Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

Het tweede lied

De Heer is woedend

21Ach, wat is de Heer woedend op zijn volk!

Daarom is het nu donker in Jeruzalem.

Jeruzalem was ooit de mooiste stad van Israël,

maar de Heer heeft de stad volledig vernietigd.

Zelfs zijn eigen tempel heeft hij niet gered,

zo woedend was hij!

2De Heer heeft alle dorpen en steden in Juda verwoest,

hij had geen medelijden, hij ging verschrikkelijk tekeer.

Hij heeft de koning en de leiders vernederd.

3De Heer maakte een einde aan Israëls macht.

Hij beschermde zijn volk niet meer tegen de vijanden.

Hij vernietigde zijn eigen volk, als een vuur dat alles verwoest.

Zo woedend was hij!

4De Heer viel de stad aan, als een vijand!

Alle jonge, sterke inwoners doodde hij.

Alle huizen vernietigde hij, als een vuur dat alles verwoest.

5De Heer was de vijand, hij vernietigde alles.

De paleizen liggen in puin, de stadsmuren zijn kapot.

In de hele stad wordt gehuild en geklaagd.

De Heer heeft Jeruzalem vernietigd

6De Heer heeft de tempel verwoest, zijn eigen huis.

Zo woedend was hij!

Er kan geen sabbat of feest meer gevierd worden,

de priesters en de koning kunnen er niets meer doen.

7De Heer heeft zijn altaar en zijn tempel verlaten.

Op die plaats klinkt nu het zingen van de vijanden,

zij hebben de stad in hun macht.

8De Heer had besloten om Jeruzalem te vernietigen,

niets en niemand kon hem tegenhouden.

De muren en torens van de stad werden verwoest,

er bleef niets meer van over.

9De poorten van de stad liggen in puin,

ze kunnen niet meer op slot.

De koning en de leiders zijn verjaagd,

priesters vertellen niet meer over Gods wetten,

profeten krijgen geen dromen meer van de Heer.

10De wijze mannen van Jeruzalem zwijgen,

ze zitten treurig op de grond.

Ze hebben rouwkleren aangedaan,

en zand over hun hoofd gegooid.

De vrouwen van Jeruzalem buigen hun hoofd en klagen.

De dichter heeft verdriet om de stad

11Inwoners van Jeruzalem, ik zag wat er met jullie gebeurde.

Daarom zijn mijn ogen rood van het huilen.

Ik ben in de war, ik voel me ellendig,

want jullie worden vernietigd!

Jullie kinderen liggen hulpeloos op straat,

12alsof het gewonde soldaten zijn.

Ze blijven hun moeder vragen om eten of drinken,

maar er is niemand die hen helpt.

Zo sterven ze langzaam van honger en dorst,

ze sterven langzaam in de armen van hun moeder.

13Inwoners van Jeruzalem, wat kan ik nog zeggen?

Waarmee kan ik jullie troosten? Hoe kan ik jullie helpen?

Jullie pijn is ongelofelijk groot,

maar er is niemand die jullie kan genezen.

14Jullie profeten hebben jullie bedrogen, hun woorden waren waardeloos.

Ze hebben jullie niet gewaarschuwd om beter te gaan leven.

15Nu lacht iedereen jullie uit, iedereen die jullie ziet.

Mensen schrikken als ze zien wat er gebeurd is.

Ze vinden het afschuwelijk, ze hebben medelijden met jullie.

Ze vragen: ‘Is dit die prachtige stad?

Is dit die stad waar het hele land trots op was?’

De Heer had geen medelijden

16Alle vijanden lachen als ze jullie zien,

ze beledigen jullie en zingen spotliedjes.

Ze zeggen: ‘Wij hebben Jeruzalem verwoest.

Eindelijk is het zover, naar deze dag hebben we verlangd!’

17De Heer heeft gedaan wat hij lang geleden gezegd heeft.

Hij heeft de stad laten verwoesten, zoals hij van plan was.

Hij had geen medelijden, hij liet de vijanden overwinnen,

hij zorgde ervoor dat ze sterker waren dan jullie.

18Inwoners van Jeruzalem, jullie schreeuwen het uit!

Laat je tranen maar stromen, dag en nacht,

laat ze stromen als een brede rivier.

19Blijf maar jammeren, blijf dag en nacht klagen.

Smeek de Heer om hulp, blijf tot hem bidden!

In elke straat sterven mensen van de honger.

Vraag aan de Heer of hij jullie laat leven.

De Heer heeft Jeruzalem gestraft

20Heer, kijk toch wat u met Jeruzalem doet!

Vrouwen eten hun eigen kinderen op,

priesters en profeten sterven in uw tempel.

21Overal op straat liggen mensen, jong en oud,

mannen en vrouwen die door u zijn gedood.

U had geen medelijden,

zo woedend was u!

22U riep alle vijanden van Jeruzalem bij elkaar, alsof er een feest was.

Maar u wilde de stad straffen.

Niemand kon ontsnappen, niemand bleef in leven.

Alle inwoners zijn door de vijanden gedood,

zo woedend was u!

3

Het derde lied

De dichter is wanhopig

31Ik lijd pijn, omdat de Heer kwaad op mij is.

2Hij maakt het donker om mij heen, nergens is nog licht.

3Hij straft me hard, iedere dag opnieuw.

4Ik ben mager en ziek, het voelt alsof al mijn botten gebroken zijn.

5De Heer valt me aan, van alle kanten krijg ik ellende over me heen.

6Hij maakt het donker om me heen, het is alsof ik al dood ben.

7Het voelt alsof ik gevangen zit, ik kan nergens heen.

8-9En als ik weg wil vluchten, houdt de Heer mij tegen.

Hij wil mijn gebed niet horen, zelfs niet als ik schreeuw om hulp.

10De Heer kijkt naar mij als een hongerige beer,

als een leeuw die verstopt zit in de struiken.

11De Heer valt me aan en verscheurt me, hij vernietigt me.

12Hij spant zijn boog en richt zijn pijlen op mij,

13ze raken me in mijn hart.

14De mensen van mijn volk lachen me uit,

ze zingen spotliedjes, de hele dag.

15De Heer maakt mijn leven zwaar en ellendig.

16Hij straft me streng, hij vernedert me.

17Ik vind geen vrede meer, ik weet niet meer wat geluk is.

18Ik heb geen toekomst meer,

en ik ben bang dat de Heer me niet zal redden.

19Ik denk na over de pijn en de ellende waarmee de Heer me straft.

20Steeds als ik daaraan denk, ben ik diep ongelukkig.

De dichter blijft vertrouwen

21Maar ik blijf vertrouwen, omdat ik weet:

22De Heer is goed voor zijn volk, we leven nog!

Zijn liefde blijft altijd bestaan.

23Zijn trouw is groot.

Hij zorgt voor ons, elke dag weer.

24De Heer is alles wat ik nodig heb, op hem vertrouw ik.

25De Heer is goed voor mensen die hem blijven zoeken.

26Het is goed om stil te wachten op de Heer,

want hij zal mensen altijd bevrijden.

27Het is goed als mensen het moeilijk hebben in hun jeugd.

28-30Moeilijkheden komen van de Heer.

Als we geslagen worden, moeten we niet terugvechten.

Als we uitgelachen worden, moeten we zwijgen.

Laten we rustig wachten en stil blijven.

Laten we diep buigen voor de Heer,

misschien dat hij ons helpt.

31De Heer laat ons niet voor altijd alleen.

32Als hij ons laat lijden, troost hij ons ook,

want zijn liefde is groot.

33Hij geniet er niet van om mensen te laten lijden.

34-36De allerhoogste Heer ziet onze moeilijkheden.

Hij ziet het als gevangenen slecht behandeld worden.

Hij ziet het als mensen elkaar onrecht aandoen,

en als rechters iemand oneerlijk behandelen.

37De Heer heeft alle macht: als hij iets zegt, gebeurt het.

38Alles komt van hem, het goede en het slechte.

39Laten we dus niet klagen, maar nadenken over onze zonden.

En laten we blij zijn dat we nog leven!

De Heer is woedend

40Laten we nadenken over ons leven,

en laten we de Heer weer gaan dienen.

41We moeten bidden tot God in de hemel, met ons hele hart.

42Want we zijn slecht en ongehoorzaam geweest,

en God heeft onze fouten niet vergeven.

43Hij is woedend!

Hij achtervolgt ons en doodt ons, zonder medelijden.

44Hij laat zich niet meer zien, ons gebed bereikt hem niet.

45Hij heeft ons vernederd, we worden als vuil behandeld.

46Al onze vijanden lachen als ze ons zien.

47We zijn verschrikkelijk bang, we zien overal dood en ellende.

48Mijn tranen stromen als een brede rivier,

ik heb verdriet omdat mijn volk is verdwenen.

49-51Ik voel pijn als ik denk aan de vrouwen van Jeruzalem.

Het is vreselijk wat er met hen is gebeurd.

Mijn tranen zijn niet te drogen, ze blijven stromen,

totdat de Heer in de hemel mij ziet en mij helpt.

De Heer brengt redding

52Mijn vijanden hadden geen reden om mij te haten,

maar toch bleven ze mij achtervolgen.

53Het voelde alsof ik in een put was gegooid,

een diepe put waaruit ik niet kon ontsnappen.

54Het voelde alsof ik verdronk, ik was bang dat ik zou sterven.

55Heer, toen ik in nood was, riep ik naar u.

56Ik schreeuwde om hulp, en u hebt naar mij geluisterd!

57Toen ik naar u riep, was u dichtbij.

U zei: ‘Je hoeft niet bang te zijn.’

58U hebt mij geholpen, u hebt mijn leven gered.

59U zag dat ik onderdrukt werd.

Ik smeekte: ‘Help mij toch!’

60Mijn vijanden wilden mij doden, maar u hield hen tegen.

61Ze beledigden mij, maar u hoorde hen,

u kende hun slechte plannen.

62Heer, mijn vijanden zijn tegen mij.

Ze roddelen over mij, telkens weer,

63dag en nacht zingen ze spotliedjes.

64Straf mijn vijanden voor wat ze hebben gedaan!

65Zorg dat het slecht met hen gaat, maak hen wanhopig.

66Achtervolg hen met uw woede, zorg dat er niets van hen overblijft!

4

Het vierde lied

Het gaat slecht met de mensen

41Ach, wat gaat het slecht met de inwoners van Jeruzalem!

Ze waren zo rijk en gelukkig, maar nu liggen ze hulpeloos in de straten.

2Vroeger waren ze belangrijk, iedereen had respect voor hen.

Nu zijn ze onbelangrijk, ze zijn niets meer waard.

3Zelfs wilde honden in de woestijn geven hun jongen te drinken,

maar de moeders in Israël voeden hun kinderen niet.

Ze zijn zo wreed als struisvogels, die hun jongen in de steek laten.

4Baby’s sterven van de dorst,

kinderen smeken om brood, maar niemand geeft hun iets.

5Wie gewend was aan lekker eten, heeft nu honger.

Wie bij de koning aan tafel zat, zoekt nu tussen het afval naar eten.

6Maar dat is allemaal hun eigen schuld!

Want de mensen in Jeruzalem hebben zich verschrikkelijk gedragen.

Ze waren nog slechter dan de inwoners van Sodom.

Die stad werd opeens verwoest, en er was niemand die hielp.

7Ooit waren de leiders van Jeruzalem deftige mensen,

ze waren sterk en gezond, en hun gezichten straalden.

8Nu worden ze op straat door niemand meer herkend,

ze zijn ziek en mager, en hun huid is zwart van het vuil.

9Mensen sterven bijna van de honger, ze klagen:

‘Waren we maar gedood door onze vijanden!

Nu sterven we langzaam, want er is geen eten.’

10Vrouwen koken zelfs hun eigen kinderen,

ze eten hun kinderen op, want er is geen ander voedsel.

Zo slecht gaat het met het volk van Israël!

Priesters en profeten zijn schuldig

11-12Niemand had verwacht dat vijanden Jeruzalem zouden binnenkomen.

Maar de Heer was woedend, hij heeft de stad gestraft.

Hij heeft Jeruzalem platgebrand, er is niets meer van over.

13Dat is de schuld van de profeten en de priesters.

Zij leefden verkeerd, ze deden slechte dingen.

Ze hebben zelfs onschuldige mensen gedood.

14De priesters en de profeten liepen als dwazen door de straten,

het was alsof ze blind waren.

Ze hadden bloed aan hun kleren, niemand durfde hen aan te raken.

15Mensen riepen tegen hen: ‘Ga weg, jullie zijn onrein!

Weg, weg! Raak ons niet aan!’

De priesters en de profeten verlieten Jeruzalem,

ze zwierven van de ene plek naar de andere,

maar nergens mochten ze blijven.

16Niemand heeft nog respect voor de priesters en de leiders.

De Heer heeft hen uit Jeruzalem verjaagd.

Hij heeft hen in de steek gelaten.

De inwoners van Jeruzalem klagen

17Wij zochten naar mensen die ons konden helpen,

we zochten overal, maar er was niemand die ons hielp.

18Van alle kanten werden we aangevallen,

nergens waren we veilig, er was geen redding meer.

De dood was heel dichtbij, ons einde was gekomen!

19De vijanden jaagden op ons, zoals roofvogels jagen op hun prooi.

Ze achtervolgden ons tot in de bergen,

ze jaagden ons weg tot in de woestijn.

20Ze namen onze koning gevangen,

de koning die ons moest beschermen,

de koning die door de Heer was uitgekozen!

Zonder hem konden we niet leven.

21Inwoners van Edom en Us, nu zijn jullie nog vrolijk,

nu kunnen jullie nog lachen.

Maar ook jullie zullen gestraft worden!

Jullie zullen lijden, en naakt rondlopen.

22Jullie zullen volledig vernietigd worden!

Zo zal de Heer jullie straffen voor al jullie misdaden.

Maar wij zijn genoeg gestraft!

De Heer zal ons terughalen uit verre landen.