Bijbel in Gewone Taal (BGT)
24

Regels over voorwerpen in de heilige tent

De lampen

241De Heer zei verder tegen Mozes: 2-4‘In de heilige tent, voor het gordijn dat voor de heilige kist hangt, staat de gouden kandelaar. Aäron moet ervoor zorgen dat de lampen op de kandelaar altijd blijven branden. Daarom moeten de Israëlieten ervoor zorgen dat er altijd zuivere olijfolie in de heilige tent is. Dan kan het licht de hele nacht voor mij blijven branden.

Die regel geldt voor altijd. Ook jullie nakomelingen moeten zich eraan houden.

De offerbroden

5Laat twaalf offerbroden bakken van fijn meel. Elk brood moet 5 kilo wegen. 6Leg de broden op de gouden tafel die in de heilige ruimte staat, in twee rijen van zes broden. 7Bij elke rij moet je zuivere wierook branden. Die wierook is een offer voor mij, in plaats van het brood. 8-9Want de broden zijn bestemd voor de priesters. Zij mogen altijd een deel van de offers hebben.

Aäron en zijn nakomelingen mogen het brood dus eten. Ze moeten het eten op een heilige plaats, want het offer is heel heilig.

De priester moet namens alle Israëlieten elke sabbat nieuwe offerbroden voor mij neerleggen. Die regel geldt voor altijd.’

Dezelfde regels voor iedereen

Iemand die vloekt, moet gedood worden

10-11Bij de Israëlieten woonde een man die een Egyptische vader had en een Israëlitische moeder. Zij was een dochter van Dibri uit de stam Dan, en ze heette Selomit.

Op een dag kreeg de man ruzie met een Israëliet. De man begon te vloeken en gebruikte daarbij de naam van de Heer. Daarom werd de man naar Mozes gebracht, 12en hij werd opgesloten. Want Mozes wilde van de Heer horen wat hij met de man moest doen.

13Toen zei de Heer tegen Mozes: 14‘Breng de man die gevloekt heeft, buiten het kamp. Iedereen die de man heeft horen vloeken, moet zijn hand op het hoofd van de man leggen. En daarna moet iedereen net zo lang stenen naar hem gooien totdat hij dood is.’

Voor iedereen gelden dezelfde regels

15De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Iemand die vloekt, is schuldig 16en moet gedood worden. Het hele volk moet net zo lang stenen naar hem gooien tot hij dood is. Iedereen die mijn naam zomaar gebruikt, moet gedood worden. Dat geldt voor jullie en voor de vreemdelingen die bij jullie wonen.

17Ook iemand die een ander mens doodslaat, moet gedood worden. 18Maar iemand die een koe, een schaap of een geit van een ander doodt, moet daarvoor betalen. 19-21Dus als iemand een dier doodt, moet hij een nieuw dier kopen. Maar als iemand een mens doodt, moet hij zelf gedood worden.

Stel dat iemand een ander iets aandoet. Hij zorgt er bijvoorbeeld voor dat die ander een bot breekt, of een oog of een tand verliest. Dan moet met hem hetzelfde gedaan worden. Dat is zijn straf.

22Die regels gelden voor iedereen. Dus voor jullie en voor de vreemdelingen die bij jullie wonen. Ik ben de Heer, jullie God.’’

De man die vloekte, wordt gedood

23Mozes vertelde dat aan de Israëlieten. Toen brachten zij de man die gevloekt had, naar een plek buiten het kamp. Daar gooiden ze hem met stenen dood. Zo deden de Israëlieten wat de Heer tegen Mozes gezegd had.

25

De grond moet rust krijgen

Het zevende jaar

251De Heer zei op de berg Sinai tegen Mozes: 2‘Zeg namens mij tegen de Israëlieten: ‘Over een tijd komen jullie in het land dat ik, de Heer, aan jullie zal geven. In dat land moet de grond telkens in het zevende jaar rust krijgen. Dat jaar is voor mij bestemd.

3Zes jaar lang mogen jullie werken en oogsten op jullie akkers en in jullie wijngaarden. 4Maar in het zevende jaar moet je de grond rust geven. Het is een heilig jaar, ter ere van mij. Je mag dan beslist niet zaaien op je akker of werken in je wijngaard.

5Wat er dan vanzelf op je land opkomt, mag je niet oogsten. Want je moet de grond dat jaar rust geven. 6Maar iedereen mag wel eten van wat er op het land groeit. Ook je slaven en slavinnen, je knechten, en de vreemdelingen die bij je wonen, mogen eten wat er vanzelf groeit. 7En hetzelfde geldt voor je koeien, je schapen en je geiten, en voor alle andere dieren.

Het vijftigste jaar

8Telkens in het zevende jaar moeten jullie de grond rust geven. Dat moet zeven keer gebeuren. Na de zevende keer, dus na 49 jaar, volgt er een bijzonder jaar. 9-10Dat vijftigste jaar is een heel heilig jaar. Het begint op de tiende dag van de zevende maand, dus op Grote Verzoendag. Dan moet er in het hele land hard op de trompet geblazen worden.

In dat jaar geldt: schulden hoeven niet terugbetaald te worden, en alle slaven mogen terugkeren naar hun eigen grond en naar hun familie. Het is een heilig jaar.

11Jullie mogen ook in dat vijftigste jaar de grond niet bewerken. Je mag niet werken of oogsten op je akkers en in je wijngaarden. 12Want het is een bijzonder jaar, een heel heilig jaar. Jullie mogen alleen eten wat er vanzelf op je akkers groeit. 13En in dat jaar moet iedereen terug kunnen keren naar zijn eigen grond.

Als je een akker koopt of verkoopt

14Als je een akker verkoopt aan een andere Israëliet, moet je een eerlijke prijs berekenen. En als je iets van een ander koopt, moet de prijs ook eerlijk zijn. 15-16De prijs moet afhangen van de tijd die voorbijgegaan is na het vijftigste jaar. Als er nog maar korte tijd voorbijgegaan is, mag je een hoge prijs vragen. Want dan kan de nieuwe eigenaar nog vaak van de akker oogsten. Maar als het alweer bijna het vijftigste jaar is, moet de prijs lager zijn. Want dan kan iemand niet meer zo vaak oogsten.

17Jullie moeten andere Israëlieten eerlijk behandelen. Anders hebben jullie geen eerbied voor mij. Ik ben de Heer, jullie God.

Over de oogst

18Houd je aan mijn wetten en regels. Dan zullen jullie zonder zorgen in jullie land wonen. 19De grond zal vruchtbaar zijn, zodat er meer dan genoeg te eten is.

20Telkens in het zevende jaar mag je niet zaaien of oogsten. Maar je hoeft niet bang te zijn dat je dan niets te eten hebt. 21Want ik zal ervoor zorgen dat de oogst in het zesde jaar heel groot is. Zo groot dat je ook genoeg zult hebben voor het zevende, het achtste en zelfs het negende jaar. 22In het achtste jaar mag je wel weer zaaien om te zorgen voor een nieuwe oogst. In het negende jaar zal er ook nog genoeg te eten zijn, tot je de oogst weer binnengehaald hebt.

Als iemand zijn grond moet verkopen

23Het land is niet van jullie, maar van mij, de Heer. Ik laat jullie daar als gast wonen. Dus als iemand grond koopt, wordt dat nooit echt zijn bezit. 24Iedereen, in het hele land, houdt altijd het recht om zijn grond terug te kopen.

25Stel dat iemand arm wordt en daarom een deel van zijn grond verkoopt. Dan kan een familielid die grond voor hem terugkopen. Want familieleden moeten voor elkaar zorgen.

26Maar misschien is er geen familielid dat die grond terug kan kopen. En de eerste eigenaar heeft later misschien zelf weer genoeg geld om de grond terug te kopen. 27Dan moet er uitgerekend worden hoe lang het nog duurt voordat het weer het vijftigste jaar is. De eerste eigenaar moet het bedrag betalen dat de grond op dat moment nog waard is. Dan is de grond weer van hem.

28Als de eerste eigenaar niet genoeg geld heeft om zijn grond terug te kopen, moet hij wachten tot het vijftigste jaar. Dan krijgt hij de grond terug, omdat het een heilig jaar is.

Als iemand zijn huis moet verkopen

29Stel dat iemand die in een stad woont, zijn huis verkoopt. Dan heeft hij een jaar de tijd om het terug te kopen. 30Als hij het niet binnen een jaar terugkoopt, blijft het voor altijd van de koper. De eerste eigenaar krijgt zijn huis dus niet terug in het vijftigste jaar. Die regel geldt voor huizen in een stad.

31Als iemand in een dorp zijn huis verkoopt, gelden dezelfde regels als bij het verkopen van grond. Een huis in een dorp mag altijd teruggekocht worden. En de eerste eigenaar krijgt het in ieder geval terug in het vijftigste jaar.

Regels voor Levieten

32Levieten wonen in steden die speciaal voor hen aangewezen zijn. Zij mogen hun huis altijd terugkopen. 33En als ze hun huis niet terug kunnen kopen, krijgen ze het in ieder geval terug in het vijftigste jaar. De huizen in die steden moeten altijd van de Levieten blijven.

34De stukken land die bij de steden van de Levieten horen, mogen nooit verkocht worden. Die stukken land blijven altijd het bezit van de Levieten.

Zorg voor arme mensen

35Stel dat iemand arm wordt, en niet meer voor zichzelf kan zorgen. Dan moeten jullie voor hem zorgen, net zoals jullie zorgen voor een vreemdeling die een tijd bij jullie woont. Jullie mogen arme mensen niet in de steek laten.

36-37Als je geld leent aan iemand die arm is, mag je daar geen rente voor vragen. Als je dat wel doet, heb je geen eerbied voor mij, de Heer, je God. En als je voedsel verkoopt aan iemand die arm is, laat hem dan niet meer betalen dan de gewone prijs.

38Ik ben de Heer, jullie God. Ik heb jullie uit Egypte bevrijd, en het land Kanaän aan jullie gegeven. Zo heb ik laten zien dat ik jullie God ben.

Als iemand zich verkoopt aan een Israëliet

39Stel dat een Israëliet arm wordt en zichzelf verkoopt aan een andere Israëliet. Dan mag hij niet als slaaf behandeld worden. 40Hij moet behandeld worden als een arbeider die loon krijgt, of als een vreemdeling die bij jullie woont. Tot het vijftigste jaar moet zo iemand voor zijn eigenaar werken. 41Maar in het vijftigste jaar mag hij weer weggaan. Dan mag hij samen met zijn gezin teruggaan naar zijn familie en zijn eigen grond.

42Alle Israëlieten zijn van mij. Ik heb hen uit Egypte bevrijd. Daarom mag een Israëliet niet als slaaf verkocht worden. 43En jullie mogen niemand uit je eigen volk als slaaf behandelen. Jullie moeten eerbied hebben voor mij, de Heer.

44Als je een slaaf of een slavin nodig hebt, kun je iemand uit een ander volk kopen. 45Ook vreemdelingen die bij jullie wonen, en hun nakomelingen, kun je als slaaf kopen. Die slaven en slavinnen zijn je bezit. 46Je kunt die slaven dus aan je kinderen geven als erfenis. Ze zullen voor altijd als slaaf voor jullie moeten werken.

Maar een Israëliet mag je nooit als slaaf behandelen. Want jullie horen bij hetzelfde volk.

Als iemand zich verkoopt aan een vreemdeling

47Stel dat een Israëliet arm wordt en zichzelf verkoopt aan een rijke vreemdeling die bij jullie woont. 48-49Dan kan een broer, een oom, een neef of een ander familielid hem terugkopen, en dan is hij weer vrij. Als hij zelf weer genoeg geld heeft, kan hij zich ook zelf vrijkopen.

50Hij moet met de vreemdeling uitrekenen hoe lang het duurt voordat het weer het vijftigste jaar is. Voor elk jaar moet een bedrag betaald worden dat een arbeider in een jaar verdient. 51Kort na het vijftigste jaar is de prijs hoog. 52Maar als het alweer bijna het vijftigste jaar is, is de prijs laag. 53-54In het vijftigste jaar moet de man in ieder geval vrijgelaten worden, samen met zijn kinderen.

Vreemdelingen moeten arme Israëlieten steeds goed behandelen. Arme Israëlieten moeten net zo behandeld worden als arbeiders die loon krijgen. Alle Israëlieten moeten daarop letten.

55Alle Israëlieten zijn van mij. Ik heb jullie uit Egypte bevrijd. Ik ben de Heer, jullie God.’’

26

Houd je aan Gods wetten

Vereer alleen de Heer

261De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Jullie mogen geen godenbeelden maken, en nergens in het land godenbeelden of heilige stenen neerzetten. En zet ook geen stenen met afbeeldingen neer om te vereren. Ik ben de Heer, jullie God.

2Houd je altijd aan de sabbat. En gedraag je eerbiedig als je naar mijn heilige tent gaat. Ik ben de Heer.

Beloningen

3Houd je precies aan mijn wetten en regels. 4Dan zal ik ervoor zorgen dat er op de juiste tijd regen valt. Er zal veel groeien op de akkers, en de bomen zullen veel vruchten krijgen. 5Jullie zullen altijd veel kunnen zaaien en oogsten. Er zal altijd meer dan genoeg te eten zijn. En jullie kunnen zonder zorgen in het land wonen.

6Ik zal ervoor zorgen dat er vrede is. Dan kunnen jullie rustig leven en hoeven jullie nergens bang voor te zijn. Ik zal alle wilde dieren uit het land wegjagen. Er zal geen oorlog zijn. 7En als vijanden jullie aanvallen, zullen jullie ze verjagen en ze allemaal doden. 8Er zullen maar vijf soldaten nodig zijn om honderd vijanden te verslaan. En met honderd soldaten zullen jullie tienduizend vijanden kunnen verslaan. Jullie zullen al je vijanden doden.

9Ik zal voor jullie zorgen. Jullie zullen veel kinderen krijgen en een groot volk worden. Ik zal alles doen wat ik jullie beloofd heb.

10Jullie zullen altijd meer dan genoeg kunnen oogsten. Er zal nooit te weinig voedsel zijn.

11Ik zal bij jullie wonen, en altijd bij jullie blijven. 12Ik zal jullie nooit in de steek laten. Ik ben jullie God, en jullie zijn mijn volk. 13Ik ben de Heer, jullie God. Ik heb jullie bevrijd uit Egypte. Want ik wilde niet dat jullie nog langer slaven zouden zijn. Daarom heb ik ervoor gezorgd dat jullie vrij zijn en als vrije mensen kunnen leven.

Straffen

14Jullie moeten mij altijd gehoorzamen, en leven volgens mijn regels. 15Maar stel dat jullie niet naar mijn regels luisteren, en geen respect hebben voor mijn wetten. En stel dat jullie mij niet langer gehoorzamen. 16Dan zal ik jullie verschrikkelijk straffen! Jullie zullen allerlei vreselijke ziektes krijgen, met koorts en ontstekingen. En jullie zullen langzaam sterven.

Jullie zullen wel zaaien op je akkers, maar jullie vijanden zullen de oogst opeten. 17Ik zal jullie in de steek laten, zodat jullie verslagen worden door jullie vijanden. Dan zullen zij over jullie heersen. En jullie zullen altijd blijven vluchten, zelfs als niemand jullie achtervolgt.

18Als jullie dan nog niet gehoorzaam willen zijn, zal ik jullie nog strenger straffen. 19Ik zal een einde maken aan jullie macht. Dan hebben jullie niets meer om trots op te zijn. Er zal geen regen meer uit de hemel komen, en de zon zal zo fel branden dat het land verdroogt. 20Jullie zullen hard werken op het land, maar dat zal niets opleveren. Want er zal niets groeien op de akkers, en de bomen zullen geen vruchten krijgen.

21Als jullie je dan nog steeds tegen mij verzetten en niet luisteren, zal ik jullie nog veel strenger straffen. 22Ik zal wilde dieren op jullie afsturen. Die zullen je kinderen doden en je vee verscheuren. Dan blijven er maar weinig mensen over.

Nog meer straffen

23Als jullie dan nog niets geleerd hebben, en jullie blijven je tegen mij verzetten, 24zal ik me tegen jullie verzetten. Ik zal jullie nog veel strenger straffen. 25Als jullie mij niet gehoorzamen, zal ik vijanden op jullie afsturen. En als jullie voor hen wegvluchten naar je steden, zal ik daar de pest laten uitbreken. Dan zullen jullie door je vijanden verslagen worden.

26Ik zal jullie honger laten lijden. Er zal heel weinig graan zijn. Zo weinig, dat tien vrouwen genoeg hebben aan één oven om brood te bakken. En het brood dat ze bakken, zal met veel mensen gedeeld moeten worden. Jullie zullen maar net genoeg te eten hebben.

27Als jullie dan nog niet naar mij luisteren, en jullie blijven je tegen mij verzetten, 28zal ik me tegen jullie verzetten. En dan zal ik jullie nog veel strenger straffen. 29Jullie zullen zo’n honger krijgen dat jullie je eigen kinderen opeten.

30Ik zal jullie offerplaatsen verwoesten en jullie altaren vernietigen. Ik zal jullie dode lichamen boven op jullie godenbeelden gooien. Ik zal jullie haten! 31Ik zal jullie steden volledig verwoesten, net als jullie heilige plaatsen. En ik zal jullie offers niet meer aannemen.

32Ik zal het land veranderen in een woestijn. Zelfs de vijanden in jullie land zullen er niet meer willen wonen. 33Jullie zullen moeten vluchten voor jullie vijanden, en in verre landen terechtkomen. Jullie land zal een woestijn worden, en jullie steden zullen in puin liggen.

De grond moet rust krijgen

34-35Denk erom: Jullie moeten ervoor zorgen dat de grond rust krijgt. Telkens in het zevende jaar mogen jullie niets zaaien of oogsten. Als jullie niet voor rust zorgen, zal ik dat doen. Dan zal de grond rust krijgen als jullie in het land van je vijanden wonen.

36-37Iedereen van jullie die nog in het land van jullie vijanden leeft, zal altijd bang zijn. Ik zal ervoor zorgen dat jullie al schrikken als er een blaadje beweegt. Jullie zullen in paniek raken en over elkaar heen struikelen. Jullie zullen steeds blijven vluchten, ook als niemand jullie achtervolgt. Jullie zullen sterven, ook als er geen vijanden zijn.

38Jullie zullen allemaal sterven in de landen van jullie vijanden, ver van huis. 39De laatste mensen zullen langzaam sterven van verdriet, om alles wat zij en hun voorouders verkeerd gedaan hebben.

God blijft trouw

40-42Als jullie mij ontrouw zijn, zal ik jullie wegjagen naar de landen van jullie vijanden. Maar als jullie spijt hebben, zal ik denken aan mijn afspraken met Jakob, Isaak en Abraham. Ik heb hun beloofd om altijd trouw te blijven. Dus als jullie je fouten toegeven, zal ik weer voor jullie land zorgen. Maar dan moeten jullie hardop zeggen wat jullie en je voorouders verkeerd gedaan hebben. Dan moeten jullie eerlijk toegeven dat jullie je tegen mij verzet hebben.

43Maar de grond zal eerst rust moeten krijgen. Jullie moeten daarvoor zorgen door telkens in het zevende jaar niets te zaaien of te oogsten. Maar stel dat jullie dat niet doen. Stel dat jullie niet luisteren naar mijn regels, en geen respect hebben voor mijn wetten. Dan zal ik jullie straffen.

44Toch zal ik jullie nooit helemaal loslaten. Zelfs niet als ik jullie naar het land van jullie vijanden stuur. Al krijg ik nog zo’n hekel aan jullie, ik zal jullie niet helemaal vernietigen. Want dan zou ik niet trouw zijn aan mijn afspraken met jullie. Ik ben de Heer, jullie God. 45Ik zal blijven denken aan de belofte die ik gedaan heb aan jullie voorouders. Ik heb hen bevrijd uit Egypte. Zo heb ik laten zien dat ik jullie God ben. Ik ben de Heer.’’

Slot

46Dat zijn alle wetten en regels die de Heer bekendmaakte op de berg Sinai. Mozes moest die regels doorgeven aan de Israëlieten.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]