Bijbel in Gewone Taal (BGT)
7

Achan doet niet wat God wil

Achan houdt iets voor zichzelf

71Jozua had gezegd dat alles in Jericho voor de Heer was. Niemand mocht iets voor zichzelf houden. Maar de Israëlieten gehoorzaamden Jozua niet. Daarom werd de Heer woedend op hen.

Er was namelijk één man die toch iets voor zichzelf hield. Die man heette Achan, en hij kwam uit de stam Juda. Achan was een zoon van Karmi en een kleinzoon van Zabdi. Zabdi was een zoon van Zerach.

Er worden 36 Israëlieten gedood

2Vanuit Jericho stuurde Jozua een paar spionnen naar Ai. Die stad ligt vlak bij Bet-Awen, ten oosten van Betel. Jozua gaf de spionnen de opdracht om te gaan kijken hoe sterk Ai was. Dat deden ze. 3Toen ze terugkwamen bij Jozua, zeiden ze: ‘Het is niet nodig om het hele leger daarheen te sturen. Een paar duizend soldaten is al genoeg om de stad te verslaan, want er wonen maar weinig mensen in Ai.’

4-5Toen gingen er ongeveer drieduizend Israëlieten naar Ai. Maar bij de stadspoort werden ze verslagen door de soldaten van Ai. De Israëlieten vluchtten weg en de soldaten van Ai achtervolgden hen. Op de heuvel bij de steile rotsen doodden ze 36 Israëlieten. Toen werden de Israëlieten bang. Ze wisten niet meer wat ze moesten doen.

Jozua is wanhopig

6Jozua en de leiders van Israël scheurden hun kleren. Daarna lieten ze zich voor de heilige kist van de Heer op de grond vallen. Ze gooiden zand over hun hoofd als teken van rouw. En ze bleven tot de avond bij de heilige kist liggen.

7Jozua riep: ‘Heer, mijn God! Waarom hebt u ons de Jordaan laten oversteken? Wilde u soms dat de Amorieten ons zouden verslaan, en ons zouden doden? Waren we maar aan de andere kant van de Jordaan gebleven! 8Heer, wat kan ik nog tegen u zeggen? We zijn voor onze vijanden gevlucht! 9Als de inwoners van Kanaän dat horen, zullen ze ons van alle kanten aanvallen. Ze zullen ons doden! Dan zal uw volk niet meer bestaan. En dan zal niemand meer eerbied voor u hebben!’

De Heer vertelt waarom hij boos is

10Toen zei de Heer tegen Jozua: ‘Sta op! Houd op met klagen! 11Want jullie hebben iets verschrikkelijks gedaan. Jullie hebben je niet gehouden aan mijn regels. Ik had gezegd dat alles uit Jericho voor mij was. En dat daarom alles vernietigd moest worden. Maar iemand heeft iets tussen zijn eigen spullen verstopt. 12Daarom zijn jullie door je vijanden verslagen en moesten jullie vluchten. Dat is jullie straf. Ik wil dat jullie de gestolen voorwerpen aan mij geven en vernietigen. Anders zal ik jullie niet meer helpen.

13Sta op, en zorg ervoor dat de Israëlieten zich voorbereiden. Want morgen zullen ze mij ontmoeten, de Heer, de God van Israël. Vertel hun dat er iets uit Jericho gestolen is. En dat ze pas weer kracht zullen hebben om de vijanden te verslaan als de gestolen voorwerpen vernietigd zijn.

Jozua moet het volk bij elkaar roepen

14Jozua, morgenochtend moeten alle stammen naar je toe komen. Ik zal dan één stam aanwijzen. Van die stam moeten alle familiegroepen naar voren komen. Dan zal ik één familiegroep aanwijzen. Van die familiegroep moeten alle families naar voren komen. Dan zal ik één familie aanwijzen. Van die familie moeten alle mannen naar voren komen. 15Uiteindelijk zal ik aanwijzen wie van hen er iets gestolen heeft. Die man moet gedood en verbrand worden, samen met zijn hele familie en al zijn bezittingen. Want hij heeft zich niet aan mijn regels gehouden. Hij heeft iets verschrikkelijks gedaan.’

De Heer wijst Achan aan

16De volgende ochtend liet Jozua alle stammen van Israël bij zich komen. Eerst werd de stam Juda aangewezen. 17En Jozua liet alle familiegroepen van de stam Juda naar voren komen. Toen werd de familiegroep van Zerach aangewezen. Daarna liet Jozua alle families van Zerach naar voren komen. Toen werd de familie van Zabdi aangewezen. 18En Jozua liet alle mannen uit de familie van Zabdi naar voren komen.

Uiteindelijk werd Achan aangewezen. Achan kwam uit de stam Juda. Hij was een zoon van Karmi en een kleinzoon van Zabdi. Zabdi was een zoon van Zerach.

Achan vertelt wat hij gedaan heeft

19Toen zei Jozua: ‘Achan, vertel me wat je gedaan hebt. Probeer het niet te verbergen. Heb eerbied voor de Heer en vertel alles!’

20Achan antwoordde: ‘Ik ben schuldig. Ik heb me niet gehouden aan de regels van de Heer, de God van Israël. Dit heb ik gedaan: 21Toen we Jericho veroverd hadden, zag ik een prachtige mantel uit Sinear, 2 kilo zilver en een stuk goud van een halve kilo. Ik wilde dat allemaal zo graag hebben, dat ik het meegenomen heb. Ik heb het verstopt in mijn tent, onder de grond. Het zilver ligt onder de mantel.’

22Jozua stuurde een paar mannen naar de tent. Daar vonden ze inderdaad de mantel, het goud en het zilver. 23De mannen pakten de gestolen spullen uit de tent en brachten ze naar Jozua en de Israëlieten. Ze legden alles neer voor de heilige kist van de Heer.

Achan en zijn familie worden gedood

24Toen werd Achan naar het Achor-dal gebracht. Ook de mantel, het goud en het zilver werden meegenomen, samen met alle bezittingen van Achan: zijn tent, zijn koeien, ezels, schapen en geiten, en ook zijn zonen en dochters. 25En Jozua zei: ‘Jij hebt ons een heleboel ellende gebracht. Daarom zal de Heer jou vandaag een heleboel ellende brengen.’

Toen werd Achan samen met zijn hele familie met stenen doodgegooid. Daarna werden alle lichamen en alle bezittingen verbrand. 26De Israëlieten bedekten alles met een grote berg stenen. Toen was de Heer niet meer kwaad.

Die stenen liggen er nog steeds, en die plek heet nog steeds het Achor-dal.

8

De aanval op de stad Ai

Jozua moet de stad Ai aanvallen

81De Heer zei tegen Jozua: ‘Je moet niet bang zijn! Neem het hele leger met je mee en val de stad Ai aan. Ik zal ervoor zorgen dat je de koning van Ai en zijn volk verslaat. En dat je zijn stad en zijn land verovert. 2-3Doe hetzelfde als in Jericho: vernietig de stad en dood de koning. Maar deze keer mogen jullie de bezittingen en het vee voor jezelf houden.’

Een deel van het volk verstopt zich

Jozua en het leger maakten zich klaar om de stad Ai aan te vallen. De Heer had ook gezegd dat een deel van de soldaten zich bij de stad moest verstoppen. Dan konden zij de stad plotseling aanvallen.

Daarom gaf Jozua 30.000 soldaten de volgende opdracht: ‘Jullie moeten vannacht naar Ai gaan 4en je daar verstoppen. Verstop je zo dicht mogelijk bij de stad, zodat jullie meteen kunnen aanvallen. 5Ik zal met de rest van het leger de stad aanvallen. Dan zal het leger van Ai de stad uit komen, net als de vorige keer. En dan zullen wij wegrennen. 6Dan denken zij dat we weer vluchten, net als de vorige keer. En dan zullen ze ons achtervolgen. We zullen blijven rennen tot ze allemaal de stad uit zijn.

7Dan moeten jullie tevoorschijn komen en de stad veroveren. De Heer, jullie God, zal zorgen dat de stad van jullie wordt. 8Dus verover Ai en steek de stad in brand. Want dat is het bevel van de Heer. Jullie moeten doen wat ik zeg.’

9Daarna stuurde Jozua de soldaten op weg. Ze gingen naar een plek tussen Betel en Ai, ten westen van Ai. Daar verstopten ze zich. Jozua bleef die nacht in het kamp bij de rest van het leger.

De Israëlieten gaan op weg naar Ai

10-11De volgende ochtend stond Jozua vroeg op om de soldaten te controleren en te tellen. Daarna ging het leger op weg naar de stad Ai. Jozua en de leiders van Israël liepen voorop. Toen kwamen ze bij de noordkant van de stad. Daar maakten ze een nieuw kamp. Tussen de stad en het kamp lag alleen een dal.

12Jozua had ongeveer vijfduizend soldaten de opdracht gegeven om zich te verstoppen. Ze hadden zich verstopt bij de westkant van de stad, tussen Betel en Ai. 13Het leger was dus op de volgende manier verdeeld: een klein deel stond klaar aan de westkant van de stad, en de rest stond klaar aan de noordkant.

De mannen van Ai verlaten de stad

Die nacht ging Jozua met zijn leger naar de overkant van het dal. 14Toen de koning van Ai hen zag, ging hij meteen met zijn leger de stad uit. Hij ging naar het dal van de Jordaan en viel de Israëlieten aan. Maar hij wist niet dat er ook soldaten in de buurt van de stad verstopt zaten.

15Jozua en zijn leger lieten zich wegjagen en vluchtten de woestijn in. 16-17Toen stuurde de koning van Ai een bericht naar alle mannen die nog in de stad waren. Ook zij moesten Jozua en zijn leger gaan achtervolgen. Ze gingen allemaal achter de Israëlieten aan. Daardoor lieten ze de stad Ai onbeschermd achter. Er bleef in Ai niet één man achter.

De Israëlieten veroveren Ai

18Toen zei de Heer tegen Jozua: ‘Wijs met je zwaard in de richting van Ai. Want ik zal ervoor zorgen dat die stad van jou wordt.’ Dus wees Jozua met zijn zwaard naar Ai. 19Dat was het teken voor de soldaten die zich in de buurt van de stad verstopt hadden. Ze kwamen meteen tevoorschijn en renden de stad binnen. Ze veroverden Ai en staken de stad in brand.

20-21Toen de mannen van Ai omkeken, zagen ze rook uit hun stad omhoogkomen. Ze schrokken zo erg, dat ze geen kracht meer hadden om weg te vluchten. En toen de Israëlieten in de woestijn de rook zagen, wisten ze dat de stad veroverd was. Op dat moment kwamen zij terug om de mannen van Ai aan te vallen. 22En de Israëlieten die de stad veroverd hadden, verlieten de stad. Ook zij vielen de mannen van Ai aan. Het leger van Ai werd dus van twee kanten aangevallen door de Israëlieten.

Alle inwoners worden gedood

De Israëlieten doodden alle mannen van Ai. Niemand van hen kon vluchten, niemand van hen bleef in leven. 23Alleen de koning van Ai werd door de Israëlieten gevangengenomen en naar Jozua gebracht. 24Maar verder werd het hele leger van Ai gedood. Dat gebeurde in de woestijn, waar de Israëlieten eerst zelf achtervolgd waren.

Daarna gingen de Israëlieten weer naar Ai en doodden er alle andere inwoners. 25Er stierven op die dag 12.000 mannen en vrouwen uit Ai. 26De hele tijd had Jozua met zijn zwaard naar de stad gewezen, totdat alle inwoners gedood waren. 27Maar al het vee en de bezittingen mochten de Israëlieten voor zichzelf houden. Dat had de Heer tegen Jozua gezegd.

28Toen liet Jozua de stad Ai helemaal afbranden. Er bleef alleen nog een hoop stenen over. Die stenen liggen er nog steeds. 29En de koning van Ai werd opgehangen aan een boom. Pas toen de zon onderging, liet Jozua het lichaam van de boom af halen. Het lichaam werd bij de stadspoort op de grond gegooid, en het werd bedekt met een grote hoop stenen. Die stenen liggen daar nog steeds.

Jozua maakt een altaar voor de Heer

30Daarna maakte Jozua op de berg Ebal een altaar voor de Heer, de God van Israël. 31-32Op dat altaar brachten de Israëlieten offers aan de Heer. Het altaar was gemaakt van stenen die niet bewerkt waren met gereedschap van ijzer. Want dat was de opdracht van Mozes, de dienaar van de Heer. En zo stond het ook in zijn wetboek. Alle Israëlieten waren erbij geweest toen Mozes die wetten opschreef.

Nu schreef Jozua de wetten op de stenen van het altaar.

Jozua zegent alle Israëlieten

33Mozes had gezegd dat de Israëlieten gezegend moesten worden. Dat moest gebeuren in het dal tussen de berg Gerizim en de berg Ebal. Dus alle Israëlieten waren daarheen gegaan. Ook hun leiders en rechters, en ook alle vreemdelingen die bij hen woonden.

In het midden van het dal stonden de priesters met de heilige kist van de Heer. De Israëlieten gingen eromheen staan. De ene helft van de Israëlieten ging aan de kant van de berg Gerizim staan. De andere helft ging aan de kant van de berg Ebal staan.

Toen zegende Jozua de Israëlieten, 34en daarna las hij alle wetten van Mozes voor. Hij las precies voor wat er stond, ook alle beloningen en straffen. 35Hij las alles voor uit het wetboek. Iedereen hoorde het. Ook de vrouwen en kinderen, en ook de vreemdelingen die bij de Israëlieten woonden.

9

De Chiwwieten uit Gibeon

Het plan om Israël aan te vallen

91-2Verschillende koningen uit het gebied ten westen van de Jordaan hoorden over de overwinningen van de Israëlieten. Ze spraken met elkaar af om Jozua en de Israëlieten aan te vallen. Het waren de koningen van de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten. Ze kwamen niet alleen uit de bergen en de heuvels, maar ook uit de gebieden bij de Middellandse Zee en uit de Libanon-bergen.

De Chiwwieten bedenken een ander plan

3Maar de Chiwwieten uit Gibeon deden niet mee. Toen zij hoorden dat Jozua de steden Jericho en Ai vernietigd had, 4bedachten ze een plan: een paar Chiwwieten zouden doen alsof ze boodschappers waren uit een ver land.

Dat gebeurde op de volgende manier: De Chiwwieten legden oude tassen en gescheurde wijnzakken op hun ezels. 5Ze deden kapotte schoenen en oude kleren aan. En voor onderweg namen ze alleen wat droog brood mee. 6Zo gingen ze naar het kamp in Gilgal, naar Jozua.

De Chiwwieten zeiden tegen Jozua en de Israëlieten: ‘We komen uit een ver land en we willen vrede met jullie sluiten.’ 7De Israëlieten zeiden: ‘Maar misschien wonen jullie wel in een gebied dat van ons is. Als dat zo is, kunnen we geen vrede met jullie sluiten.’

8Toen zeiden de Chiwwieten tegen Jozua: ‘Heer, wij doen alles voor u. Laat ons uw slaven zijn.’ Jozua zei: ‘Maar wie zijn jullie en waar komen jullie vandaan?’

9Ze antwoordden: ‘Wij komen uit een heel ver land. Wij hebben gehoord wat de Heer, uw God, allemaal gedaan heeft. We hebben gehoord over zijn grote daden in Egypte. 10En we weten wat de Heer gedaan heeft met de twee koningen van de Amorieten ten oosten van de Jordaan: koning Sichon van Chesbon en koning Og van Basan, die in Astarot woonde.’

Jozua sluit vrede met de Chiwwieten

11De Chiwwieten vertelden verder: ‘Toen we dat allemaal gehoord hadden, stuurden onze leiders en de rest van het volk ons naar jullie toe. We moesten genoeg eten voor onderweg meenemen en we moesten dit zeggen: ‘Wij doen alles voor jullie. Willen jullie vrede met ons sluiten?’

12Kijk, dit is ons brood. Toen we vertrokken, was het warm en vers. Maar nu is het zo droog dat het uit elkaar valt. 13En deze wijnzakken waren nieuw toen we ze vulden. Maar kijk, nu zijn ze versleten. En ook onze kleren en schoenen zijn helemaal versleten door de lange reis.’

14Toen namen de leiders van de Israëlieten het brood van de Chiwwieten aan. Daarmee lieten ze zien dat ze vrede wilden sluiten. Maar ze vergaten de Heer om raad te vragen. 15Toen sloot Jozua vrede met de Chiwwieten. En hij beloofde plechtig, samen met de leiders van Israël, om hen in leven te laten.

De Israëlieten ontdekken de waarheid

16-17Drie dagen later bereikten de Israëlieten de steden Gibeon, Kefira, Beërot en Kirjat-Jearim. Dat waren steden van de Chiwwieten. Zo ontdekten ze dat de Chiwwieten helemaal niet ver weg woonden. Ze woonden juist dichtbij. 18-19Maar toch doodden de Israëlieten hen niet. Want hun eigen leiders hadden plechtig beloofd om de Chiwwieten in leven te laten.

De Israëlieten klaagden daarover bij hun leiders. Maar die zeiden: ‘Door onze plechtige belofte kunnen we de Chiwwieten niet aanvallen. Dat is zo zeker als de Heer, de God van Israël, leeft! 20-21We hebben beloofd om hen in leven te laten. We mogen hen dus niet doden, anders zal de Heer ons straffen. Maar we kunnen hen wel voor ons laten werken.’

Toen werd besloten dat de Chiwwieten voortaan hout moesten hakken en water moesten halen voor de Israëlieten.

De Chiwwieten worden slaven

22Jozua riep de Chiwwieten bij zich en vroeg: ‘Waarom hebben jullie tegen ons gelogen? Waarom hebben jullie gezegd dat jullie ver weg wonen, terwijl dat niet zo is? 23Onze God zal jullie daarvoor straffen! Jullie zullen voor altijd onze slaven zijn. Jullie zullen hout moeten hakken en water moeten halen voor de tempel van onze God.’

24Toen zeiden de Chiwwieten tegen Jozua: ‘We waren bang voor u. Want de Heer, uw God, had tegen zijn dienaar Mozes gezegd dat hij het hele land aan u zou geven. En hij had gezegd dat hij alle inwoners zou vernietigen. Daarom hebben we tegen u gelogen. 25Maar nu zijn wij uw dienaren. Doe met ons wat u goed en eerlijk vindt.’

26Vanaf toen beschermde Jozua de Chiwwieten. De Israëlieten mochten hen dus niet doden. 27Jozua liet de Chiwwieten voor iedereen houthakken en water halen. Ze moesten ook werken bij het altaar van de Heer.

De Chiwwieten doen dat werk nog steeds. Ze werken voor de tempel, op de plaats die de Heer uitgekozen heeft.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]