij zijn en als vrije mensen kunnen leven.

Straffen

14Jullie moeten mij altijd gehoorzamen, en leven volgens mijn regels. 15Maar stel dat jullie niet naar mijn regels luisteren, en geen respect hebben voor mijn wetten. En stel dat jullie mij niet langer gehoorzamen. 16Dan zal ik jullie verschrikkelijk straffen! Jullie zullen allerlei vreselijke ziektes krijgen, met koorts en ontstekingen. En jullie zullen langzaam sterven.

Jullie zullen wel zaaien op je akkers, maar jullie vijanden zullen de oogst opeten. 17Ik zal jullie in de steek laten, zodat jullie verslagen worden door jullie vijanden. Dan zullen zij over jullie heersen. En jullie zullen altijd blijven vluchten, zelfs als niemand jullie achtervolgt.

18Als jullie dan nog niet gehoorzaam willen zijn, zal ik jullie nog strenger straffen. 19Ik zal een einde maken aan jullie macht. Dan hebben jullie niets meer om trots op te zijn. Er zal geen regen meer uit de hemel komen, en de zon zal zo fel branden dat het land verdroogt. 20Jullie zullen hard werken op het land, maar dat zal niets opleveren. Want er zal niets groeien op de akkers, en de bomen zullen geen vruchten krijgen.

21Als jullie je dan nog steeds tegen mij verzetten en niet luisteren, zal ik jullie nog veel strenger straffen. 22Ik zal wilde dieren op jullie afsturen. Die zullen je kinderen doden en je vee verscheuren. Dan blijven er maar weinig mensen over.

Nog meer straffen

23Als jullie dan nog niets geleerd hebben, en jullie blijven je tegen mij verzetten, 24zal ik me tegen jullie verzetten. Ik zal jullie nog veel strenger straffen. 25Als jullie mij niet gehoorzamen, zal ik vijanden op jullie afsturen. En als jullie voor hen wegvluchten naar je steden, zal ik daar de pest laten uitbreken. Dan zullen jullie door je vijanden verslagen worden.

26Ik zal jullie honger laten lijden. Er zal heel weinig graan zijn. Zo weinig, dat tien vrouwen genoeg hebben aan één oven om brood te bakken. En het brood dat ze bakken, zal met veel mensen gedeeld moeten worden. Jullie zullen maar net genoeg te eten hebben.

27Als jullie dan nog niet naar mij luisteren, en jullie blijven je tegen mij verzetten, 28zal ik me tegen jullie verzetten. En dan zal ik jullie nog veel strenger straffen. 29Jullie zullen zo’n honger krijgen dat jullie je eigen kinderen opeten.

30Ik zal jullie offerplaatsen verwoesten en jullie altaren vernietigen. Ik zal jullie dode lichamen boven op jullie godenbeelden gooien. Ik zal jullie haten! 31Ik zal jullie steden volledig verwoesten, net als jullie heilige plaatsen. En ik zal jullie offers niet meer aannemen.

32Ik zal het land veranderen in een woestijn. Zelfs de vijanden in jullie land zullen er niet meer willen wonen. 33Jullie zullen moeten vluchten voor jullie vijanden, en in verre landen terechtkomen. Jullie land zal een woestijn worden, en jullie steden zullen in puin liggen.

De grond moet rust krijgen

34-35Denk erom: Jullie moeten ervoor zorgen dat de grond rust krijgt. Telkens in het zevende jaar mogen jullie niets zaaien of oogsten. Als jullie niet voor rust zorgen, zal ik dat doen. Dan zal de grond rust krijgen als jullie in het land van je vijanden wonen.

36-37Iedereen van jullie die nog in het land van jullie vijanden leeft, zal altijd bang zijn. Ik zal ervoor zorgen dat jullie al schrikken als er een blaadje beweegt. Jullie zullen in paniek raken en over elkaar heen struikelen. Jullie zullen steeds blijven vluchten, ook als niemand jullie achtervolgt. Jullie zullen sterven, ook als er geen vijanden zijn.

38Jullie zullen allemaal sterven in de landen van jullie vijanden, ver van huis. 39De laatste mensen zullen langzaam sterven van verdriet, om alles wat zij en hun voorouders verkeerd gedaan hebben.

God blijft trouw

40-42Als jullie mij ontrouw zijn, zal ik jullie wegjagen naar de landen van jullie vijanden. Maar als jullie spijt hebben, zal ik denken aan mijn afspraken met Jakob, Isaak en Abraham. Ik heb hun beloofd om altijd trouw te blijven. Dus als jullie je fouten toegeven, zal ik weer voor jullie land zorgen. Maar dan moeten jullie hardop zeggen wat jullie en je voorouders verkeerd gedaan hebben. Dan moeten jullie eerlijk toegeven dat jullie je tegen mij verzet hebben.

43Maar de grond zal eerst rust moeten krijgen. Jullie moeten daarvoor zorgen door telkens in het zevende jaar niets te zaaien of te oogsten. Maar stel dat jullie dat niet doen. Stel dat jullie niet luisteren naar mijn regels, en geen respect hebben voor mijn wetten. Dan zal ik jullie straffen.

44Toch zal ik jullie nooit helemaal loslaten. Zelfs niet als ik jullie naar het land van jullie vijanden stuur. Al krijg ik nog zo’n hekel aan jullie, ik zal jullie niet helemaal vernietigen. Want dan zou ik niet trouw zijn aan mijn afspraken met jullie. Ik ben de Heer, jullie God. 45Ik zal blijven denken aan de belofte die ik gedaan heb aan jullie voorouders. Ik heb hen bevrijd uit Egypte. Zo heb ik laten zien dat ik jullie God ben. Ik ben de Heer.’’

Slot

46Dat zijn alle wetten en regels die de Heer bekendmaakte op de berg Sinai. Mozes moest die regels doorgeven aan de Israëlieten.

27

Regels over plechtige beloftes

Beloftes over mensen

271De Heer zei tegen Mozes: 2‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Stel dat iemand beloofd heeft om een familielid als geschenk aan de Heer te geven. Dan mag hij in plaats daarvan ook geld betalen. 3Het bedrag is vastgesteld door de priesters.

Voor een man tussen de twintig en de zestig jaar moeten 50 zilverstukken betaald worden. 4Voor een vrouw tussen de twintig en de zestig jaar moeten 30 zilverstukken betaald worden. 5Voor een jongen tussen de vijf en de twintig jaar 20 zilverstukken, en voor een meisje 10 zilverstukken. 6Voor een jongen tussen één maand en vijf jaar 5 zilverstukken, en voor een meisje van die leeftijd 3 zilverstukken. 7Voor een man die ouder is dan zestig jaar, moeten 15 zilverstukken betaald worden, en voor een vrouw die ouder is dan zestig jaar, 10 zilverstukken.

8Stel dat iemand te arm is om het vastgestelde bedrag te betalen. Dan moet hij naar de priester gaan, met de man of vrouw die hij aan de Heer wilde geven. De priester zal dan een bedrag vaststellen dat hij wel kan betalen.

Beloftes over dieren

9Als iemand een dier gaat offeren aan de Heer, is dat dier heilig. 10Het dier mag niet meer geruild worden voor een ander dier. Als dat wel gebeurt, zijn beide dieren voor de Heer. Dan zijn ze allebei heilig.

11Onreine dieren mogen niet aan de Heer geofferd worden. Als iemand toch een onrein dier aan de Heer belooft, moet hij het naar de priester brengen. 12De priester moet bepalen hoeveel het dier waard is. Iemand die het dier wil hebben, moet dat bedrag betalen. 13Maar stel dat de eigenaar het dier toch zelf wil houden. Dan moet ook hij dat bedrag betalen, plus nog 20 procent.

Beloftes over huizen

14Stel dat iemand belooft om zijn huis aan de Heer te geven. Dan moet de priester vaststellen hoeveel dat huis waard is. Iemand die het huis wil hebben, moet dat bedrag betalen. 15Maar stel dat de eigenaar zijn huis toch zelf wil houden. Dan moet ook hij dat bedrag betalen, plus nog 20 procent. Daarna is het huis weer zijn eigendom.

Beloftes over stukken grond

16Stel dat iemand belooft om een stuk grond aan de Heer te geven. Dan moet hij een bedrag aan de priesters betalen, maar de grond wel zelf blijven bewerken. Er moet vastgesteld worden hoeveel de grond waard is. De waarde hangt af van de hoeveelheid zaad die nodig is om er te zaaien. Per 300 kilo zaad moeten er 50 zilverstukken betaald worden.

17Als iemand de belofte meteen na het heilige vijftigste jaar doet, moet hij het hele vastgestelde bedrag betalen. 18Maar als hij het een paar jaar later belooft, dan mag hij minder betalen. De priester moet het bedrag uitrekenen. Het hangt af van het aantal jaren dat voorbijgegaan is na het vijftigste jaar.

19Stel dat iemand een stuk grond aan de Heer beloofd heeft, maar het toch zelf wil houden. Dan moet hij het hele bedrag betalen, plus nog 20 procent. Dan is de grond weer van hemzelf.

20Stel dat iemand een stuk grond aan een ander verkoopt, maar de grond was eigenlijk voor de Heer. Dan mag hij de grond nooit meer terugkopen. 21En in het vijftigste jaar is de grond voor de Heer. De priesters krijgen het dan in bezit.

22Stel dat iemand een stuk grond huurt van iemand anders. En stel dat hij die grond aan de Heer belooft. 23Dan moet de priester uitrekenen wat de grond waard is. Het bedrag hangt af van het aantal jaren tot het vijftigste jaar. Het moet meteen betaald worden, het is voor de Heer. 24In het vijftigste jaar moet de grond weer teruggegeven worden aan de eigenaar. Want het was zijn eigendom.

25Alle bedragen moeten door de priesters vastgesteld worden.

Uitzonderingen

26Het eerste jong van een koe, een schaap of een geit is altijd voor de Heer. Daarom kan het niet aan hem beloofd worden. 27Als het eerste jong onrein is, moet er in plaats van dat dier een bedrag betaald worden. De priester moet vaststellen wat het dier waard is. Dat bedrag moet de eigenaar dan betalen, plus nog 20 procent. Als hij het dier niet zelf wil houden, moet het verkocht worden.

28Stel dat iemand iets van zijn bezit heilig verklaart en apart houdt voor de Heer. Dan mag dat nooit aan een ander verkocht worden, en het mag ook niet teruggekocht worden. Het maakt niet uit of het een slaaf, een dier of een stuk grond is. Als iemand iets apart houdt voor de Heer, is het heel heilig.

29Als iemand een vijand gevangenneemt, is die vijand bestemd voor de Heer. Die vijand moet gedood worden. Er mag niet in plaats daarvan een bedrag betaald worden.

Een tiende deel is voor de Heer

30Van de oogst van akkers en fruitbomen is een tiende deel voor de Heer. Dat deel is heilig. 31Als iemand iets daarvan terug wil kopen, moet hij 20 procent meer betalen dan het waard is.

32Als iemand zijn koeien, schapen en geiten telt, moet hij elk tiende dier apart zetten. Elk tiende dier is een offer voor de Heer. Het is heilig. 33Er mag niet eerst gekeken worden of dat tiende dier wel een goed dier is. En er mag later ook geen dier geruild worden. Als dat wel gebeurt, zijn beide dieren voor de Heer. Ze zijn dan allebei heilig. En die beide dieren mogen ook niet teruggekocht worden.’’

Slot

34Dat zijn de regels die de Heer bekendgemaakt heeft op de berg Sinai. Mozes moest die regels doorgeven aan de Israëlieten.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]