Bijbel in Gewone Taal (BGT)
22

Het altaar bij de Jordaan

Ruben, Gad en Manasse mogen terug

221Toen riep Jozua de stammen Ruben en Gad en de eerste helft van de stam Manasse bij zich. 2Hij zei tegen hen: ‘Jullie hebben alles gedaan wat Mozes, de dienaar van de Heer, tegen jullie gezegd heeft. En jullie hebben ook altijd goed naar mij geluisterd. 3Jullie hebben de andere stammen van Israël nooit in de steek gelaten. Jullie hebben je altijd gehouden aan de opdracht van de Heer, onze God. En dat doen jullie nog steeds.

4Nu heeft de Heer ook gebieden gegeven aan de andere stammen, zoals hij beloofd had. Daarom is het nu tijd om terug te gaan naar de gebieden die Mozes jullie gegeven heeft. Ga daar wonen, aan de andere kant van de Jordaan.’

De drie stammen moeten trouw blijven

5Daarna zei Jozua: ‘Houd je altijd heel precies aan de wetten en regels van de Heer, die Mozes aan jullie gegeven heeft. Jullie moeten de Heer, je God, liefhebben. Leef zoals hij het wil en houd je aan zijn wetten. Wees hem altijd trouw en dien hem met heel je hart en heel je ziel.’

6-9Toen wenste Jozua de drie stammen een goede reis toe. Hij zei: ‘Ga terug naar huis, met al jullie bezit. Neem alles mee: al je vee, zilver en goud, brons en ijzer, en al je kleren. Deel jullie bezit met de mensen die achtergebleven zijn.’

Toen gingen de stammen Ruben en Gad en de eerste helft van de stam Manasse terug naar hun eigen gebieden. Ze verlieten de andere Israëlieten in Silo in het land Kanaän. Ze gingen terug naar het land Gilead, ten oosten van de Jordaan. Want in de tijd van Mozes had de Heer gezegd dat ze daar moesten gaan wonen.

De eerste helft van de stam Manasse had daar een gebied gekregen van Mozes. Dat gebied lag in de streek Basan, ten oosten van de Jordaan. De tweede helft van de stam Manasse had ook een gebied gekregen van Jozua. Dat gebied lag ten westen van de Jordaan, bij de gebieden van de andere stammen.

De drie stammen bouwen een altaar

10-11Toen de drie stammen in het gebied bij de Jordaan kwamen, bouwden ze daar een heel groot altaar. Dat deden ze nog voordat ze de rivier overstaken. Ze waren toen dus nog in het gebied van de andere stammen. Toen die stammen hoorden wat de drie stammen gedaan hadden, 12kwamen ze bij elkaar in Silo. Ze maakten zich klaar om de drie stammen aan te vallen.

13Maar eerst stuurden ze mensen om met de drie stammen te gaan praten. Dat waren Pinechas, de zoon van de priester Eleazar, 14en de leiders van de andere stammen.

Pinechas en de leiders worden boos

15Pinechas en de leiders kwamen bij de drie stammen. Die waren intussen de Jordaan overgestoken en in Gilead aangekomen. Pinechas en de leiders zeiden tegen de drie stammen: 16‘Wij spreken namens het hele volk van de Heer. We willen weten waarom jullie niet meer trouw zijn aan de Heer, de God van Israël. Waarom luisteren jullie niet meer naar hem? Waarom hebben jullie dit altaar gebouwd? Er mag toch alleen een altaar staan in de heilige tent van de Heer? Jullie zijn tegen hem in opstand gekomen!

17-19Vinden jullie je eigen land niet geschikt om de Heer te vereren? Kom dan bij ons wonen. Want dat is het land van de Heer, daar staat zijn heilige tent. Maar kom niet tegen hem en tegen ons in opstand door een altaar te bouwen. Want er is al een altaar voor de Heer, onze God.

Zijn jullie vergeten wat er in Peor gebeurd is? Was dat niet erg genoeg? Toen heeft de Heer ons volk streng gestraft. En we zijn nog steeds schuldig! Maar nu luisteren jullie weer niet naar de Heer. Als jullie tegen hem in opstand komen, zal hij het hele volk streng straffen!

20Hij zal niet alleen jullie straffen, maar ook ons. Dat gebeurde ook toen Achan, de zoon van Zerach, zich niet aan de regels van de Heer hield. Hij hield iets voor zichzelf dat voor de Heer bestemd was. En toen strafte de Heer niet alleen Achan, maar het hele volk!’

De drie stammen geven antwoord

21Toen zeiden de drie stammen: 22‘De Heer, de machtige God, weet dat we niet in opstand gekomen zijn. Hij weet dat! En jullie moeten dat ook weten! Als we wel in opstand gekomen waren, zou hij ons mogen straffen.

23Ja, hij zou ons zeker mogen straffen als we dit altaar gebouwd hadden om allerlei offers te brengen. Want dan zouden we ongehoorzaam zijn.

24Maar we hebben dit altaar gebouwd omdat we ons zorgen maken over de toekomst. We zijn bang dat jullie nakomelingen tegen onze nakomelingen zullen zeggen: ‘Jullie horen niet bij het volk van de Heer, de God van Israël. 25Want jullie wonen aan de andere kant van de Jordaan. De Heer heeft die grens bepaald. Dus jullie horen niet bij ons.’ En dan zouden onze nakomelingen de Heer niet meer kunnen vereren.

Het altaar is bedoeld als teken

26Daarom hebben we tegen elkaar gezegd: ‘Laten we een eigen altaar bouwen.’ We hebben dat altaar niet gebouwd om offers te brengen. 27Want die willen we brengen bij de heilige tent van de Heer. Daar willen we hem dienen. Het altaar is bedoeld als teken van de afspraak tussen jullie en ons. Zodat jullie nakomelingen nooit tegen onze nakomelingen kunnen zeggen: ‘Jullie horen niet bij de Heer.’

28Als jullie nakomelingen dat later toch zeggen, kunnen onze nakomelingen antwoorden: ‘Kijk, hier staat precies zo’n altaar als het altaar van de Heer. Onze voorouders hebben het gebouwd. Het is niet bedoeld om offers te brengen, maar als teken van de afspraak tussen ons.’

29Wij zouden nooit in opstand komen tegen de Heer. We zouden nooit ongehoorzaam worden door een tweede altaar voor offers te bouwen. Want alleen het altaar van de Heer, onze God, bij de heilige tent is bedoeld om te offeren.’

Pinechas gelooft de drie stammen

30Toen de priester Pinechas en de leiders het antwoord van de drie stammen hoorden, waren ze gerustgesteld. 31En Pinechas zei: ‘Nu weten we dat de Heer bij ons blijft. Want jullie hebben niets verkeerds gedaan. Daarom zal de Heer ons niet straffen.’

32Daarna namen Pinechas en de leiders afscheid van de drie stammen. En ze gingen terug naar de andere Israëlieten in Kanaän. Daar vertelden ze wat er gebeurd was. 33Toen waren ook de andere Israëlieten gerustgesteld, en ze dankten God. Hun plan om de drie stammen aan te vallen ging niet door.

34De drie stammen noemden het altaar Teken. En ze zeiden: ‘Dit altaar is voor alle Israëlieten een teken dat de Heer onze God is.’

23

Jozua houdt een toespraak

Jozua roept iedereen bij elkaar

231Er waren veel jaren voorbijgegaan, en Jozua was al erg oud. De Heer had ervoor gezorgd dat het rustig was voor de Israëlieten. Er waren geen vijanden meer.

2Toen riep Jozua alle leiders van het volk, de leiders van de stammen en alle rechters bij elkaar. Hij zei tegen hen: ‘Ik ben al erg oud. 3Jullie weten wat de Heer, jullie God, gedaan heeft. Hij heeft voor jullie gevochten tegen de volken die hier woonden.

4-5En toen heb ik het hele land verdeeld: van de Jordaan in het oosten tot aan de Middellandse Zee in het westen. Dat heb ik gedaan door te loten voor alle stammen.

Het hele land is dus voor jullie. De volken die hier woonden, zijn gedood door de Heer, jullie God. En de volken die nog over zijn, zal hij wegjagen. Dan kunnen jullie gaan wonen in het hele land, zoals hij beloofd heeft.

Het volk moet trouw zijn aan de Heer

6Maar iedereen moet zich houden aan de wetten die Mozes gegeven heeft. Jullie moeten alles doen volgens die regels. 7Ga niet om met de andere volken die nog in het land leven. Bid niet tot hun goden. Jullie mogen ze niet vereren, jullie mogen niet voor ze knielen. En gebruik de naam van hun goden niet als je een plechtige belofte doet.

8Blijf altijd trouw aan de Heer, zoals jullie dat tot nu toe geweest zijn. 9Want hij heeft sterke en machtige volken voor jullie weggejaagd. Dankzij hem konden jullie altijd van iedereen winnen. 10Denk maar aan al die keren dat één soldaat duizend vijanden kon wegjagen! Dat kwam doordat de Heer, jullie God, jullie hielp. Dat had hij ook beloofd.

Als het volk ontrouw is

11Jullie moeten de Heer, jullie God, liefhebben. Anders zullen jullie sterven. 12Ga niet om met de mensen van andere volken die nog in het land wonen. Je mag niet met hen trouwen. Ga niet leven zoals zij.

Want als je de Heer niet meer dient, 13zal hij je niet meer beschermen tegen andere volken. Dan worden die volken gevaarlijk. Ze zullen jullie plotseling aanvallen. Ze zullen vreselijke dingen met jullie doen. Jullie zullen allemaal sterven in dit mooie land, dat de Heer, jullie God, aan jullie gegeven heeft.

14Luister goed! Ik ga bijna sterven. Jullie weten heel goed dat de Heer, jullie God, zich aan al zijn beloftes gehouden heeft. Hij heeft ze allemaal laten uitkomen.

15-16Hij heeft jullie een gelukkig leven gegeven, zoals hij beloofd had. Maar als jullie je niet houden aan zijn wetten, zal hij voor ongeluk zorgen. Als jullie andere goden gaan dienen en vereren, zullen jullie sterven. Dan zal de Heer, jullie God, woedend zijn. Hij zal jullie vernietigen, in dit mooie land dat hij aan jullie gegeven heeft.’

24

De voorouders van de Israëlieten

241Jozua riep alle stammen van Israël bij elkaar in Sichem. Hij liet de leiders van het volk, de leiders van de stammen en alle rechters naar voren komen bij de heilige kist van de Heer.

2Toen zei Jozua tegen het hele volk: ‘Dit moet ik zeggen van de Heer, de God van Israël: Jullie voorouders Terach, Abraham en Nachor woonden lang geleden ten oosten van de rivier de Eufraat. Zij vereerden toen andere goden. 3Maar de Heer haalde jullie voorvader Abraham daar weg, en liet hem door heel Kanaän rondtrekken. De Heer gaf hem veel nakomelingen.

De zoon van Abraham heette Isaak. 4Isaak was de vader van Jakob en Esau. Aan Esau gaf de Heer de Seïr-bergen om in te wonen. Maar Jakob en zijn zonen gingen naar Egypte.

5Later stuurde de Heer Mozes en Aäron naar Egypte. Hij strafte de Egyptenaren met zware straffen, en hij haalde jullie voorouders daar weg. 6-7Toen zij bij de Rietzee kwamen, zagen ze achter zich de Egyptenaren met hun paarden en wagens. Op dat moment smeekten jullie voorouders de Heer om hulp. Toen zorgde de Heer ervoor dat het donker werd, en hij liet de Egyptenaren verdrinken in de zee. Zo bevrijdde de Heer jullie voorouders uit Egypte.

De tijd ten oosten van de Jordaan

Daarna woonden jullie lange tijd in de woestijn. 8Totdat de Heer jullie naar het land ten oosten van de Jordaan bracht. Daar woonden de Amorieten. Zij vochten tegen jullie, maar de Heer zorgde ervoor dat jullie sterker waren. Hij vernietigde de Amorieten, en jullie konden in hun land gaan wonen.

9Daarna vocht de koning van Moab tegen jullie. Die koning was Balak, de zoon van Sippor. Balak wilde dat Bileam, de zoon van Beor, jullie zou vervloeken. 10Maar de Heer wilde niet naar Bileam luisteren. Hij zorgde er juist voor dat Bileam jullie zegende!

De tijd ten westen van de Jordaan

11Daarna staken jullie de Jordaan over en kwamen jullie bij de stad Jericho. Jullie moesten de inwoners aanvallen, en jullie versloegen hen. Jullie moesten ook strijden tegen de Amorieten, de Perizzieten, de Kanaänieten, de Hethieten, de Girgasieten, de Chiwwieten en de Jebusieten. Jullie wonnen elke strijd. 12De Heer zorgde ervoor dat die volken in paniek raakten en wegvluchtten. Zo waren ook de twee koningen van de Amorieten weggejaagd. Ook toen hoefden jullie geen wapens te gebruiken!

Jozua waarschuwt de Israëlieten

13De Heer gaf jullie een land, en daar hoefden jullie zelf niets voor te doen. Jullie wonen nu in steden die jullie niet zelf hoefden te bouwen. Jullie hebben nu prachtige wijngaarden en olijftuinen, die jullie niet zelf hoefden aan te leggen.

14Heb daarom eerbied voor de Heer. Dien alleen hem, wees alleen trouw aan hem. Doe alle goden weg die jullie voorouders nog vereerden ten oosten van de rivier de Eufraat en in Egypte. Dien alleen de Heer. 15Als jullie dat niet willen, kies dan welke goden jullie wel willen dienen: de goden van jullie voorouders of de goden van de Amorieten. Mijn familie en ik zullen in ieder geval de Heer dienen!’

De Israëlieten zullen de Heer dienen

16Toen zeiden de Israëlieten: ‘Wij beloven plechtig dat we de Heer altijd zullen dienen. We zullen geen andere goden vereren. 17Want de Heer is onze God. Hij heeft ons en onze voorouders bevrijd uit de slavernij in Egypte. Hij heeft grote wonderen voor ons gedaan. Dat hebben we zelf gezien. Tijdens onze reis door de woestijn heeft hij ons altijd beschermd tegen andere volken. 18Hij heeft ze allemaal voor ons verjaagd. Ook de Amorieten die vroeger hier woonden. Natuurlijk zullen we de Heer dienen! Want hij is onze God.’

19Maar Jozua antwoordde: ‘Jullie moeten niet denken dat het makkelijk is om de Heer te dienen. Want hij is een heilige God. Hij wil niet dat je andere goden dient. Hij vergeeft het je niet als je hem ontrouw wordt. 20Als jullie de Heer verlaten en andere goden gaan dienen, zal hij jullie straffen. Dan zal hij niet langer goed voor jullie zijn. Hij zal jullie kwaad doen en vernietigen!’

21Maar de Israëlieten zeiden voor de tweede keer: ‘We zullen de Heer dienen.’

Jozua zet een steen rechtop

22Toen zei Jozua: ‘Jullie hebben allemaal gehoord wat jullie beloofd hebben. Jullie hebben beloofd om de Heer te dienen.’ En de Israëlieten antwoordden: ‘Ja, dat hebben we beloofd.’

23Jozua zei: ‘Doe dan alle godenbeelden weg. En dien de Heer, de God van Israël, met heel je hart.’ 24En de Israëlieten beloofden: ‘Wij zullen de Heer, onze God, dienen. We zullen hem gehoorzamen.’

25Zo zorgde Jozua ervoor dat de Israëlieten plechtig beloofden om altijd gehoorzaam te zijn aan de Heer. Dat gebeurde in Sichem. Daar gaf Jozua wetten en regels aan het volk. 26Die schreef hij op in het wetboek van God.

Toen pakte Jozua een grote steen en zette die rechtop bij de eikenboom bij de heilige kist van de Heer. 27En hij zei: ‘Deze steen heeft alles gehoord wat de Heer tegen jullie gezegd heeft. Daarom zal de steen het teken zijn van jullie plechtige belofte aan de Heer.’

28Daarna stuurde Jozua iedereen weer terug naar zijn eigen gebied.

De dood van Jozua en Eleazar

Jozua sterft

29Korte tijd later stierf Jozua, de dienaar van de Heer en de zoon van Nun. Jozua was 110 jaar oud geworden. 30Hij werd begraven bij de stad Timnat-Serach, in zijn eigen gebied. Die stad lag in het bergland van Efraïm, ten noorden van de berg Gaäs.

31De Israëlieten dienden de Heer zolang Jozua leefde. En ook daarna, toen er andere leiders waren, bleven ze trouw aan de Heer. Want ook die leiders hadden meegemaakt wat de Heer voor zijn volk gedaan had.

32De Israëlieten begroeven ook de botten van Jozef. Die hadden ze meegenomen uit Egypte. De botten werden begraven op een stuk land bij de stad Sichem. Jakob had dat land voor 100 zilverstukken gekocht van de zonen van Chamor, de man die de stad Sichem gebouwd had. Vanaf toen was dat stuk land in het bezit van de nakomelingen van Jozef.

Eleazar sterft

33Ook Eleazar, de zoon van Aäron, stierf. Hij werd begraven op de heuvel van zijn zoon Pinechas. Die heuvel lag in het bergland van Efraïm.