Bijbel in Gewone Taal (BGT)
6

Antwoord van Job aan Elifaz

Job heeft veel verdriet

61Toen zei Job tegen zijn vrienden:

2‘Vrienden, jullie begrijpen niet hoe boos ik ben,

jullie zien niet hoe ik moet lijden!

3Mijn verdriet is te groot, mijn pijn is te zwaar.

Daarom sprak ik zonder na te denken.

4De machtige God voert oorlog tegen mij.

Hij schiet pijlen op mij af,

zijn giftige pijlen raken mij diep.

Hij maakt me doodsbang.

5Ik schreeuw het uit van pijn,

zoals een dier schreeuwt van honger.

6-7Ik wil dit lijden niet meer,

het is afschuwelijk.

Het is net als met eten dat geen smaak heeft:

dat mag je toch weigeren?

Job heeft geen hoop meer

8Laat toch gebeuren wat ik vraag,

laat God toch doen wat ik wil!

9Laat hij me vernietigen,

laat hij een eind aan mijn leven maken!

10Dat zou me troosten.

Dan zou ik blij zijn, ondanks alle pijn.

Ik ben hem toch altijd trouw geweest?

Ik heb toch steeds gedaan wat hij van me vroeg?

11Ik kan niet langer wachten op de dood,

ik heb geen geduld meer.

12Ik voel me zwak en moe.

13Niets kan me nog helpen,

het komt nooit meer goed met mij.

Job is teleurgesteld in zijn vrienden

14Iemand die zijn vriend in de steek laat,

heeft ook geen eerbied voor de machtige God.

15-18Ik ben teleurgesteld in jullie, mijn vrienden,

zoals iemand teleurgesteld is die water zoekt in de woestijn

en alleen maar een droog dal vindt.

In de winter is het dal vol water,

maar in de zomer is het droog.

Al het water is verdwenen.

19Uit verre landen komen handelaars.

Vol hoop gaan ze op zoek naar water,

20maar ze vinden alleen een droog dal.

Ze zijn teleurgesteld, ze voelen zich bedrogen.

21Zo teleurgesteld ben ik ook in jullie.

Jullie zien mijn ellende,

maar jullie schrikken en zijn alleen maar bang.

22Nooit heb ik jullie iets gevraagd,

nooit wilde ik een geschenk van jullie.

23Als ik werd onderdrukt,

vroeg ik jullie niet om hulp.

Als ik door vijanden werd aangevallen,

hoefden jullie me niet te beschermen.

24Zeg maar wat jullie denken, ik luister.

Vertel me maar wat ik fout gedaan heb.

Job zegt dat hij onschuldig is

25Ik wil graag de waarheid horen,

maar aan jullie beschuldigingen heb ik niets.

26Jullie hebben kritiek op mijn woorden,

maar jullie zien niet hoe wanhopig ik ben.

27Jullie hebben geen gevoel!

Jullie zouden zelfs een kind of een vriend verkopen

om er zelf rijk van te worden.

28Kijk naar mij, en zeg eens eerlijk:

Sta ik tegen jullie te liegen?

29Beschuldig mij niet langer.

Veroordeel mij niet,

want ik heb geen schuld.

30Ik vertel geen leugens,

ik weet heel goed wat lijden is.

7

Job klaagt over zijn moeilijke leven

71Ik vind het leven moeilijk.

Het is zwaar, elke dag weer.

2Ik voel me als een slaaf in de hitte,

op zoek naar schaduw.

Ik voel me als iemand die heel hard moet werken,

voor heel weinig geld.

3Elke dag heb ik nieuwe zorgen,

elke nacht heb ik pijn.

4Als ik naar bed ga, denk ik:

Was het maar tijd om op te staan.

Maar de nacht duurt lang,

onrustig lig ik wakker tot de ochtend.

5Mijn lichaam is vuil, het zit vol zweren.

Mijn huid is kapot, de wonden zijn open.

6Mijn leven gaat heel snel voorbij,

zonder hoop ga ik naar het einde.

Job wil dat God hem met rust laat

7God, denk aan mij,

mijn leven is bijna voorbij.

Ik zal nooit meer gelukkig zijn.

8Nu ziet u me nog, maar straks niet meer.

Als u me zoekt, ben ik verdwenen.

9Ik ga naar het land van de dood,

en ik kom niet meer terug.

Ik verdwijn, er blijft niets van mij over.

10Ik zal nooit meer terugkomen in mijn huis.

Mensen die mij kenden, zullen me snel vergeten.

11Daarom moet ik nu spreken.

Ik ben kwaad, ik kan niet zwijgen.

Ik heb verdriet, ik schreeuw het uit!

12U houdt me gevangen,

alsof ik een gevaarlijk monster ben.

13Want soms ga ik naar bed om troost te vinden,

dan wil ik in de slaap mijn verdriet vergeten.

14Maar dan geeft u me verschrikkelijke dromen,

dromen die me doodsbang maken.

15Ik ben liever dood!

Dat is beter dan verder te moeten leven.

16Ik heb er genoeg van, laat me toch met rust!

Want ik heb nog maar kort te leven.

Job vraagt waarom God zo op hem let

17God, waarom vindt u mensen zo belangrijk?

Waarom geeft u ze zo veel aandacht?

18Elke ochtend komt u bij me,

de hele dag let u op mij.

19Voortdurend kijkt u naar me,

u laat me geen moment alleen.

20U wilt precies weten wat ik doe.

Maar wat maakt het u eigenlijk uit

als ik een fout maak?

Waarom zoekt u me steeds weer op?

U hebt alleen maar last van mij!

21Kijk niet naar mijn fouten,

let niet op mijn schuld.

Want binnenkort ben ik dood.

Als u me dan zoekt, ben ik er niet meer.’

8

Eerste toespraak van Bildad

Job moet God om hulp vragen

81Toen zei Bildad uit Suach tegen Job:

2‘Houd nu eens op met je gepraat!

Alles wat je zegt, is onzin.

3De machtige God is echt rechtvaardig.

Alles wat hij doet, is goed.

4Je kinderen hebben vast en zeker slechte dingen gedaan,

en daarom heeft God hen gestraft.

5Vraag hulp aan de machtige God,

vraag of hij goed voor je wil zijn.

6Als je eerlijk en onschuldig bent,

dan zal hij je helpen.

Dan zal hij je weer een familie geven.

7En dan zul je nog rijker worden dan je was.

Job kan leren van vroegere generaties

8Denk aan de wijze woorden

van de mensen die vroeger leefden.

Je kunt veel van hen leren.

9Wij weten maar heel weinig,

want we zijn nog jong,

en ons leven duurt maar kort.

10Maar van je voorouders kun je veel leren,

zij vertellen je wijze dingen.

11Zij hebben ons dit geleerd:

‘Waar een rivier is, daar groeit riet.

Waar water is, daar vind je gras.’

12Maar als er in de rivier geen water meer is,

zal het riet verdrogen,

ook al is het nog jong en sterk.

13Iemand zonder God is net als riet zonder water.

Zijn hoop is verdwenen, zijn leven is in gevaar.

14Hij vindt nergens steun,

hij heeft niets waarop hij kan vertrouwen.

15Zijn geld helpt hem niet,

zijn bezit beschermt hem niet.

16Eerst lijkt het goed met hem te gaan.

Hij lijkt op een plant die bloeit in de zon.

De stengels gaan de hele tuin door,

17de wortels groeien tussen de stenen,

ze komen overal.

18Maar dan wordt de plant ineens vernietigd,

en niemand weet meer waar hij stond.

Zo plotseling verdwijnt een mens zonder God.

19Hij leeft maar kort,

en er komt een ander in zijn plaats.

God zal Job helpen

20God is goed voor eerlijke mensen,

maar mensen die kwaad doen, helpt hij niet.

21Eens zal hij je weer laten lachen, Job,

eens zul je weer zingen van vreugde.

22En al je vijanden zullen vernederd worden.

Zij zullen voor altijd verdwijnen.’