Bijbel in Gewone Taal (BGT)
39

Vragen over berggeiten en herten

391Job, weet jij wanneer een berggeit jongen krijgt?

Heb jij gezien hoe een hertje geboren wordt?

2Weet jij hoe lang het dier in de buik van zijn moeder zit,

weet jij het uur waarop het geboren wordt?

3Op een dag gaat de moeder liggen,

en zonder hulp brengt ze haar jong ter wereld.

4Het dier groeit buiten op, en het wordt sterk.

Dan gaat het zijn eigen weg, het komt niet meer terug.

Vragen over wilde ezels

5Wie heeft de wilde ezel zijn vrijheid gegeven?

Wie maakte hem los en liet hem gaan?

6Dat heb ik gedaan!

Ik gaf hem de woestijn om daar te leven,

op plaatsen waar geen gras groeit.

7Hij blijft ver van de steden met al hun lawaai.

Niemand schreeuwt tegen hem, niemand jaagt hem op.

8In de bergen zoekt hij naar voedsel,

hij eet er alles wat groen is.

Vragen over wilde stieren

9Job, denk je dat een wilde stier voor jou wil werken?

Wil hij ’s nachts in jouw stal zijn?

10Kun jij hem leiden aan een touw?

Kun jij hem dwingen om de ploeg te trekken?

11Kun jij zo’n groot wild beest vertrouwen,

en hem het zware werk voor je laten doen?

12Denk je dat hij je helpt bij de oogst?

Zal hij het gemaaide koren voor je dragen?

Vragen over struisvogels

13En dan de struisvogel, ze zwaait wel met haar vleugels,

maar kan ze vliegen als een ooievaar?

14Ze legt haar eieren gewoon op de grond,

en laat ze warm worden in het zand.

15Maar ze vergeet dat er dieren rondlopen

die de eieren kapot kunnen trappen.

16Ze is een slechte moeder, ze let niet op haar jongen.

Het kan haar niet schelen wat er met ze gebeurt.

17De struisvogel heeft geen verstand,

want ik heb haar geen wijsheid gegeven.

18Maar ze is snel, sneller dan paarden en ruiters.

Als ze opspringt en wegrent, lacht ze hen uit.

Vragen over paarden

19En Job, heb jij aan het paard zijn kracht gegeven?

Gaf jij hem de lange haren in zijn nek?

20Heb jij hem geleerd om zo ver te springen,

en om mensen bang te maken met luid gehinnik?

21Kijk, het paard is ongeduldig, en vol kracht!

Hij stampt op de grond, hij wil meedoen met de strijd!

22Hij is moedig en kent geen angst.

Hij rent niet weg als er hard gevochten wordt,

23als de pijlen door de lucht vliegen

en de speren schitteren in de zon.

24Het paard staat te trappelen.

Als de trompet klinkt, wordt hij wild!

25Telkens als hij een trompet hoort, hinnikt hij.

Er klinken bevelen, soldaten schreeuwen.

Het paard voelt dat de strijd gaat beginnen.

Vragen over roofvogels

26Job, vertel jij aan de valk

dat hij in de herfst naar het zuiden moet vliegen?

27Hoort de gier van jou dat hij zijn nest hoog moet bouwen?

28Op de hoogste rotsen heeft hij een veilige plek.

29Vanaf de bergtoppen zoekt de gier naar voedsel,

hij ziet het al vanuit de verte.

30Als soldaten sterven, gaat de gier eropaf,

hij voedt zijn jongen met bloed.’

40

God spreekt opnieuw tegen Job

Job wil niet op God reageren

401De Heer zei tegen Job:

2‘Job, je hebt veel kritiek op mij.

Je hebt mij, de machtige God, beschuldigd.

Wil je nu antwoord geven op de vragen die ik stelde?’

3Job antwoordde:

4‘Ik ben onbelangrijk.

Wat moet ik nog zeggen?

Laat ik mijn mond maar houden.

5Ik heb al te veel gezegd,

laat ik nu maar zwijgen.’

God stelt Job nog meer vragen

6Toen zei de Heer tegen Job, vanuit een zware storm:

7‘Let op, ik ga je toch nog een paar vragen stellen,

en jij moet antwoord geven.

Laat zien wat je weet, Job!

8Vind je echt dat ik niet eerlijk rechtspreek?

Veroordeel je mij, en vind je jezelf onschuldig?

9Ben jij net zo sterk als ik?

Klinkt jouw stem ook zo machtig als de donder?

10Als dat zo is, laat dan zien wie je bent!

Laat zien hoe sterk en machtig je bent.

11En laat ook zien hoe verschrikkelijk kwaad je bent,

straf mensen die zichzelf geweldig vinden.

12Als je die ziet, sla ze dan neer.

En als je misdadigers ziet, vernietig ze dan meteen!

13Begraaf ze in de aarde,

laat ze verdwijnen naar het land van de dood.

14Job, als je dat allemaal kunt, dan heb je gewonnen.

Dan zal ik jou alle eer geven.

Kan Job het monster Behemot vangen?

15Kijk eens naar het monster Behemot!

Dat dier heb ik gemaakt,

zoals ik ook jou gemaakt heb.

Behemot eet gras, net als een koe.

16Kijk eens hoe sterk hij is,

kijk naar de spieren van zijn buik en zijn rug!

17Zijn staart is zo sterk als een boomstam,

zijn poten hebben stevige spieren.

18Zijn botten zijn zo hard als brons,

zijn ribben lijken wel van ijzer.

19Hij is het geweldigste dier dat ik gemaakt heb.

Ik ben de enige die hem kan verslaan.

20Hij eet gras dat groeit op de heuvels

waar wilde dieren spelen.

21Onder de struiken rust hij uit,

hij verbergt zich tussen het riet.

22De struiken geven hem schaduw,

hij ligt veilig onder de bomen bij de rivier.

23Als het water stijgt, wordt hij niet bang.

Als de rivier wild begint te stromen, blijft hij kalm.

24Job, durf jij het monster bij zijn kop te pakken?

Durf jij een haak door zijn neus te steken?

Kan Job de draak Leviatan vangen?

25Kun jij de draak Leviatan vangen met een haak?

Kun je zijn bek dichtbinden met een touw?

26Kun je een stok door zijn neus steken,

of een haak door zijn bek doen?

27Wat denk je, Job?

Zal de draak je dan vriendelijk vragen om hem te laten gaan?

Zal hij aardig tegen je doen?

28Zal hij plechtig beloven

dat hij altijd jouw knecht zal zijn?

29Kun je dan met hem spelen zoals met een vogel?

Wil je hem dan als huisdier aan je dochters geven?

30En welke prijs vragen de vissers voor het dier?

Zullen ze hem in stukken hakken en verkopen?

31Heb je genoeg speren om het dier te doden?

Durf jij die door zijn kop te steken?

32Probeer de draak maar eens te vangen, Job!

Dat lukt je niet, dat probeer je geen tweede keer.

41

De draak is levensgevaarlijk

411Denk maar niet dat je de draak kunt aanvallen.

Als je naar hem kijkt, wil je al vluchten.

2Niemand durft hem wakker te maken,

niemand durft bij hem te komen.

3Niemand durft hem aan te vallen,

niemand op de hele wereld!

Want dat is levensgevaarlijk.

4Wat ziet de draak er machtig uit, wat is hij sterk!

Ik zal je vertellen over zijn prachtige lijf.

5Niemand kan de huid van zijn lichaam trekken.

Niemand kan een speer door zijn huid steken.

6Geen mens durft zijn bek open te breken,

die bek met verschrikkelijke tanden!

7Zijn rug lijkt wel een lange rij schilden

die elk wapen kunnen tegenhouden.

8Die schilden liggen dicht tegen elkaar aan,

er kan geen lucht tussen komen.

9Ze zitten stevig aan elkaar vast,

niemand kan ze losmaken.

De draak is nergens bang voor

10Als de draak niest, dan schittert er licht.

Zijn ogen gloeien als de opgaande zon.

11Vlammen komen uit zijn bek,

stukken vuur vliegen in het rond.

12Uit zijn neus komt rook,

zoals uit een kokende pot.

13Zijn hete adem zet alles in brand,

er komt vuur uit zijn bek.

14Zijn nek is enorm dik en sterk,

iedereen is bang voor hem!

15Het vlees onder zijn huid is stevig en hard,

het zit goed vast aan zijn botten.

16Het beest is nergens bang voor,

zijn hart is zo sterk als ijzer,

zo hard als steen.

De draak is het machtigste dier

17Als de draak uit het water komt,

dan worden zelfs de sterkste mensen bang.

Als de draak aanvalt, vluchten ze weg.

18Ze kunnen zich niet verdedigen,

want geen wapen kan het dier verwonden.

19IJzer is voor de draak zo slap als stro,

brons zo zacht als verrot hout.

20Als je een pijl op hem afschiet, vlucht hij niet.

Als een steen hem raakt, merkt hij het niet.

21Als je hem met een stok slaat, voelt hij het niet.

Als je een speer naar hem gooit, lacht hij erom.

22Onder zijn buik zitten scherpe punten.

Daarmee trekt hij een spoor door de modder.

23Hij brengt het diepste water in beweging,

hij maakt grote golven op de zee.

24Als hij zwemt, komt er schuim op het water.

Hij laat een wit spoor achter op de zee.

25Geen enkel dier op aarde is zo sterk als hij.

Hij is nergens bang voor.

26De draak is groter en sterker dan alle andere dieren,

hij is de koning van allemaal.’