Bijbel in Gewone Taal (BGT)
7

Job klaagt over zijn moeilijke leven

71Ik vind het leven moeilijk.

Het is zwaar, elke dag weer.

2Ik voel me als een slaaf in de hitte,

op zoek naar schaduw.

Ik voel me als iemand die heel hard moet werken,

voor heel weinig geld.

3Elke dag heb ik nieuwe zorgen,

elke nacht heb ik pijn.

4Als ik naar bed ga, denk ik:

Was het maar tijd om op te staan.

Maar de nacht duurt lang,

onrustig lig ik wakker tot de ochtend.

5Mijn lichaam is vuil, het zit vol zweren.

Mijn huid is kapot, de wonden zijn open.

6Mijn leven gaat heel snel voorbij,

zonder hoop ga ik naar het einde.

Job wil dat God hem met rust laat

7God, denk aan mij,

mijn leven is bijna voorbij.

Ik zal nooit meer gelukkig zijn.

8Nu ziet u me nog, maar straks niet meer.

Als u me zoekt, ben ik verdwenen.

9Ik ga naar het land van de dood,

en ik kom niet meer terug.

Ik verdwijn, er blijft niets van mij over.

10Ik zal nooit meer terugkomen in mijn huis.

Mensen die mij kenden, zullen me snel vergeten.

11Daarom moet ik nu spreken.

Ik ben kwaad, ik kan niet zwijgen.

Ik heb verdriet, ik schreeuw het uit!

12U houdt me gevangen,

alsof ik een gevaarlijk monster ben.

13Want soms ga ik naar bed om troost te vinden,

dan wil ik in de slaap mijn verdriet vergeten.

14Maar dan geeft u me verschrikkelijke dromen,

dromen die me doodsbang maken.

15Ik ben liever dood!

Dat is beter dan verder te moeten leven.

16Ik heb er genoeg van, laat me toch met rust!

Want ik heb nog maar kort te leven.

Job vraagt waarom God zo op hem let

17God, waarom vindt u mensen zo belangrijk?

Waarom geeft u ze zo veel aandacht?

18Elke ochtend komt u bij me,

de hele dag let u op mij.

19Voortdurend kijkt u naar me,

u laat me geen moment alleen.

20U wilt precies weten wat ik doe.

Maar wat maakt het u eigenlijk uit

als ik een fout maak?

Waarom zoekt u me steeds weer op?

U hebt alleen maar last van mij!

21Kijk niet naar mijn fouten,

let niet op mijn schuld.

Want binnenkort ben ik dood.

Als u me dan zoekt, ben ik er niet meer.’

8

Eerste toespraak van Bildad

Job moet God om hulp vragen

81Toen zei Bildad uit Suach tegen Job:

2‘Houd nu eens op met je gepraat!

Alles wat je zegt, is onzin.

3De machtige God is echt rechtvaardig.

Alles wat hij doet, is goed.

4Je kinderen hebben vast en zeker slechte dingen gedaan,

en daarom heeft God hen gestraft.

5Vraag hulp aan de machtige God,

vraag of hij goed voor je wil zijn.

6Als je eerlijk en onschuldig bent,

dan zal hij je helpen.

Dan zal hij je weer een familie geven.

7En dan zul je nog rijker worden dan je was.

Job kan leren van vroegere generaties

8Denk aan de wijze woorden

van de mensen die vroeger leefden.

Je kunt veel van hen leren.

9Wij weten maar heel weinig,

want we zijn nog jong,

en ons leven duurt maar kort.

10Maar van je voorouders kun je veel leren,

zij vertellen je wijze dingen.

11Zij hebben ons dit geleerd:

‘Waar een rivier is, daar groeit riet.

Waar water is, daar vind je gras.’

12Maar als er in de rivier geen water meer is,

zal het riet verdrogen,

ook al is het nog jong en sterk.

13Iemand zonder God is net als riet zonder water.

Zijn hoop is verdwenen, zijn leven is in gevaar.

14Hij vindt nergens steun,

hij heeft niets waarop hij kan vertrouwen.

15Zijn geld helpt hem niet,

zijn bezit beschermt hem niet.

16Eerst lijkt het goed met hem te gaan.

Hij lijkt op een plant die bloeit in de zon.

De stengels gaan de hele tuin door,

17de wortels groeien tussen de stenen,

ze komen overal.

18Maar dan wordt de plant ineens vernietigd,

en niemand weet meer waar hij stond.

Zo plotseling verdwijnt een mens zonder God.

19Hij leeft maar kort,

en er komt een ander in zijn plaats.

God zal Job helpen

20God is goed voor eerlijke mensen,

maar mensen die kwaad doen, helpt hij niet.

21Eens zal hij je weer laten lachen, Job,

eens zul je weer zingen van vreugde.

22En al je vijanden zullen vernederd worden.

Zij zullen voor altijd verdwijnen.’

9

Antwoord van Job aan Bildad

God is sterker dan iedereen

91Toen zei Job tegen Bildad:

2‘Wat je zegt, is waar.

Voor God is niemand zonder fouten.

3Iemand die met God een rechtszaak wil beginnen,

zal het niet winnen, nooit.

4God is wijs en sterk.

Niemand kan tegen hem strijden,

niemand kan hem overwinnen.

5God is machtig.

Als hij woedend is, laat hij de bergen schudden,

hij duwt ze zomaar omver.

6Hij laat de aarde beven,

de aarde staat niet meer stevig vast.

7Als God het wil, komt de zon niet meer op.

Als hij het zegt, geven de sterren geen licht meer.

8God heeft de hemel gemaakt, hij alleen.

Hij heeft macht over de golven van de zee.

9Hij heeft de sterren gemaakt,

alle sterren aan de hemel.

10God doet wonderen, ontelbaar veel,

hij doet dingen die mensen niet begrijpen.

11Als hij voorbijkomt, zie je hem niet.

Hij kan vlak bij je zijn zonder dat je het merkt.

12Als hij iets wegneemt, houdt niemand hem tegen.

Als hij iets doet, kan niemand hem stoppen.

Job kan zijn onschuld niet bewijzen

13Als God woedend is, is hij sterker dan iedereen.

Dan buigen zijn grootste vijanden voor hem.

14Tegen zo’n sterke God kan ik me niet verzetten,

ik zal toch altijd de verkeerde dingen zeggen.

15Ik weet dat ik onschuldig ben,

maar ik kan me niet verdedigen.

God heeft me al veroordeeld,

ik kan alleen om medelijden vragen.

16Als ik God roep en hij geeft me antwoord,

dan zal hij me toch geen gelijk geven.

17Hij zal een storm sturen en mij neerslaan.

Hij zal me steeds meer pijn doen, zonder reden.

18Hij geeft me geen rust,

steeds opnieuw laat hij me lijden.

19Niemand is sterker dan God, dat is zeker.

En niemand kan hem voor de rechter brengen.

20Ik ben onschuldig,

maar mijn woorden worden tegen me gebruikt.

Ik ben onschuldig,

maar toch zegt God dat ik schuldig ben.

21Ik heb niets verkeerds gedaan.

Toch zou ik liever dood zijn,

ik haat het om nog langer te leven.

22God vernietigt iedereen,

de goede en de slechte mensen.

23Als onschuldige mensen getroffen worden door een ramp,

dan heeft God geen medelijden met hen.

24Hij geeft misdadigers alle macht op aarde.

Hij maakt rechters blind, ze zien de waarheid niet.

Het is God die dat allemaal doet!

Job heeft geen hoop meer

25Mijn leven vliegt voorbij,

ik geniet nergens meer van.

26Ik zal heel gauw sterven.

Nog even, en ik ben er niet meer.

27Ik zou mijn zorgen wel willen vergeten,

ik zou wel weer vrolijk willen zijn.

28Maar ik ben bang, doodsbang.

Want God vindt dat ik schuldig ben.

29Voor hem ben ik nu eenmaal slecht.

Het heeft geen zin dat ik me verdedig.

30Als ik me zou wassen met helder water,

en mijn handen zou schoonmaken met zeep,

31dan zou God me in een vieze put gooien,

en al mijn kleren zouden gaan stinken.

32God is geen mens, zoals ik.

Ik kan hem niet voor de rechter brengen,

ik kan me niet verdedigen.

33Was er maar een rechter die zijn oordeel gaf,

die het goed kon maken tussen God en mij.

34Dan zou God me niet meer straffen,

dan zou hij me niet meer bang maken.

35Dan kon ik me zonder angst verdedigen.

Maar nee, zo is het niet.