Bijbel in Gewone Taal (BGT)
4

Twaalf mannen maken een monument

41Toen alle Israëlieten aan de overkant van de Jordaan waren, zei de Heer tegen Jozua: 2‘Kies uit het volk twaalf mannen, uit elke stam één. 3Zeg tegen die mannen dat ze naar het midden van de Jordaan moeten gaan. Op de plek waar de priesters staan, moeten ze twaalf grote stenen pakken. Die moeten ze neerleggen in het kamp waar ze vannacht gaan slapen.’

4Dus Jozua koos twaalf mannen uit, één uit elke stam. Hij riep hen bij zich 5en zei: ‘Ga naar het midden van de Jordaan, naar de heilige kist van de Heer, jullie God. Daar moet ieder van jullie één steen pakken, voor elke stam één. Die moet je op je schouder hierheen dragen. 6De stenen zullen later voor jullie een teken zijn. Als jullie kinderen dan vragen wat die stenen betekenen, 7dan moet je zeggen: ‘Het water van de Jordaan werd tegengehouden door de heilige kist van de Heer. Want zodra de kist de Jordaan in ging, stopte het water met stromen. Deze stenen zullen ons daar voor altijd aan herinneren.’’

8De twaalf mannen deden wat Jozua gezegd had. Ze haalden twaalf stenen uit de Jordaan, één voor elke stam. Ze brachten de stenen naar hun kamp en legden ze daar neer. Zo deden ze precies wat de Heer tegen Jozua gezegd had.

Jozua maakt ook een monument

9Jozua maakte een monument midden in de rivier, op de plek waar de priesters stonden. Dat monument bestond ook uit twaalf stenen, en het staat daar nog steeds.

10De priesters moesten midden in de Jordaan blijven staan totdat de opdracht van de Heer helemaal uitgevoerd was. Mozes had vroeger al tegen Jozua gezegd dat het zo moest gebeuren.

De priesters lopen voorop

De Israëlieten waren zo snel mogelijk naar de overkant van de rivier gegaan. 11-13Daarna gingen ook de priesters naar de overkant, met de heilige kist van de Heer.

Toen gingen de Israëlieten verder. De priesters liepen voorop, en het volk liep achter hen aan. Maar helemaal vooraan liep een groep van 40.000 soldaten. Dat waren de soldaten van de stammen Ruben en Gad, en van de helft van de stam Manasse. Want zo had Mozes het gezegd. De soldaten liepen voorop om te gaan vechten in de buurt van Jericho.

14Op die dag kregen alle Israëlieten veel respect voor Jozua. Net zo veel respect als ze vroeger voor Mozes hadden. Daar zorgde de Heer voor.

De rivier stroomt weer vol

15De Heer had tegen Jozua gezegd: 16‘Zeg tegen de priesters dat ze met de heilige kist uit de Jordaan moeten komen.’ 17Dat had Jozua gedaan, 18en de priesters waren de Jordaan uit gekomen. Meteen ging de rivier weer stromen, en het water stond weer net zo hoog als eerst.

19De Israëlieten bereikten de overkant van de Jordaan op de tiende dag van de eerste maand. Ze maakten een kamp bij de stad Gilgal, ten oosten van Jericho. 20En de twaalf stenen die de mannen uit de Jordaan gehaald hadden, werden daar rechtop gezet.

21Toen zei Jozua tegen de Israëlieten: ‘Als jullie kinderen later vragen wat die stenen betekenen, 22zeg dan het volgende: ‘Wij zijn dwars door de Jordaan naar de overkant gelopen, over droge grond. 23Want de Heer hield het water tegen. Op dezelfde manier heeft hij ons volk vroeger naar de overkant van de Rietzee gebracht. 24Door die wonderen zullen alle volken op aarde weten hoe machtig de Heer, onze God, is. En door die wonderen zullen jullie hem altijd dienen.’’

5

Veel koningen zijn bang voor Israël

51In het gebied tussen de Jordaan en de Middellandse Zee woonden de Amorieten en de Kanaänieten. De koningen van die volken hoorden dat de God van Israël het water van de Jordaan tegengehouden had. En dat de Israëlieten de Jordaan overgestoken waren. Toen werden die koningen bang. Ze durfden geen oorlog meer te voeren tegen de Israëlieten.

Alle mannen worden besneden

Jozua laat alle mannen besnijden

2Toen zei de Heer tegen Jozua: ‘Pak stenen en maak daar messen van. Ik wil dat je alle mannen en jongens gaat besnijden.’ 3Jozua ging naar de Voorhuidenheuvel, en hij deed wat de Heer gezegd had.

4-7Alle mannen moesten besneden worden. Want de mannen die in Egypte besneden waren, leefden niet meer. En tijdens de reis door de woestijn was niemand besneden.

Die reis had veertig jaar geduurd. Dat kwam zo: In het begin van de reis hadden de Israëlieten niet naar de Heer geluisterd. Daarom had de Heer tegen hen gezegd: ‘Jullie zullen het land Kanaän nooit te zien krijgen. Jullie kinderen zullen er gaan wonen. Maar dat gebeurt pas als jullie allemaal gestorven zijn. Dan zullen jullie kinderen het vruchtbare land krijgen dat ik aan jullie voorouders beloofd heb.’

Nu, na veertig jaar, waren alle mannen uit het begin van de reis gestorven. En nu werden hun zonen door Jozua besneden. 8Toen alle mannen besneden waren, bleven ze in hun tenten totdat hun wonden genezen waren.

9De Heer zei tegen Jozua: ‘Het was verschrikkelijk voor jullie om slaaf te zijn van de Egyptenaren. Vanaf vandaag zorg ik ervoor dat jullie zoiets nooit meer hoeven mee te maken.’ Jozua noemde de plaats waar ze toen waren, Gilgal. Die plaats heet nog steeds zo.

De Israëlieten vieren het Paasfeest

10Toen de Israëlieten in het kamp bij Gilgal waren, vlak bij Jericho, vierden ze het Paasfeest. Dat was op de avond van de veertiende dag van de eerste maand. 11-12Na het Paasfeest viel er geen manna meer uit de hemel. Vanaf toen bakten de Israëlieten brood van het graan dat in het land groeide. Het hele jaar door aten ze voedsel dat van de akkers in Kanaän kwam.

Jericho wordt veroverd

Jozua ontmoet Gods legerleider

13Toen Jozua eens in de buurt van Jericho liep, stond er plotseling een man voor hem. De man had een zwaard in zijn hand. Jozua liep naar hem toe en vroeg: ‘Hoor je bij ons of ben je een vijand?’ 14De man antwoordde: ‘Geen van beide. Ik ben de leider van Gods leger. Daarom ben ik hier.’

Toen knielde Jozua en maakte een diepe buiging. Jozua zei: ‘Ik ben uw dienaar, heer. Zeg me wat ik moet doen.’ 15De legerleider zei: ‘Trek je schoenen uit, want je staat op een heilige plek.’ En Jozua trok zijn schoenen uit.

6

Jericho moet veroverd worden

61De inwoners van Jericho hadden de poorten van hun stad gesloten. Dat hadden ze gedaan uit angst voor de Israëlieten. Niemand kon de stad in en niemand kon de stad uit.

2Toen zei de Heer tegen Jozua: ‘Ik zal ervoor zorgen dat jij de koning van Jericho met zijn hele leger verslaat. Jullie zullen Jericho veroveren. 3Je moet met al je soldaten zes dagen lang om Jericho heen lopen. Elke dag moet je één keer om de stad heen lopen. 4Voorop moeten zeven priesters met trompetten lopen. Daarachter lopen dan de andere priesters met de heilige kist van de Heer.

Op de zevende dag moeten jullie zeven keer om de stad heen lopen. Intussen blazen de priesters op hun trompetten. 5Als jullie een lange toon horen, moeten jullie allemaal heel hard gaan schreeuwen. Dan zal de stadsmuur instorten, en dan kunnen jullie van alle kanten de stad in gaan.’

Het volk loopt om Jericho heen

6Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de priesters bij zich. Hij zei tegen hen: ‘Jullie moeten de heilige kist van de Heer dragen. En zeven priesters moeten met trompetten voor de heilige kist uit lopen.’

7Daarna zei Jozua tegen de soldaten: ‘Ga op weg naar Jericho. Loop om de stad heen en stuur de sterkste soldaten naar voren. Zij moeten voor de heilige kist van de Heer uit lopen.’

8-9Zo gebeurde het. Voorop liepen de sterkste soldaten. Daarachter liepen de zeven priesters met trompetten. Achter hen liepen de priesters met de heilige kist van de Heer. En daarna volgde de rest van de soldaten.

Het geluid van de trompetten was de hele tijd te horen. 10Maar verder was iedereen stil. Want Jozua had gezegd: ‘Jullie mogen niet schreeuwen, jullie moeten stil blijven. Pas als ik het zeg, moeten jullie schreeuwen.’

11De Israëlieten liepen met de heilige kist één keer om de stad heen. Daarna kwamen ze terug in hun kamp, en ze bleven daar de hele nacht.

Het volk doet zes dagen hetzelfde

12De volgende ochtend stonden Jozua en de Israëlieten vroeg op. De priesters tilden de heilige kist van de Heer op. 13En iedereen begon weer te lopen. Voorop liepen de sterkste soldaten. Daarachter liepen de zeven priesters met trompetten. Toen kwamen de priesters met de heilige kist, en daarna de rest van de soldaten. Het geluid van de trompetten was de hele tijd te horen.

14Ook op die tweede dag liepen de Israëlieten één keer om de stad heen, en gingen ze daarna terug naar het kamp. Dat deden ze in totaal zes dagen achter elkaar.

De zevende dag

15Op de zevende dag stonden de Israëlieten op zodra het licht werd. En ze liepen op dezelfde manier om de stad heen. Maar nu deden ze dat zeven keer achter elkaar. 16Intussen bliezen de priesters steeds op hun trompetten.

Bij de zevende keer riep Jozua tegen de soldaten: ‘Straks moeten jullie schreeuwen. De Heer zorgt ervoor dat we de stad kunnen veroveren! 17-19Maar denk erom: de stad, en ook alles in de stad, is niet voor ons. Alles is voor de Heer. Daarom moeten jullie alles vernietigen.

Jullie moeten al het zilver en goud, en alle voorwerpen van koper, brons en ijzer bij de kostbare schatten van de Heer bewaren. Maar al het andere moet vernietigd worden. Alles is voor de Heer. Jullie mogen echt niets voor jezelf houden. Als je dat wel doet, zal ons eigen kamp ook vernietigd worden!

Alleen de hoer Rachab mag blijven leven, samen met de mensen die bij haar in huis zijn. Want Rachab heeft onze spionnen geholpen.’

De Israëlieten veroveren Jericho

20Toen bliezen de priesters lang op de trompetten, en alle soldaten schreeuwden zo hard mogelijk. Meteen stortte de stadsmuur in. De soldaten gingen van alle kanten de stad in. 21Daar doodden ze alles en iedereen: mannen, vrouwen, kinderen, oude mensen, koeien, schapen en ezels.

22Jozua zei tegen de twee spionnen: ‘Doe wat jullie aan Rachab beloofd hebben. Ga naar haar huis, en breng haar samen met haar hele familie naar buiten.’ 23De spionnen brachten Rachab naar buiten, samen met haar vader en moeder en haar broers, en met de rest van de familie. Ze mochten bij het kamp van de Israëlieten wonen.

24Intussen staken de Israëlieten de stad in brand. Alleen het zilver en goud, en de voorwerpen van koper, brons en ijzer bewaarden ze bij de kostbare schatten van de Heer. De rest werd verbrand. 25Maar Rachab en iedereen die bij haar hoorde, lieten ze in leven. Want Rachab had de spionnen geholpen die Jozua naar Jericho gestuurd had. De nakomelingen van Rachab wonen nu nog steeds bij de Israëlieten.

26Toen Jericho veroverd was, waarschuwde Jozua de Israëlieten. Hij zei: ‘Niemand mag deze stad opnieuw opbouwen. De man die dat toch probeert, zal gestraft worden: zijn oudste en zijn jongste zoon zullen sterven. Daar zal de Heer voor zorgen.’

27De Heer hielp Jozua bij alles wat hij deed, en Jozua werd beroemd in het hele land.