Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

Het gebed van Jona

21De Heer stuurde een grote vis om Jona op te eten. Drie dagen en drie nachten zat Jona in de buik van de vis. 2Daar bad hij tot de Heer, zijn God. 3Dit is het gebed van Jona:

‘Toen ik bang was, riep ik naar u, Heer.

Van u kreeg ik antwoord.

Ik was bijna dood,

ik schreeuwde om hulp.

U hebt mij gehoord.

4U gooide mij midden in de diepe zee.

Het water was overal.

Hoge golven rolden over me heen.

5En ik dacht: U stuurt mij weg,

nooit meer zal ik uw heilige tempel zien.

6Het water sloeg over mijn hoofd.

De zee was overal om me heen.

Mijn hoofd zat vast in waterplanten.

7Ik ging naar de diepte,

waar de bergen beginnen.

Ik leek voor altijd gevangen

in het land van de dood.

Maar u, Heer, trok mij levend uit het graf.

8Toen het einde van mijn leven kwam,

dacht ik weer aan u, Heer.

Ik bad tot u,

in uw heilige tempel hoorde u mij.

9Veel mensen dienen waardeloze goden.

Ze verlaten de God die helpen kan.

10Maar ik niet!

Ik zal u met offers danken,

en een lied voor u zingen.

Alles wat ik beloof, zal ik doen.

Want alleen u, Heer, brengt redding!’

11Toen gaf de Heer opdracht aan de vis om Jona uit te spugen op het land.

3

Jona gehoorzaamt de Heer

Jona gaat naar Nineve

31Voor de tweede keer kreeg Jona een opdracht van de Heer. De Heer zei: 2‘Ga op reis naar Nineve. Waarschuw de mensen in die grote stad. Vertel hun wat ik tegen je zeg.’

3Nu deed Jona wel wat de Heer gezegd had. Hij ging op reis naar Nineve.

Nineve was een enorm grote stad: het duurde drie dagen om er helemaal doorheen te lopen. 4Jona liep door een deel van de stad, en riep: ‘Nog veertig dagen, dan wordt Nineve helemaal verwoest!’

De inwoners van Nineve geloven Jona

5De inwoners van Nineve geloofden wat God gezegd had. Ze besloten te vasten. En alle mensen trokken rouwkleren aan. Zo lieten ze zien dat ze spijt hadden van hun slechte gedrag.

6De koning van Nineve hoorde wat er in zijn stad gebeurde. Hij stond op van zijn troon en trok zijn koninklijke kleren uit. Hij deed rouwkleren aan en ging in het stof op de grond zitten. 7Hij liet overal in de stad bekendmaken: ‘Hier volgt een opdracht van de koning en zijn ministers: Niemand mag iets eten of drinken, ook de dieren niet. 8En iedereen moet rouwkleren dragen, ook de dieren. Bid allemaal tot God. En laat niemand meer geweld gebruiken of andere slechte dingen doen. 9Misschien zal God dan zijn plan veranderen. Misschien zal hij medelijden met ons krijgen en niet meer kwaad op ons zijn. Misschien zullen we dan niet sterven.’

De Heer wil de stad niet verwoesten

10God zag wat de inwoners van Nineve deden. Hij zag dat ze een eind maakten aan hun slechte gedrag. En hij kreeg medelijden en veranderde zijn plan. Hij had gedreigd de stad te verwoesten, maar hij deed het niet.

4

Jona wacht op de straf

Jona wordt kwaad

41Jona was daar helemaal niet tevreden over. Hij werd heel kwaad op de Heer. 2Hij bad: ‘Heer, u wilde die stad helemaal niet verwoesten! Dat dacht ik al toen ik nog thuis was. Daarom wilde ik ook niet naar Nineve gaan. Want ik wist dat u een goede God bent. U bent vol liefde en geduld. U bent trouw, en u houdt er niet van om mensen te straffen. 3Laat mij nu maar sterven, Heer. Want als het zo moet gaan, ben ik liever dood dan levend.’

4De Heer zei tegen Jona: ‘Heb jij echt een goede reden om zo kwaad te zijn?’

De Heer laat een plant groeien

5Toen Jona de stad uit liep, zocht hij bij de Oostpoort een plek om te zitten. Daar maakte hij een hut. Hij ging in de schaduw van de hut zitten. Want hij wilde zien wat er nu met de stad zou gebeuren.

6Toen zorgde de Heer ervoor dat er een plant begon te groeien. De plant groeide helemaal boven Jona uit, zodat hij in de schaduw kon zitten. Zo wilde de Heer een eind maken aan Jona’s boosheid. Jona was heel blij met de plant.

7Maar de volgende ochtend stuurde God een worm. De worm begon van de plant te eten, en de plant ging dood. 8En toen de zon opkwam, zorgde God er ook nog voor dat er een hete woestijnwind ging waaien. De zon brandde op Jona’s hoofd. Hij hield het niet meer uit en zei: ‘Laat mij maar sterven. Ik ben liever dood dan levend.’

Nineve wordt niet verwoest

9God zei tegen Jona: ‘Heb jij echt een goede reden om kwaad te zijn over de dood van de plant?’ En Jona zei: ‘Ik heb een heel goede reden om kwaad te zijn. Ik ben woedend!’

10Toen zei de Heer: ‘Jij wilde niet dat die ene plant doodging. Die plant groeide vanzelf, daar hoefde jij niets voor te doen. Hij groeide in één nacht, en in één nacht ging hij dood. Maar jij wilde dat die plant bleef leven! 11Begrijp je dan niet dat ik wilde dat de mensen in Nineve zouden blijven leven? In die stad wonen meer dan 120.000 mensen. Ze weten niet wat goed is en wat slecht is. En in Nineve zijn ook nog heel veel dieren. Ik wilde niet dat al die mensen en dieren zouden sterven.’