Bijbel in Gewone Taal (BGT)
19

Het volk moet heilig zijn

191De Heer zei verder tegen Mozes: 2‘Zeg namens mij tegen de Israëlieten: ‘Jullie moeten heilig zijn, omdat ik, de Heer, jullie God, heilig ben.

3Heb respect voor je moeder en je vader. En houd je altijd aan de sabbat. Ik ben de Heer, jullie God.

4Vereer geen afgoden. En maak ook geen godenbeelden. Ik ben de Heer, jullie God.

Over offers bij een feestmaal

5Als jullie een offer aan mij brengen bij een feestmaal, moeten jullie je houden aan mijn regels. Alleen dan zal ik het offer aannemen. 6Dus jullie moeten het vlees opeten op de dag van het offer of op de volgende dag. Als er na twee dagen nog vlees over is, moet dat verbrand worden.

7Als iemand na twee dagen toch nog iets van het offervlees eet, zal ik het offer niet aannemen. Want dan is het vlees onrein. 8De persoon die van dat vlees eet, moet gestraft worden. Want zo iemand heeft geen respect voor wat heilig is. Hij mag niet meer bij het volk van Israël horen.

Over het binnenhalen van de oogst

9Als jullie koren maaien, mogen jullie niet tot aan de rand van de akker maaien. En als er na de oogst nog koren blijft liggen, mogen jullie dat niet oprapen.

10Bij de druivenoogst mogen jullie maar één keer druiven plukken. De druiven die na het plukken op de grond gevallen zijn, moeten jullie laten liggen.

Want alles wat blijft liggen, is voor de arme mensen en de vreemdelingen. Ik ben de Heer, jullie God.

Over eerlijkheid

11Jullie mogen niet stelen, niet liegen en elkaar niet bedriegen.

12Als je zegt: ‘Zo zeker als de Heer leeft’, moet je de waarheid spreken. Want anders beledig je mijn naam. Ik ben de Heer.

13Beroof niemand, en dwing niemand om geld aan jou te geven. Geef een arbeider meteen na het werk zijn loon, wacht daar niet mee.

14Je mag iemand die doof is, geen ongeluk toewensen. En je mag iemand die blind is, niet laten struikelen. Heb eerbied voor mij. Ik ben de Heer.

15Wees eerlijk als je rechtspreekt. Dus behandel arme mensen niet beter dan machtige mensen, of andersom. Geef altijd een eerlijk oordeel. 16Vertel bij de rechter geen leugens over een ander, want dan kun je zijn leven in gevaar brengen. Ik ben de Heer.

17-18Haat andere mensen niet. Als je boos bent op een ander, moet je dat tegen hem zeggen. Want als je boos op hem blijft of hem gaat straffen, word je zelf gestraft.

Houd evenveel van de mensen om je heen als van jezelf. Ik ben de Heer.

Verbod om soorten te mengen

19Houd je aan mijn wetten. Laat dieren van twee verschillende soorten niet met elkaar paren. Zaai niet twee verschillende soorten zaad in één akker. En draag geen kleren die gemaakt zijn van twee verschillende soorten stof.

Over seks met een slavin

20Stel dat een man naar bed gaat met een slavin die al beloofd was aan een andere man. Maar die slavin was nog niet verkocht of vrijgelaten. Dan moet de man een boete betalen aan haar meester. De man en de slavin hoeven niet gedood te worden. Want de slavin was nog het bezit van een ander.

21De man moet een offer aan mij brengen om zijn schuld goed te maken. Hij moet een ram naar de ingang van de heilige tent brengen. 22Daarna moet de priester de ram offeren bij het grote altaar. Zo zorgt de priester ervoor dat alles weer goed is tussen mij en die man. Dan zal ik de fout van de man vergeven.

Over het oogsten van vruchten

23Als jullie fruitbomen planten in het land dat ik jullie geef, mogen jullie de eerste vruchten niet eten. De eerste drie jaar moet je de vruchten laten hangen. 24In het vierde jaar zijn de vruchten bestemd voor mij, om mij te danken. 25Pas in het vijfde jaar mag je de vruchten eten.

Als jullie je aan die regels houden, zal de opbrengst groter zijn. Ik ben de Heer, jullie God.

Nog meer regels

26Eet geen vlees waar nog bloed in zit.

Luister niet naar waarzeggers, of naar mensen die de toekomst voorspellen door naar de wolken te kijken.

27-28Als jullie rouwen om een dode, mogen jullie het haar aan de zijkant van je hoofd niet afknippen. Ook je baard mag je dan niet afscheren. En je mag niet in je huid snijden of tatoeages laten maken. Ik ben de Heer.

29Maak geen hoer van je dochter. Dat is een schande voor haar. En als er hoeren in een land zijn, wordt het hele volk slecht.

30Houd je altijd aan de sabbat. En als je naar mijn heilige tent gaat, moet je je eerbiedig gedragen. Ik ben de Heer.

31Vraag geen hulp aan geesten. Als jullie dat toch doen, worden jullie onrein. Ik ben de Heer, jullie God.

32Sta op voor oude mensen en heb respect voor hen. Dan laat je zien dat je eerbied hebt voor mij, jullie God. Ik ben de Heer.

Over vreemdelingen

33Jullie mogen mensen die als vreemdelingen in jullie land wonen, niet onderdrukken. 34Behandel hen alsof ze Israëlieten zijn. Houd evenveel van hen als van jezelf. Want jullie zijn zelf ook vreemdelingen geweest, toen jullie in Egypte waren. Ik ben de Heer, jullie God.

Over eerlijk zakendoen

35Wees eerlijk als je zakendoet. Dus als je dingen meet of weegt, moet je dat eerlijk doen. 36Je weegschaal, gewichten en maten moeten betrouwbaar zijn. Ik ben de Heer, jullie God, die jullie uit Egypte bevrijd heeft.

37Jullie moeten mijn regels volgen, en je aan mijn wetten houden. Ik ben de Heer.’’

20

Offer geen kinderen

201De Heer zei verder tegen Mozes: 2-3‘Zeg namens mij tegen de Israëlieten: ‘Niemand van jullie mag zijn kinderen offeren aan de god Moloch. Dat geldt ook voor de vreemdelingen die bij jullie wonen.

Als iemand dat wel doet, zal ik, de Heer, hem in de steek laten. Hij mag niet meer bij het volk van Israël horen en hij moet gedood worden. Het hele volk moet hem met stenen doodgooien. Want hij heeft zijn kinderen geofferd aan Moloch. Daardoor heeft hij mijn heilige tent onrein gemaakt, en mij beledigd.

4Jullie moeten dus niet toelaten dat iemand zijn kinderen aan Moloch offert. Zo iemand moeten jullie doden. 5Als jullie dat niet doen, zal ik hem en zijn familie in de steek laten. Hij en ieder ander die Moloch vereert, mag niet meer bij het volk van Israël horen.

Roep geen geesten op

6Jullie mogen geen geesten oproepen en ze om hulp vragen. Als iemand dat wel doet, zal ik hem in de steek laten. Hij mag niet meer bij het volk van Israël horen.

7Jullie moeten heilig zijn, omdat ik, de Heer, jullie God, heilig ben. En zorg ervoor dat jullie heilig blijven. 8Houd je aan mijn wetten en regels. Ik ben de Heer. Door mijn wetten kunnen jullie heilig zijn.

Mishandel je ouders niet

9Iemand die zijn vader of moeder mishandelt, moet gedood worden. Het is zijn eigen schuld dat hij sterft, want hij heeft zijn ouders mishandeld.

Regels over verboden seks

10Een man die naar bed gaat met een getrouwde vrouw, moet gedood worden. Want ze is de vrouw van een ander. Ook de vrouw moet gedood worden.

11Een man die naar bed gaat met een vrouw van zijn vader, moet gedood worden. Want het is een schande voor zijn vader. Ook de vrouw moet gedood worden. Het is hun eigen schuld dat ze sterven.

12Een man die naar bed gaat met zijn schoondochter, moet gedood worden. Ook zijn schoondochter moet gedood worden. Want ze hebben iets vreselijks gedaan. Het is hun eigen schuld dat ze sterven.

13Een man die naar bed gaat met een andere man zoals je naar bed gaat met een vrouw, doet iets verschrikkelijks. Beide mannen moeten gedood worden. Het is hun eigen schuld dat ze sterven.

14Een man die trouwt met een vrouw en ook met haar moeder, doet iets verschrikkelijks. Hij moet samen met beide vrouwen verbrand worden. Zulke verschrikkelijke dingen mogen bij jullie niet voorkomen.

15Een man die seks heeft met een dier, moet gedood worden. Ook het dier moet gedood worden.

16Een vrouw die seks heeft met een dier, moet gedood worden. Ook het dier moet gedood worden. Het is hun eigen schuld dat ze sterven.

17Een man die met zijn zus trouwt en met haar naar bed gaat, doet iets verschrikkelijks. Het maakt niet uit of ze de dochter van zijn vader of van zijn moeder is. Een man die dat doet, wordt gestraft. Want hij is naar bed geweest met zijn zus. Hij en zijn zus mogen niet meer bij het volk van Israël horen.

18Een man die naar bed gaat met een vrouw die ongesteld is, mag niet meer bij het volk van Israël horen. Ook de vrouw mag niet meer bij het volk van Israël horen. Het maakt niet uit of de man de vrouw verleid heeft, of andersom.

19Een man die naar bed gaat met een zus van zijn vader of zijn moeder, moet gestraft worden. Want hij is naar bed geweest met een familielid. Ook de vrouw moet gestraft worden.

20Als een man naar bed gaat met een vrouw van zijn oom, is dat een schande voor zijn oom. Zo’n man wordt gestraft. Hij en die vrouw zullen nooit kinderen krijgen.

21Een man die trouwt met een vrouw van zijn broer, doet iets verschrikkelijks. Want dat is een schande voor zijn broer. Die man zal met die vrouw nooit kinderen krijgen.

Houd je aan de wetten van de Heer

22Houd je aan mijn wetten en regels. Anders worden jullie weggejaagd uit het land waar ik jullie naartoe breng om daar te wonen. 23Ga niet leven zoals de inwoners van Kanaän die ik voor jullie verjaag. Ik heb een hekel aan hen, omdat ze slechte dingen doen.

24Daarom mogen jullie hun land in bezit nemen. Ik zal dat land aan jullie geven. Er is daar meer dan genoeg te eten en te drinken voor iedereen.

Ik ben de Heer, jullie God. Ik heb jullie speciaal uitgekozen uit alle volken. 25Daarom geef ik jullie een speciale regel: houd de reine dieren apart van de onreine dieren. Dat geldt voor alle dieren op het land en voor de vogels. Want jullie moeten niet onrein worden door onreine dieren te eten. Ik heb jullie geleerd welke dieren onrein zijn.

26Jullie moeten heilig zijn, omdat ik, de Heer, heilig ben. En ik heb jullie uitgekozen uit alle volken.

27Mannen of vrouwen die geesten oproepen om de toekomst te voorspellen, moeten gedood worden. Zulke mensen moeten met stenen doodgegooid worden. Het is hun eigen schuld dat ze sterven.’’

21

Regels voor priesters

Over rouwen

211-4De Heer zei verder tegen Mozes: ‘Zeg tegen de priesters, de zonen van Aäron: ‘Als er iemand in de familie of schoonfamilie van een priester sterft, mag de priester niet bij de dode in de buurt komen. Want dan wordt hij onrein, en kan hij geen priester meer zijn. Maar hij wordt niet onrein als die dode zijn vader of moeder is, zijn zoon of dochter, of zijn broer. En ook niet als het zijn ongetrouwde zus is die nog nooit met een man geslapen heeft. Als die familieleden gestorven zijn, mag een priester wel bij hen in de buurt komen.

5Als er iemand gestorven is, mag een priester zijn hoofd niet kaalscheren of zijn baard afknippen. Ook mag hij dan niet in zijn huid snijden.

6Priesters horen bij God, ze zijn heilig. Daarom mogen ze niets doen waarmee ze God beledigen. De offers die ze brengen, zijn voedsel voor de Heer, hun God. Daarom moeten priesters heilig zijn.

Over vrouwen

7Een priester mag niet trouwen met een vrouw die hoer geweest is. En ook niet met een vrouw die door haar man weggestuurd is. Want priesters horen bij God, ze zijn heilig.

8Iedereen moet respect hebben voor een priester. Want de offers die een priester brengt, zijn voedsel voor de Heer. De priester is heilig, omdat de Heer heilig is. En de Heer zorgt ervoor dat mensen heilig kunnen zijn.

9Als de dochter van een priester zich als een hoer gedraagt, is dat een schande voor haarzelf en voor haar vader. En dan moet ze verbrand worden.

Regels voor de hogepriester

10De hogepriester is belangrijker dan de andere priesters. Toen hij hogepriester werd, is er olie over zijn hoofd gegoten en heeft hij speciale priesterkleren gekregen.

Als er iemand gestorven is, mag de hogepriester zijn haar niet los laten hangen, en zijn kleren niet scheuren. 11Hij mag nooit in de buurt van een dode komen, zelfs niet als het zijn vader of moeder is. Want dan wordt hij onrein. 12Hij is hogepriester geworden door de heilige olie van God, de Heer. Daarom mag hij niet bij de heilige tent van God vandaan gaan. Want dan zou de heilige tent onrein worden.

13De hogepriester moet trouwen met een vrouw die nog nooit met een man geslapen heeft. 14Hij mag dus niet trouwen met een weduwe, of een vrouw die door haar man weggestuurd is, of een hoer. Zijn vrouw moet een jong meisje zijn uit een familie van priesters. 15Dan zullen zijn nakomelingen ook heilig zijn. De Heer zorgt ervoor dat mensen heilig zijn.’’

Over de gezondheid van priesters

16De Heer zei verder tegen Mozes: 17‘Zeg tegen Aäron: ‘Een priester moet helemaal gezond zijn en mag geen gebreken hebben. Als één van je nakomelingen een gebrek heeft, mag hij niet naar de heilige tent komen om voedsel te offeren aan zijn God. Die regel geldt voor altijd.

18Iemand die een gebrek heeft, mag dus geen priester worden. Dat geldt voor mannen die blind zijn, of niet kunnen lopen. En ook voor mannen met een afwijking aan hun gezicht, of aan hun armen of benen. 19Het geldt ook voor mannen bij wie een gebroken arm of been niet goed genezen is. 20En voor mannen die krom lopen, of die altijd klein gebleven zijn. Verder voor mannen die een oogziekte hebben, of een zweer, of uitslag. En ten slotte geldt het ook voor mannen bij wie de zaadballen beschadigd zijn.

21Als één van je nakomelingen een gebrek heeft, mag hij geen voedsel offeren aan de Heer. Omdat hij een gebrek heeft aan zijn lichaam, mag hij geen priester zijn. 22Hij mag wel mee-eten van het voedsel dat aan God aangeboden wordt. Dat geldt voor de offers die bij een feestmaal gebracht worden, en voor de andere heilige offers.

23Maar hij mag niet in de heilige ruimte achter het gordijn komen. En hij mag ook niet bij het grote altaar komen. Want hij heeft een gebrek. De Heer heeft de tent en het altaar voor altijd heilig gemaakt. En iemand met een gebrek zou die onrein maken.’’

24Mozes vertelde al die dingen aan Aäron, aan de zonen van Aäron en aan de andere Israëlieten.