Bijbel in Gewone Taal (BGT)
22

Regels over offers

Een priester moet rein zijn

221De Heer zei verder tegen Mozes: 2‘Zeg namens mij tegen Aäron en zijn zonen: ‘De priesters moeten de offers die de Israëlieten aan mij aanbieden, met respect behandelen. Anders beledigen ze mij. Ik ben de Heer.

3Een priester die onrein is, mag niet in de buurt van die offers komen. Als hij dat wel doet, mag hij niet meer bij mijn volk horen. Dat geldt voor altijd. Ik ben de Heer.

4-6Een priester die een huidziekte heeft of een ontsteking aan zijn penis, mag niet mee-eten van de offers. Pas als hij weer rein is, mag hij weer mee-eten.

Stel dat een priester in de buurt geweest is van het lichaam van een dode. Of mensen of dingen aangeraakt heeft die daarmee in contact geweest zijn. Dan is die priester onrein tot de avond. Hij mag pas mee-eten van de offers als hij zich gewassen heeft. Dat geldt ook voor een priester die een zaadlozing gehad heeft. En voor een priester die een klein onrein dier of een onreine man of vrouw aangeraakt heeft. 7Pas als de zon ondergegaan is, is de priester weer rein. Dan mag hij weer mee-eten van de offers. Want daar moet hij van leven.

8Een priester mag geen dieren eten die zomaar doodgegaan zijn, of die gedood zijn door een wild dier. Dan wordt hij onrein. Ik ben de Heer.

9Alle priesters moeten zich houden aan mijn regels. Ze moeten alles precies doen zoals ik het zeg. Anders zullen ze sterven. Ik ben de Heer, ik zorg ervoor dat priesters heilig zijn.

Alleen familieleden mogen mee-eten

10Iemand die geen familie van de priesters is, mag niet mee-eten van de offers. Ook mensen die op bezoek zijn, of voor een priester werken, mogen niet mee-eten. 11Maar een slaaf van een priester mag wel mee-eten, en ook de kinderen van die slaaf.

12Als een dochter van een priester trouwt met iemand die geen priester is, mag ze niet mee-eten van de offers. 13Maar stel dat haar man sterft of haar wegstuurt, en dat ze nog geen kinderen heeft. Dan hoort ze weer bij haar familie. Dan mag ze weer mee-eten, net als vroeger.

Mensen die geen familie van de priesters zijn, mogen dus niet mee-eten van de offers. 14Als iemand per ongeluk toch mee-eet, moet hij voor het eten betalen. Hij moet ook een boete betalen van 20 procent.

15Priesters moeten de offers die de Israëlieten aan mij aanbieden, met respect behandelen. 16Ze moeten ervoor zorgen dat gewone Israëlieten niet mee-eten van de offers. Anders zouden die Israëlieten schuldig zijn. Ik ben de Heer, ik zorg ervoor dat mensen heilig zijn.’’

Offerdieren moeten gezond zijn

17De Heer zei verder tegen Mozes: 18‘Zeg tegen Aäron, zijn zonen en de andere Israëlieten: ‘Nu volgen er regels over de dieren voor offers die helemaal verbrand moeten worden. Het maakt niet uit of iemand aan de Heer beloofd heeft om zo’n offer te brengen, of dat hij het offer vrijwillig brengt. Alle Israëlieten en alle vreemdelingen moeten zich aan die regels houden.

19Het offerdier moet een stier, een ram of een bok zijn. Het dier moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben. Zo’n offer zal de Heer graag aannemen. 20Als een dier wel gebreken heeft, zal de Heer het offer niet aannemen.

21Die regels gelden ook voor offers bij een feestmaal. Het maakt niet uit of iemand aan de Heer beloofd heeft om dat offer te brengen, of dat hij het offer vrijwillig brengt. Het offerdier moet een koe, een schaap of een geit zijn. Het dier moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben. Anders zal de Heer het offer niet aannemen.

22Dus een dier dat blind is, mag niet als offer verbrand worden op het altaar. Dat geldt ook voor een dier met een gebroken poot die niet goed genezen is. En ook een dier met een wond, een zweer of uitslag mag niet aangeboden worden aan de Heer.

23Stel dat iemand vrijwillig een offer brengt. Dan mag hij daarvoor wel een koe of een schaap met te lange of te korte poten gebruiken. Maar zo’n dier mag niet gebruikt worden voor een offer dat aan de Heer beloofd is. Dan zal de Heer het offer niet aannemen.

24-25Jullie mogen aan de Heer geen dier offeren waarvan de zaadballen afgesneden zijn. En ook geen dier waarvan de zaadballen beschadigd zijn. Ook niet als je het dier gekocht hebt van iemand uit een ander volk. Zulke dieren hebben een gebrek, en daarom mag je ze niet offeren aan de Heer. Hij zal zo’n offer niet aannemen.’’

Nog meer regels over offerdieren

26De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: 27‘Als er een koe, een schaap of een geit geboren wordt, moeten jullie het dier zeven dagen bij zijn moeder laten. Pas als het acht dagen of ouder is, zal ik het dier aannemen als offer.

28Een koe, een schaap of een geit mag niet op dezelfde dag geslacht worden als haar eigen jong.

29-30Als jullie een dier slachten voor een offer om mij te danken, moeten jullie het vlees nog dezelfde dag opeten. Er mag niets bewaard worden tot de volgende dag. Anders zal ik het offer niet aannemen. Ik ben de Heer.

De Heer is heilig

31Ik ben de Heer. Houd je aan mijn wetten en regels. 32Als jullie dat niet doen, dan beledigen jullie mij.

Jullie moeten laten zien dat ik heilig ben. Ik ben de Heer, ik zorg ervoor dat jullie heilig zijn. 33Ik heb jullie bevrijd uit Egypte. Zo heb ik laten zien dat ik jullie God ben. Ik ben de Heer.’’

23

Regels over feestdagen

231De Heer zei verder tegen Mozes: 2‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Nu volgen er regels over de feestdagen voor de Heer. Het zijn heilige dagen, die jullie samen moeten vieren.

De sabbat

3Zes dagen mogen jullie werken, maar op de zevende dag is het sabbat. Dan mag er beslist niet gewerkt worden. Jullie moeten die heilige dag samen vieren. Die regel geldt overal, waar jullie ook wonen. Het is een feestdag ter ere van de Heer.

4Ook de andere feesten moeten jullie samen vieren. Het zijn heilige dagen. Alle feesten moeten op vaste dagen gevierd worden.

Het Feest van het Brood zonder Gist

5Op de veertiende dag van de eerste maand, als het avond wordt, moeten jullie een lam offeren. Dat lam is bestemd voor de paasmaaltijd ter ere van de Heer.

6De volgende dag begint het Feest van het Brood zonder Gist, ter ere van de Heer. Zeven dagen lang moeten jullie dan brood zonder gist eten. 7-8En elke dag moet er een offer gebracht worden aan de Heer.

De eerste en de zevende dag van dat feest zijn heilige dagen. Die moeten jullie samen vieren. Op die dagen mogen jullie niet werken.’’

Offers bij de graanoogst

9De Heer zei verder tegen Mozes: 10‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Over een tijd wonen jullie in het land dat de Heer jullie zal geven. Het eerste koren dat je dan van het land haalt, moet je naar de priester brengen. 11Dat koren moet de priester op de dag na de sabbat omhooghouden bij het grote altaar. Dan zal de Heer het als offer aannemen.

12Tegelijk met het koren moeten jullie ook een ram aanbieden aan de Heer. De ram moet één jaar oud zijn. Hij moet gezond zijn en mag geen gebreken hebben. Het dier moet helemaal verbrand worden als offer voor de Heer.

13Verder moeten jullie ook een graanoffer brengen van 5 kilo fijn meel, gemengd met olijfolie. Zo’n offer heeft een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt. Er hoort ook een wijnoffer van 2 liter wijn bij.

14Na de oogst moeten jullie van het eerste koren meteen een offer aan jullie God brengen. Pas daarna mag je zelf graan van de nieuwe oogst eten, of graan gebruiken om brood te bakken.

Die regels gelden voor altijd. Ook al jullie nakomelingen moeten zich eraan houden, waar ze ook wonen.

Het Wekenfeest

15-16Vijftig dagen later moeten jullie opnieuw een graanoffer aan de Heer brengen. Tel vanaf de dag na de sabbat waarop de priester het eerste koren aan de Heer geofferd heeft. En tel door tot de dag na de zevende sabbat: vijftig dagen dus.

17Iedereen moet dan twee broden meenemen uit zijn woonplaats. Elk brood moet met gist gebakken zijn, van 2,5 kilo fijn meel. De broden moeten omhooggehouden worden voor de Heer. Ze zijn een offer om de Heer te danken voor de eerste graanoogst.

18Offer tegelijk met het brood zeven rammen van één jaar oud. Ze moeten gezond zijn en mogen geen gebreken hebben. Offer ook een stier en twee volwassen rammen. De dieren moeten helemaal verbrand worden als offer voor de Heer. Samen met de graanoffers en wijnoffers die erbij horen, is het een offer met een heerlijke geur. Het is een geschenk voor de Heer, dat hij graag aanneemt.

19Jullie moeten ook een bok offeren om jullie fouten goed te maken.

Ten slotte moeten jullie twee rammen van één jaar oud offeren voor een feestmaal. 20De priester moet die rammen tegelijk met de twee broden omhooghouden bij het grote altaar. Zo wordt het offer heilig voor de Heer. Daarna mag de priester het vlees en het brood opeten.

21Die vijftigste dag is een heilige dag, die jullie samen moeten vieren. Jullie mogen dan niet werken. Die regel geldt voor altijd. Ook al jullie nakomelingen moeten zich eraan houden, waar ze ook wonen.

Het binnenhalen van de oogst

22Als jullie koren maaien, mogen jullie niet tot aan de rand van de akker maaien. En als er na de oogst nog koren blijft liggen, mogen jullie dat niet oprapen. Want alles wat blijft liggen, is voor de arme mensen en de vreemdelingen. Ik ben de Heer, jullie God.’’

De speciale rustdag

23De Heer zei verder tegen Mozes: 24‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘De eerste dag van de zevende maand is een speciale rustdag. Er moet dan op de trompet geblazen worden, als teken dat het een heilige dag is. Jullie moeten die dag samen vieren. 25Jullie mogen dan niet werken, en jullie moeten een offer aanbieden aan de Heer.’’

Grote Verzoendag

26De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: 27‘Let op! Op de tiende dag van de zevende maand is het Grote Verzoendag. Het is een heilige dag, die jullie samen moeten vieren. Jullie moeten die dag vasten, en een offer brengen aan de Heer. 28Jullie mogen beslist niet werken, want het is Grote Verzoendag. Op die dag zal de priester ervoor zorgen dat de Heer al jullie fouten vergeeft.

29Iemand die op die dag toch iets eet of drinkt, mag niet meer bij het volk van Israël horen. 30En iemand die toch werkt, zal door de Heer weggejaagd worden uit het volk. 31Jullie mogen op die dag dus beslist niet werken. Die regel geldt voor altijd. Ook jullie nakomelingen moeten zich eraan houden, waar ze ook wonen.

32Je moet op die dag dus vasten, en je mag beslist niet werken. Dat geldt vanaf de avond van de negende dag van de zevende maand tot de avond van de tiende dag.’’

Loofhuttenfeest

33De Heer zei verder tegen Mozes: 34‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Op de vijftiende dag van de zevende maand begint het Loofhuttenfeest. Het is een feest ter ere van de Heer, dat zeven dagen duurt.

35De eerste dag van het feest is een heilige dag, die jullie samen moeten vieren. Niemand mag dan werken. 36Op elke dag van het feest moeten jullie een offer brengen aan de Heer. Ook de dag na het feest is een heilige dag, die jullie samen moeten vieren. Ook dan moeten jullie een offer aanbieden aan de Heer. Het is een feestelijke dag, en niemand mag dan werken.

37-43Let op! Het Loofhuttenfeest begint dus op de vijftiende dag van de zevende maand. Het begint als jullie de oogst van het land binnengehaald hebben. Op de eerste dag en op de dag na het feest mogen jullie niet werken.

Op de eerste dag van het feest moeten jullie mooie vruchten plukken. Jullie moeten ook takken afsnijden van palmbomen en andere bomen met veel bladeren. Alle Israëlieten moeten hutten maken van die takken. En zeven dagen lang moeten jullie in die hutten wonen. Want de Heer, jullie God, liet jullie in zulke hutten wonen toen hij jullie uit Egypte weghaalde. Dat moeten ook jullie nakomelingen weten.

Vier dit feest ter ere van de Heer elk jaar in de zevende maand, zeven dagen lang.

Die regels gelden voor altijd. Ook jullie nakomelingen moeten zich eraan houden.

Slot

Dat zijn alle feesten voor de Heer die jullie samen moeten vieren als heilige dagen. Jullie moeten op die dagen offers aanbieden aan de Heer. Bij elk feest horen bepaalde offers. Dat kunnen offers zijn die je helemaal moet verbranden, of offers bij een feestmaal, of graanoffers of wijnoffers.

Behalve die offers bij de feesten voor de Heer, zijn er ook nog andere offers: offers die je elke sabbat moet brengen, offers die je beloofd hebt, en offers die je vrijwillig brengt. En je kunt ook speciale geschenken aanbieden aan de Heer.’’

44Dat zijn de regels over de feesten voor de Heer die Mozes aan de Israëlieten bekendgemaakt heeft.

24

Regels over voorwerpen in de heilige tent

De lampen

241De Heer zei verder tegen Mozes: 2-4‘In de heilige tent, voor het gordijn dat voor de heilige kist hangt, staat de gouden kandelaar. Aäron moet ervoor zorgen dat de lampen op de kandelaar altijd blijven branden. Daarom moeten de Israëlieten ervoor zorgen dat er altijd zuivere olijfolie in de heilige tent is. Dan kan het licht de hele nacht voor mij blijven branden.

Die regel geldt voor altijd. Ook jullie nakomelingen moeten zich eraan houden.

De offerbroden

5Laat twaalf offerbroden bakken van fijn meel. Elk brood moet 5 kilo wegen. 6Leg de broden op de gouden tafel die in de heilige ruimte staat, in twee rijen van zes broden. 7Bij elke rij moet je zuivere wierook branden. Die wierook is een offer voor mij, in plaats van het brood. 8-9Want de broden zijn bestemd voor de priesters. Zij mogen altijd een deel van de offers hebben.

Aäron en zijn nakomelingen mogen het brood dus eten. Ze moeten het eten op een heilige plaats, want het offer is heel heilig.

De priester moet namens alle Israëlieten elke sabbat nieuwe offerbroden voor mij neerleggen. Die regel geldt voor altijd.’

Dezelfde regels voor iedereen

Iemand die vloekt, moet gedood worden

10-11Bij de Israëlieten woonde een man die een Egyptische vader had en een Israëlitische moeder. Zij was een dochter van Dibri uit de stam Dan, en ze heette Selomit.

Op een dag kreeg de man ruzie met een Israëliet. De man begon te vloeken en gebruikte daarbij de naam van de Heer. Daarom werd de man naar Mozes gebracht, 12en hij werd opgesloten. Want Mozes wilde van de Heer horen wat hij met de man moest doen.

13Toen zei de Heer tegen Mozes: 14‘Breng de man die gevloekt heeft, buiten het kamp. Iedereen die de man heeft horen vloeken, moet zijn hand op het hoofd van de man leggen. En daarna moet iedereen net zo lang stenen naar hem gooien totdat hij dood is.’

Voor iedereen gelden dezelfde regels

15De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de Israëlieten: ‘Iemand die vloekt, is schuldig 16en moet gedood worden. Het hele volk moet net zo lang stenen naar hem gooien tot hij dood is. Iedereen die mijn naam zomaar gebruikt, moet gedood worden. Dat geldt voor jullie en voor de vreemdelingen die bij jullie wonen.

17Ook iemand die een ander mens doodslaat, moet gedood worden. 18Maar iemand die een koe, een schaap of een geit van een ander doodt, moet daarvoor betalen. 19-21Dus als iemand een dier doodt, moet hij een nieuw dier kopen. Maar als iemand een mens doodt, moet hij zelf gedood worden.

Stel dat iemand een ander iets aandoet. Hij zorgt er bijvoorbeeld voor dat die ander een bot breekt, of een oog of een tand verliest. Dan moet met hem hetzelfde gedaan worden. Dat is zijn straf.

22Die regels gelden voor iedereen. Dus voor jullie en voor de vreemdelingen die bij jullie wonen. Ik ben de Heer, jullie God.’’

De man die vloekte, wordt gedood

23Mozes vertelde dat aan de Israëlieten. Toen brachten zij de man die gevloekt had, naar een plek buiten het kamp. Daar gooiden ze hem met stenen dood. Zo deden de Israëlieten wat de Heer tegen Mozes gezegd had.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]