Bijbel in Gewone Taal (BGT)
17

Regels over het eten van vlees

Een dier mag niet zomaar gedood worden

171De Heer zei tegen Mozes: 2-3‘Zeg tegen Aäron en zijn zonen, en tegen de andere Israëlieten: ‘Tot nu toe mochten jullie een koe, een schaap of een geit in het kamp slachten of buiten het kamp. Dat heeft de Heer gezegd.

4Hij heeft ook gezegd dat het dier altijd eerst naar de ingang van de heilige tent gebracht moet worden. Daar moet het aangeboden worden aan de Heer. Als iemand dat niet doet, en zomaar een dier doodt, is hij schuldig. Hij is dan net zo schuldig als wanneer hij een mens doodt. Hij mag niet meer bij het volk van Israël horen.

Een dier moet geslacht worden

5Maar vanaf nu mogen dieren niet meer buiten het kamp geslacht worden. Ze moeten altijd naar de priester gebracht worden, bij de ingang van de heilige tent. Daar moet het dier aangeboden worden aan de Heer. Daarna kan het geslacht worden voor het offer bij een feestmaal, en dan kan het gegeten worden.

6De priester moet het bloed van het offerdier langs de zijkanten van het grote altaar gieten bij de ingang van de heilige tent. Hij moet de vette delen van het dier verbranden. Dat is een offer met een heerlijke geur. Het is een geschenk dat de Heer graag aanneemt.

7-9Dus iedereen die een dier offert, moet het naar de ingang van de heilige tent brengen. Daar moet het aangeboden worden aan de Heer. Als iemand dat niet doet, mag hij niet meer bij het volk van Israël horen. Dat geldt voor jullie, en ook voor de vreemdelingen die bij jullie wonen.

Jullie mogen ook nooit meer offers brengen aan bokken die als afgoden vereerd worden. Dat is een regel die voor altijd geldt, voor jullie en voor jullie nakomelingen.

Eet geen vlees waar nog bloed in zit

10Iemand die vlees eet waar nog bloed in zit, mag niet meer bij het volk van Israël horen. Dat geldt ook voor de vreemdelingen die bij jullie wonen. De Heer zal hem in de steek laten. 11Want bloed zorgt voor leven. Mensen en dieren kunnen leven dankzij hun bloed. En als de priester bloed aan het altaar smeert, worden alle fouten weer goedgemaakt.

12Daarom heeft de Heer tegen de Israëlieten gezegd: ‘Jullie mogen geen vlees eten waar nog bloed in zit. Dat geldt ook voor alle vreemdelingen die bij jullie wonen.’

13Stel dat iemand jaagt op wilde dieren en vogels die gegeten mogen worden. Dan moet hij het bloed van het gevangen dier in de grond laten wegstromen. En hij moet dat bloed met zand bedekken.

14Dieren kunnen leven dankzij hun bloed. Daarom heeft de Heer tegen de Israëlieten gezegd: ‘Je mag geen vlees eten waar nog bloed in zit. Als je dat toch doet, mag je niet meer bij het volk van Israël horen. Want mensen en dieren kunnen leven dankzij hun bloed.’

Als iemand een dier eet dat al dood is

15Stel dat iemand vlees eet van een dier dat vanzelf gestorven is, of gedood is door een wild dier. Dan moet hij zichzelf en zijn kleren wassen. Hij is onrein tot de avond. Daarna zal hij weer rein zijn. Dat geldt ook voor vreemdelingen. 16Maar als iemand zichzelf en zijn kleren niet wast, zal hij gestraft worden door de Heer.’’

18

Regels voor het heilige volk

Het volk moet leven zoals de Heer wil

181De Heer zei verder tegen Mozes: 2‘Zeg namens mij tegen de Israëlieten: ‘Ik ben de Heer, jullie God. 3Jullie moeten niet leven zoals de Egyptenaren, bij wie jullie gewoond hebben. En ook niet zoals de inwoners van Kanaän, het land waar ik jullie nu naartoe breng. Ga niet dezelfde slechte dingen doen als zij.

4Houd je aan mijn wetten en regels. Leef zoals ik het wil. Want ik ben de Heer, jullie God. 5Als jullie je aan mijn wetten en regels houden, zullen jullie een goed leven hebben. Ik ben de Heer.

Regels over verboden seks

6Niemand van jullie mag naar bed gaan met een familielid. Ik ben de Heer.

7Ga niet naar bed met je moeder, want dat is een schande voor je vader. 8Ga ook niet naar bed met een andere vrouw van je vader. Want ook dat is een schande voor je vader.

9Ga niet naar bed met je zus, ook niet als ze je halfzus is. Het maakt niet uit of jullie samen opgegroeid zijn of niet.

10Ga niet naar bed met je kleindochter. Want dat is een schande voor jezelf.

11Ga niet naar bed met een dochter van je vader, ook niet als jullie een andere moeder hebben. Ze is je zus, dus je mag niet met haar naar bed gaan.

12Ga niet naar bed met een zus van je vader. Want ze is familie van je vader. 13Ga ook niet naar bed met een zus van je moeder. Want die zus is familie van je moeder.

14Ga niet naar bed met een vrouw van je vaders broer. Want ze is je tante.

15Ga niet naar bed met je schoondochter. Want ze is de vrouw van je zoon.

16Ga niet naar bed met een vrouw van je broer. Want dat is een schande voor je broer.

17Ga niet naar bed met een dochter van je vrouw, ook niet als het de dochter is van een andere man. En ga ook niet naar bed met een kleindochter van je vrouw en een andere man. Dan doe je iets verschrikkelijks. Want die kinderen zijn familieleden van je vrouw.

18Zolang je vrouw leeft, mag je haar zus niet als bijvrouw nemen. Je mag ook niet met die zus naar bed gaan.

Nog meer regels

19Ga niet naar bed met een vrouw die ongesteld is. Want ze is onrein.

20Ga niet naar bed met de vrouw van een ander. Als je dat wel doet, word je onrein.

21Je mag je kinderen niet offeren aan de god Moloch. Als je dat wel doet, beledig je mij. Ik ben de Heer.

22Een man mag niet naar bed gaan met een andere man zoals je naar bed gaat met een vrouw. Want dat is afschuwelijk.

23Je mag geen seks hebben met dieren. Dan word je onrein. Ook een vrouw mag geen seks hebben met dieren. Want dat is verschrikkelijk.

Het volk moet rein blijven

24Doe al die dingen dus niet. Want dan worden jullie onrein. De volken die ik uit Kanaän zal verjagen, deden die dingen wel. Daardoor werden zij onrein, 25en ook hun land werd onrein. Ik ga het land straffen voor de slechte dingen die er gebeurd zijn. Daardoor kunnen de inwoners er niet meer wonen.

26Jullie moeten je houden aan mijn wetten en regels. Jullie mogen die afschuwelijke dingen niet doen. Dat geldt voor jullie en voor de vreemdelingen die bij jullie wonen.

27De inwoners van Kanaän deden die afschuwelijke dingen wel, en daardoor werd het land onrein. 28Als jullie die dingen ook gaan doen, worden jullie ook weggejaagd uit Kanaän.

29Als iemand van jullie zoiets afschuwelijks doet, mag hij niet meer bij het volk van Israël horen. 30Jullie moeten je dus houden aan mijn wetten. Zorg ervoor dat jullie de afschuwelijke gewoontes van Kanaän niet overnemen. Als jullie dat wel doen, worden jullie onrein.

Ik ben de Heer, jullie God.’’

19

Het volk moet heilig zijn

191De Heer zei verder tegen Mozes: 2‘Zeg namens mij tegen de Israëlieten: ‘Jullie moeten heilig zijn, omdat ik, de Heer, jullie God, heilig ben.

3Heb respect voor je moeder en je vader. En houd je altijd aan de sabbat. Ik ben de Heer, jullie God.

4Vereer geen afgoden. En maak ook geen godenbeelden. Ik ben de Heer, jullie God.

Over offers bij een feestmaal

5Als jullie een offer aan mij brengen bij een feestmaal, moeten jullie je houden aan mijn regels. Alleen dan zal ik het offer aannemen. 6Dus jullie moeten het vlees opeten op de dag van het offer of op de volgende dag. Als er na twee dagen nog vlees over is, moet dat verbrand worden.

7Als iemand na twee dagen toch nog iets van het offervlees eet, zal ik het offer niet aannemen. Want dan is het vlees onrein. 8De persoon die van dat vlees eet, moet gestraft worden. Want zo iemand heeft geen respect voor wat heilig is. Hij mag niet meer bij het volk van Israël horen.

Over het binnenhalen van de oogst

9Als jullie koren maaien, mogen jullie niet tot aan de rand van de akker maaien. En als er na de oogst nog koren blijft liggen, mogen jullie dat niet oprapen.

10Bij de druivenoogst mogen jullie maar één keer druiven plukken. De druiven die na het plukken op de grond gevallen zijn, moeten jullie laten liggen.

Want alles wat blijft liggen, is voor de arme mensen en de vreemdelingen. Ik ben de Heer, jullie God.

Over eerlijkheid

11Jullie mogen niet stelen, niet liegen en elkaar niet bedriegen.

12Als je zegt: ‘Zo zeker als de Heer leeft’, moet je de waarheid spreken. Want anders beledig je mijn naam. Ik ben de Heer.

13Beroof niemand, en dwing niemand om geld aan jou te geven. Geef een arbeider meteen na het werk zijn loon, wacht daar niet mee.

14Je mag iemand die doof is, geen ongeluk toewensen. En je mag iemand die blind is, niet laten struikelen. Heb eerbied voor mij. Ik ben de Heer.

15Wees eerlijk als je rechtspreekt. Dus behandel arme mensen niet beter dan machtige mensen, of andersom. Geef altijd een eerlijk oordeel. 16Vertel bij de rechter geen leugens over een ander, want dan kun je zijn leven in gevaar brengen. Ik ben de Heer.

17-18Haat andere mensen niet. Als je boos bent op een ander, moet je dat tegen hem zeggen. Want als je boos op hem blijft of hem gaat straffen, word je zelf gestraft.

Houd evenveel van de mensen om je heen als van jezelf. Ik ben de Heer.

Verbod om soorten te mengen

19Houd je aan mijn wetten. Laat dieren van twee verschillende soorten niet met elkaar paren. Zaai niet twee verschillende soorten zaad in één akker. En draag geen kleren die gemaakt zijn van twee verschillende soorten stof.

Over seks met een slavin

20Stel dat een man naar bed gaat met een slavin die al beloofd was aan een andere man. Maar die slavin was nog niet verkocht of vrijgelaten. Dan moet de man een boete betalen aan haar meester. De man en de slavin hoeven niet gedood te worden. Want de slavin was nog het bezit van een ander.

21De man moet een offer aan mij brengen om zijn schuld goed te maken. Hij moet een ram naar de ingang van de heilige tent brengen. 22Daarna moet de priester de ram offeren bij het grote altaar. Zo zorgt de priester ervoor dat alles weer goed is tussen mij en die man. Dan zal ik de fout van de man vergeven.

Over het oogsten van vruchten

23Als jullie fruitbomen planten in het land dat ik jullie geef, mogen jullie de eerste vruchten niet eten. De eerste drie jaar moet je de vruchten laten hangen. 24In het vierde jaar zijn de vruchten bestemd voor mij, om mij te danken. 25Pas in het vijfde jaar mag je de vruchten eten.

Als jullie je aan die regels houden, zal de opbrengst groter zijn. Ik ben de Heer, jullie God.

Nog meer regels

26Eet geen vlees waar nog bloed in zit.

Luister niet naar waarzeggers, of naar mensen die de toekomst voorspellen door naar de wolken te kijken.

27-28Als jullie rouwen om een dode, mogen jullie het haar aan de zijkant van je hoofd niet afknippen. Ook je baard mag je dan niet afscheren. En je mag niet in je huid snijden of tatoeages laten maken. Ik ben de Heer.

29Maak geen hoer van je dochter. Dat is een schande voor haar. En als er hoeren in een land zijn, wordt het hele volk slecht.

30Houd je altijd aan de sabbat. En als je naar mijn heilige tent gaat, moet je je eerbiedig gedragen. Ik ben de Heer.

31Vraag geen hulp aan geesten. Als jullie dat toch doen, worden jullie onrein. Ik ben de Heer, jullie God.

32Sta op voor oude mensen en heb respect voor hen. Dan laat je zien dat je eerbied hebt voor mij, jullie God. Ik ben de Heer.

Over vreemdelingen

33Jullie mogen mensen die als vreemdelingen in jullie land wonen, niet onderdrukken. 34Behandel hen alsof ze Israëlieten zijn. Houd evenveel van hen als van jezelf. Want jullie zijn zelf ook vreemdelingen geweest, toen jullie in Egypte waren. Ik ben de Heer, jullie God.

Over eerlijk zakendoen

35Wees eerlijk als je zakendoet. Dus als je dingen meet of weegt, moet je dat eerlijk doen. 36Je weegschaal, gewichten en maten moeten betrouwbaar zijn. Ik ben de Heer, jullie God, die jullie uit Egypte bevrijd heeft.

37Jullie moeten mijn regels volgen, en je aan mijn wetten houden. Ik ben de Heer.’’