Bijbel in Gewone Taal (BGT)
23

Regels over feestdagen

231De Heer zei verder tegen Mozes: 2‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Nu volgen er regels over de feestdagen voor de Heer. Het zijn heilige dagen, die jullie samen moeten vieren.

De sabbat

3Zes dagen mogen jullie werken, maar op de zevende dag is het sabbat. Dan mag er beslist niet gewerkt worden. Jullie moeten die heilige dag samen vieren. Die regel geldt overal, waar jullie ook wonen. Het is een feestdag ter ere van de Heer.

4Ook de andere feesten moeten jullie samen vieren. Het zijn heilige dagen. Alle feesten moeten op vaste dagen gevierd worden.

Het Feest van het Brood zonder Gist

5Op de veertiende dag van de eerste maand, als het avond wordt, moeten jullie een lam offeren. Dat lam is bestemd voor de paasmaaltijd ter ere van de Heer.

6De volgende dag begint het Feest van het Brood zonder Gist, ter ere van de Heer. Zeven dagen lang moeten jullie dan brood zonder gist eten. 7-8En elke dag moet er een offer gebracht worden aan de Heer.

De eerste en de zevende dag van dat feest zijn heilige dagen. Die moeten jullie samen vieren. Op die dagen mogen jullie niet werken.’’

Offers bij de graanoogst

9De Heer zei verder tegen Mozes: 10‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Over een tijd wonen jullie in het land dat de Heer jullie zal geven. Het eerste koren dat je dan van het land haalt, moet je naar de priester brengen. 11Dat koren moet de priester op de dag na de sabbat omhooghouden bij het grote altaar. Dan zal de Heer het als offer aannemen.

12Tegelijk met het koren moeten jullie ook een ram aanbieden aan de Heer. De ram moet één jaar oud zijn. Hij moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben. Het dier moet helemaal verbrand worden als offer voor de Heer.

13Verder moeten jullie ook een graanoffer brengen van 5 kilo fijn meel, gemengd met olijfolie. Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt. Er hoort ook een wijnoffer van 2 liter wijn bij.

14Na de oogst moeten jullie van het eerste koren meteen een offer aan jullie God brengen. Pas daarna mag je zelf graan van de nieuwe oogst eten, of graan gebruiken om brood te bakken.

Die regels gelden voor altijd. Ook al jullie nakomelingen moeten zich eraan houden, waar ze ook wonen.

Het Wekenfeest

15-16Vijftig dagen later moeten jullie opnieuw een graanoffer aan de Heer brengen. Tel vanaf de dag na de sabbat waarop de priester het eerste koren aan de Heer geofferd heeft. En tel door tot de dag na de zevende sabbat: vijftig dagen dus.

17Iedereen moet dan twee broden meenemen uit zijn woonplaats. Elk brood moet met gist gebakken zijn, van 2,5 kilo fijn meel. De broden moeten omhooggehouden worden voor de Heer. Ze zijn een offer om de Heer te danken voor de eerste graanoogst.

18Offer tegelijk met het brood zeven rammen van één jaar oud. Ze moeten gezond zijn en mogen geen gebreken hebben. Offer ook een stier en twee volwassen rammen. De dieren moeten helemaal verbrand worden als offer voor de Heer. Samen met de graanoffers en wijnoffers die erbij horen, is het een offer met een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

19Jullie moeten ook een bok offeren om jullie fouten goed te maken.

Ten slotte moeten jullie twee rammen van één jaar oud offeren voor een feestmaal. 20De priester moet die rammen tegelijk met de twee broden omhooghouden bij het grote altaar. Zo wordt het offer heilig voor de Heer. Daarna mag de priester het vlees en het brood opeten.

21Die vijftigste dag is een heilige dag, die jullie samen moeten vieren. Jullie mogen dan niet werken. Die regel geldt voor altijd. Ook al jullie nakomelingen moeten zich eraan houden, waar ze ook wonen.

Het binnenhalen van de oogst

22Als jullie koren maaien, mogen jullie niet tot aan de rand van de akker maaien. En als er na de oogst nog koren blijft liggen, mogen jullie dat niet oprapen. Want alles wat blijft liggen, is voor de arme mensen en de vreemdelingen. Ik ben de Heer, jullie God.’’

De speciale rustdag

23De Heer zei verder tegen Mozes: 24‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘De eerste dag van de zevende maand is een speciale rustdag. Er moet dan op de trompet geblazen worden, als teken dat het een heilige dag is. Jullie moeten die dag samen vieren. 25Jullie mogen dan niet werken, en jullie moeten een offer aanbieden aan de Heer.’’

Grote Verzoendag

26De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: 27‘Let op! Op de tiende dag van de zevende maand is het Grote Verzoendag. Het is een heilige dag, die jullie samen moeten vieren. Jullie moeten die dag vasten, en een offer brengen aan de Heer. 28Jullie mogen beslist niet werken, want het is Grote Verzoendag. Op die dag zal de priester ervoor zorgen dat de Heer al jullie fouten vergeeft.

29Iemand die op die dag toch iets eet of drinkt, mag niet meer bij het volk van Israël horen. 30En iemand die toch werkt, zal door de Heer weggejaagd worden uit het volk. 31Jullie mogen op die dag dus beslist niet werken. Die regel geldt voor altijd. Ook jullie nakomelingen moeten zich eraan houden, waar ze ook wonen.

32Je moet op die dag dus vasten, en je mag beslist niet werken. Dat geldt vanaf de avond van de negende dag van de zevende maand tot de avond van de tiende dag.’’

Loofhuttenfeest

33De Heer zei verder tegen Mozes: 34‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Op de vijftiende dag van de zevende maand begint het Loofhuttenfeest. Het is een feest ter ere van de Heer, dat zeven dagen duurt.

35De eerste dag van het feest is een heilige dag, die jullie samen moeten vieren. Niemand mag dan werken. 36Op elke dag van het feest moeten jullie een offer brengen aan de Heer. Ook de dag na het feest is een heilige dag, die jullie samen moeten vieren. Ook dan moeten jullie een offer aanbieden aan de Heer. Het is een feestelijke dag, en niemand mag dan werken.

37-43Let op! Het Loofhuttenfeest begint dus op de vijftiende dag van de zevende maand. Het begint als jullie de oogst van het land binnengehaald hebben. Op de eerste dag en op de dag na het feest mogen jullie niet werken.

Op de eerste dag van het feest moeten jullie mooie vruchten plukken. Jullie moeten ook takken afsnijden van palmbomen en andere bomen met veel bladeren. Alle Israëlieten moeten hutten maken van die takken. En zeven dagen lang moeten jullie in die hutten wonen. Want de Heer, jullie God, liet jullie in zulke hutten wonen toen hij jullie uit Egypte weghaalde. Dat moeten ook jullie nakomelingen weten.

Vier dit feest ter ere van de Heer elk jaar in de zevende maand, zeven dagen lang.

Die regels gelden voor altijd. Ook jullie nakomelingen moeten zich eraan houden.

Slot

Dat zijn alle feesten voor de Heer die jullie samen moeten vieren als heilige dagen. Jullie moeten op die dagen offers aanbieden aan de Heer. Bij elk feest horen bepaalde offers. Dat kunnen offers zijn die je helemaal moet verbranden, of offers bij een feestmaal, of graanoffers of wijnoffers.

Behalve die offers bij de feesten voor de Heer, zijn er ook nog andere offers: offers die je elke sabbat moet brengen, offers die je beloofd hebt, en offers die je vrijwillig brengt. En je kunt ook speciale geschenken aanbieden aan de Heer.’’

44Dat zijn de regels over de feesten voor de Heer die Mozes aan de Israëlieten bekendgemaakt heeft.

24

Regels over voorwerpen in de heilige tent

De lampen

241De Heer zei verder tegen Mozes: 2-4‘In de heilige tent, voor het gordijn dat voor de heilige kist hangt, staat de gouden kandelaar. Aäron moet ervoor zorgen dat de lampen op de kandelaar altijd blijven branden. Daarom moeten de Israëlieten ervoor zorgen dat er altijd zuivere olijfolie in de heilige tent is. Dan kan het licht de hele nacht voor mij blijven branden.

Die regel geldt voor altijd. Ook jullie nakomelingen moeten zich eraan houden.

De offerbroden

5Laat twaalf offerbroden bakken van fijn meel. Elk brood moet 5 kilo wegen. 6Leg de broden op de gouden tafel die in de heilige ruimte staat, in twee rijen van zes broden. 7Bij elke rij moet je zuivere wierook branden. Die wierook is een offer voor mij, in plaats van het brood. 8-9Want de broden zijn bestemd voor de priesters. Zij mogen altijd een deel van de offers hebben.

Aäron en zijn nakomelingen mogen het brood dus eten. Ze moeten het eten op een heilige plaats, want het offer is heel heilig.

De priester moet namens alle Israëlieten elke sabbat nieuwe offerbroden voor mij neerleggen. Die regel geldt voor altijd.’

Dezelfde regels voor iedereen

Iemand die vloekt, moet gedood worden

10-11Bij de Israëlieten woonde een man die een Egyptische vader had en een Israëlitische moeder. Zij was een dochter van Dibri uit de stam Dan, en ze heette Selomit.

Op een dag kreeg de man ruzie met een Israëliet. De man begon te vloeken en gebruikte daarbij de naam van de Heer. Daarom werd de man naar Mozes gebracht, 12en hij werd opgesloten. Want Mozes wilde van de Heer horen wat hij met de man moest doen.

13Toen zei de Heer tegen Mozes: 14‘Breng de man die gevloekt heeft, buiten het kamp. Iedereen die de man heeft horen vloeken, moet zijn hand op het hoofd van de man leggen. En daarna moet iedereen net zo lang stenen naar hem gooien totdat hij dood is.’

Voor iedereen gelden dezelfde regels

15De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Iemand die vloekt, is schuldig 16en moet gedood worden. Het hele volk moet net zo lang stenen naar hem gooien tot hij dood is. Iedereen die mijn naam zomaar gebruikt, moet gedood worden. Dat geldt voor jullie en voor de vreemdelingen die bij jullie wonen.

17Ook iemand die een ander mens doodslaat, moet gedood worden. 18Maar iemand die een koe, een schaap of een geit van een ander doodt, moet daarvoor betalen. 19-21Dus als iemand een dier doodt, moet hij een nieuw dier kopen. Maar als iemand een mens doodt, moet hij zelf gedood worden.

Stel dat iemand een ander iets aandoet. Hij zorgt er bijvoorbeeld voor dat die ander een bot breekt, of een oog of een tand verliest. Dan moet met hem hetzelfde gedaan worden. Dat is zijn straf.

22Die regels gelden voor iedereen. Dus voor jullie en voor de vreemdelingen die bij jullie wonen. Ik ben de Heer, jullie God.’’

De man die vloekte, wordt gedood

23Mozes vertelde dat aan de Israëlieten. Toen brachten zij de man die gevloekt had, naar een plek buiten het kamp. Daar gooiden ze hem met stenen dood. Zo deden de Israëlieten wat de Heer tegen Mozes gezegd had.

25

De grond moet rust krijgen

Het zevende jaar

251De Heer zei op de berg Sinai tegen Mozes: 2‘Zeg namens mij tegen de Israëlieten: ‘Over een tijd komen jullie in het land dat ik, de Heer, aan jullie zal geven. In dat land moet de grond telkens in het zevende jaar rust krijgen. Dat jaar is voor mij bestemd.

3Zes jaar lang mogen jullie werken en oogsten op jullie akkers en in jullie wijngaarden. 4Maar in het zevende jaar moet je de grond rust geven. Het is een heilig jaar, ter ere van mij. Je mag dan beslist niet zaaien op je akker of werken in je wijngaard.

5Wat er dan vanzelf op je land opkomt, mag je niet oogsten. Want je moet de grond dat jaar rust geven. 6Maar iedereen mag wel eten van wat er op het land groeit. Ook je slaven en slavinnen, je knechten, en de vreemdelingen die bij je wonen, mogen eten wat er vanzelf groeit. 7En hetzelfde geldt voor je koeien, je schapen en je geiten, en voor alle andere dieren.

Het vijftigste jaar

8Telkens in het zevende jaar moeten jullie de grond rust geven. Dat moet zeven keer gebeuren. Na de zevende keer, dus na 49 jaar, volgt er een bijzonder jaar. 9-10Dat vijftigste jaar is een heel heilig jaar. Het begint op de tiende dag van de zevende maand, dus op Grote Verzoendag. Dan moet er in het hele land hard op de trompet geblazen worden.

In dat jaar geldt: schulden hoeven niet terugbetaald te worden, en alle slaven mogen terugkeren naar hun eigen grond en naar hun familie. Het is een heilig jaar.

11Jullie mogen ook in dat vijftigste jaar de grond niet bewerken. Je mag niet werken of oogsten op je akkers en in je wijngaarden. 12Want het is een bijzonder jaar, een heel heilig jaar. Jullie mogen alleen eten wat er vanzelf op je akkers groeit. 13En in dat jaar moet iedereen terug kunnen keren naar zijn eigen grond.

Als je een akker koopt of verkoopt

14Als je een akker verkoopt aan een andere Israëliet, moet je een eerlijke prijs berekenen. En als je iets van een ander koopt, moet de prijs ook eerlijk zijn. 15-16De prijs moet afhangen van de tijd die voorbijgegaan is na het vijftigste jaar. Als er nog maar korte tijd voorbijgegaan is, mag je een hoge prijs vragen. Want dan kan de nieuwe eigenaar nog vaak van de akker oogsten. Maar als het alweer bijna het vijftigste jaar is, moet de prijs lager zijn. Want dan kan iemand niet meer zo vaak oogsten.

17Jullie moeten andere Israëlieten eerlijk behandelen. Anders hebben jullie geen eerbied voor mij. Ik ben de Heer, jullie God.

Over de oogst

18Houd je aan mijn wetten en regels. Dan zullen jullie zonder zorgen in jullie land wonen. 19De grond zal vruchtbaar zijn, zodat er meer dan genoeg te eten is.

20Telkens in het zevende jaar mag je niet zaaien of oogsten. Maar je hoeft niet bang te zijn dat je dan niets te eten hebt. 21Want ik zal ervoor zorgen dat de oogst in het zesde jaar heel groot is. Zo groot dat je ook genoeg zult hebben voor het zevende, het achtste en zelfs het negende jaar. 22In het achtste jaar mag je wel weer zaaien om te zorgen voor een nieuwe oogst. In het negende jaar zal er ook nog genoeg te eten zijn, tot je de oogst weer binnengehaald hebt.

Als iemand zijn grond moet verkopen

23Het land is niet van jullie, maar van mij, de Heer. Ik laat jullie daar als gast wonen. Dus als iemand grond koopt, wordt dat nooit echt zijn bezit. 24Iedereen, in het hele land, houdt altijd het recht om zijn grond terug te kopen.

25Stel dat iemand arm wordt en daarom een deel van zijn grond verkoopt. Dan kan een familielid die grond voor hem terugkopen. Want familieleden moeten voor elkaar zorgen.

26Maar misschien is er geen familielid dat die grond terug kan kopen. En de eerste eigenaar heeft later misschien zelf weer genoeg geld om de grond terug te kopen. 27Dan moet er uitgerekend worden hoe lang het nog duurt voordat het weer het vijftigste jaar is. De eerste eigenaar moet het bedrag betalen dat de grond op dat moment nog waard is. Dan is de grond weer van hem.

28Als de eerste eigenaar niet genoeg geld heeft om zijn grond terug te kopen, moet hij wachten tot het vijftigste jaar. Dan krijgt hij de grond terug, omdat het een heilig jaar is.

Als iemand zijn huis moet verkopen

29Stel dat iemand die in een stad woont, zijn huis verkoopt. Dan heeft hij een jaar de tijd om het terug te kopen. 30Als hij het niet binnen een jaar terugkoopt, blijft het voor altijd van de koper. De eerste eigenaar krijgt zijn huis dus niet terug in het vijftigste jaar. Die regel geldt voor huizen in een stad.

31Als iemand in een dorp zijn huis verkoopt, gelden dezelfde regels als bij het verkopen van grond. Een huis in een dorp mag altijd teruggekocht worden. En de eerste eigenaar krijgt het in ieder geval terug in het vijftigste jaar.

Regels voor Levieten

32Levieten wonen in steden die speciaal voor hen aangewezen zijn. Zij mogen hun huis altijd terugkopen. 33En als ze hun huis niet terug kunnen kopen, krijgen ze het in ieder geval terug in het vijftigste jaar. De huizen in die steden moeten altijd van de Levieten blijven.

34De stukken land die bij de steden van de Levieten horen, mogen nooit verkocht worden. Die stukken land blijven altijd het bezit van de Levieten.

Zorg voor arme mensen

35Stel dat iemand arm wordt, en niet meer voor zichzelf kan zorgen. Dan moeten jullie voor hem zorgen, net zoals jullie zorgen voor een vreemdeling die een tijd bij jullie woont. Jullie mogen arme mensen niet in de steek laten.

36-37Als je geld leent aan iemand die arm is, mag je daar geen rente voor vragen. Als je dat wel doet, heb je geen eerbied voor mij, de Heer, je God. En als je voedsel verkoopt aan iemand die arm is, laat hem dan niet meer betalen dan de gewone prijs.

38Ik ben de Heer, jullie God. Ik heb jullie uit Egypte bevrijd, en het land Kanaän aan jullie gegeven. Zo heb ik laten zien dat ik jullie God ben.

Als iemand zich verkoopt aan een Israëliet

39Stel dat een Israëliet arm wordt en zichzelf verkoopt aan een andere Israëliet. Dan mag hij niet als slaaf behandeld worden. 40Hij moet behandeld worden als een arbeider die loon krijgt, of als een vreemdeling die bij jullie woont. Tot het vijftigste jaar moet zo iemand voor zijn eigenaar werken. 41Maar in het vijftigste jaar mag hij weer weggaan. Dan mag hij samen met zijn gezin teruggaan naar zijn familie en zijn eigen grond.

42Alle Israëlieten zijn van mij. Ik heb hen uit Egypte bevrijd. Daarom mag een Israëliet niet als slaaf verkocht worden. 43En jullie mogen niemand uit je eigen volk als slaaf behandelen. Jullie moeten eerbied hebben voor mij, de Heer.

44Als je een slaaf of een slavin nodig hebt, kun je iemand uit een ander volk kopen. 45Ook vreemdelingen die bij jullie wonen, en hun nakomelingen, kun je als slaaf kopen. Die slaven en slavinnen zijn je bezit. 46Je kunt die slaven dus aan je kinderen geven als erfenis. Ze zullen voor altijd als slaaf voor jullie moeten werken.

Maar een Israëliet mag je nooit als slaaf behandelen. Want jullie horen bij hetzelfde volk.

Als iemand zich verkoopt aan een vreemdeling

47Stel dat een Israëliet arm wordt en zichzelf verkoopt aan een rijke vreemdeling die bij jullie woont. 48-49Dan kan een broer, een oom, een neef of een ander familielid hem terugkopen, en dan is hij weer vrij. Als hij zelf weer genoeg geld heeft, kan hij zich ook zelf vrijkopen.

50Hij moet met de vreemdeling uitrekenen hoe lang het duurt voordat het weer het vijftigste jaar is. Voor elk jaar moet een bedrag betaald worden dat een arbeider in een jaar verdient. 51Kort na het vijftigste jaar is de prijs hoog. 52Maar als het alweer bijna het vijftigste jaar is, is de prijs laag. 53-54In het vijftigste jaar moet de man in ieder geval vrijgelaten worden, samen met zijn kinderen.

Vreemdelingen moeten arme Israëlieten steeds goed behandelen. Arme Israëlieten moeten net zo behandeld worden als arbeiders die loon krijgen. Alle Israëlieten moeten daarop letten.

55Alle Israëlieten zijn van mij. Ik heb jullie uit Egypte bevrijd. Ik ben de Heer, jullie God.’’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]