Bijbel in Gewone Taal (BGT)

Jozua wordt de nieuwe leider

De Heer helpt Jozua

11Mozes, de dienaar van de Heer, was gestorven. Jozua, de zoon van Nun, had Mozes altijd bij zijn werk geholpen. Nu zei de Heer tegen Jozua: 2‘Mijn dienaar Mozes is gestorven. Daarom moet jij je klaarmaken om met de Israëlieten de rivier de Jordaan over te steken. Ga naar het land dat ik aan jullie zal geven. 3Ik zal elke plek waar jullie komen, aan jullie geven. Dat heb ik aan Mozes beloofd.

4Jullie land zal heel groot zijn. Vanaf de woestijn in het zuiden tot aan de Libanon-bergen in het noorden. En vanaf de Middellandse Zee in het westen tot aan de rivier de Eufraat in het oosten. Dus ook het hele land van de Hethieten hoort erbij.

5Ik zal altijd bij jou zijn, zoals ik ook altijd bij Mozes was. Ik zal je nooit alleen laten. En niemand zal van jou kunnen winnen.

Jozua moet sterk en dapper zijn

6Je moet sterk en dapper zijn. Onder jouw leiding zullen de Israëlieten het land veroveren dat ik aan hun voorouders beloofd heb. 7Maar dan moet jij wel sterk en dapper zijn.

Je moet je precies houden aan de wetten die Mozes je geleerd heeft. Dan zul je succes hebben bij alles wat je doet. 8Dag en nacht moet je aandachtig lezen in het boek met de wetten van Mozes. Je mag het boek nooit wegleggen. Alleen dan kun je je precies houden aan de dingen die erin staan. En dan zul je succes hebben bij alles wat je doet.

9Daarom zeg ik nog een keer: Je moet sterk en dapper zijn. Je hoeft nergens bang voor te zijn. Want ik ben je God. Ik ben altijd bij je, waar je ook heen gaat.’

Het volk moet de Jordaan oversteken

10Toen zei Jozua tegen een aantal leiders van het volk: 11‘Ga het hele kamp door, en zeg tegen de mensen dat ze zich klaar moeten maken. Want over drie dagen zullen we de Jordaan oversteken. We zullen het land in bezit nemen dat de Heer, onze God, aan ons zal geven.’

12En daarna zei hij tegen de stammen Ruben en Gad, en tegen de helft van de stam Manasse: 13‘Vergeet niet wat Mozes, de dienaar van de Heer, gezegd heeft: ‘De Heer, jullie God, zal jullie dit land geven, aan deze kant van de Jordaan. Jullie zullen hier in vrede wonen.’

14Jullie vrouwen, kinderen en dieren mogen hier blijven. Maar zelf moeten jullie eerst naar de overkant van de Jordaan gaan. Daar moeten jullie de andere Israëlieten in de oorlog helpen. 15En daar moeten jullie blijven totdat ook zij veilig in hun land kunnen wonen. Als zij het land gekregen hebben van de Heer, jullie God, dan mogen jullie hier terugkomen. Pas dan mag je gaan wonen in je eigen land ten oosten van de Jordaan. Want Mozes heeft dat land aan jullie gegeven.’

De drie stammen luisteren naar Jozua

16Toen zeiden de stammen Ruben en Gad, en de helft van de stam Manasse tegen Jozua: ‘We zullen alles doen wat u tegen ons gezegd hebt. En we zullen overal heen gaan waar u ons heen stuurt. 17-18We zullen net zo goed naar u luisteren als we naar Mozes geluisterd hebben. Iedereen die niet naar u luistert en zich tegen u verzet, zal gedood worden. We hopen dat de Heer, uw God, u zal helpen. Net zoals hij Mozes geholpen heeft. Wees sterk en dapper!’