Bijbel in Gewone Taal (BGT)
38

God spreekt tegen Job

God stelt vragen aan Job

381Toen zei de Heer tegen Job, vanuit een zware storm:

2‘Job, hoe durf je aan mijn wijsheid te twijfelen?

Je praat over zaken waar je niets van weet.

3Let op, ik ga je een paar vragen stellen,

en jij moet antwoord geven.

Laat zien wat je weet, Job!

Vragen over de aarde

4Waar was jij toen ik de aarde maakte?

Vertel het maar, als je zo veel weet.

5Wie heeft de grenzen en de maten van de aarde bepaald?

Dat weet jij vast wel!

6Waarop is de aarde gebouwd?

Wie heeft de eerste steen van de aarde gelegd?

7Toen dat gebeurde, juichten de sterren van vreugde,

en alle engelen zongen een lied.

Vragen over de zee

8Wie heeft de zee tegengehouden,

zodat het water niet over het land stroomde?

9Ik was het die dat deed!

Ik stuurde wolken naar de zee,

en die bedekten het donkere water.

10Ik bepaalde tot waar de zee mocht komen,

ik maakte de grens tussen water en land.

11Ik zei tegen de zee:

‘Tot de kust mag je komen, niet verder.

Daar moeten je machtige golven stoppen.’

Vragen over het licht

12Heb jij het ooit licht laten worden, Job,

heb jij wel eens een dag laten beginnen?

13Heb jij ooit het licht over de aarde verspreid,

het licht dat dieven op de vlucht jaagt?

14Als de zon opkomt, verandert de aarde:

de wereld wordt zichtbaar, en alles krijgt kleur.

15Maar voor slechte mensen is het licht geen voordeel,

want dan moeten ze stoppen met hun misdaden.

Vragen over de wereld

16Job, ben jij bij de bronnen van de zee geweest?

En heb jij over de bodem van de zee gewandeld?

17Weet jij waar de poort is naar het land van de dood,

dat land waar het altijd donker is?

18Weet jij hoe groot de wereld is?

Vertel het maar, als je zo veel weet.

19Weet jij van hoe ver het licht komt?

En waar komt de duisternis vandaan?

20Kun jij het licht en het donker de weg wijzen?

En kun jij ze weer naar hun plek brengen?

21Jij weet dat allemaal vast wel,

want jij bent zo lang geleden geboren,

jij leeft al zo lang!

Vragen over sneeuw, hagel, regen en ijs

22Heb jij de voorraad sneeuw gezien?

Weet jij waar de hagel in schuren ligt?

23Die bewaar ik voor als er oorlog komt.

Dan kan ik de volken ermee straffen.

24Weet jij waar de bliksem wordt weggeschoten?

En weet jij waar de oostenwind begint te waaien?

25Wie maakt het pad waarlangs de regen neervalt?

Wie stuurt de donder en de bliksem?

26Wie brengt er regen op plaatsen waar niemand woont,

en naar woestijnen waar niemand leeft?

27Wie zorgt dat er genoeg regen valt op droog land,

zodat jonge planten kunnen groeien?

28Wie maakt de regen,

en wie vormt de dauwdruppels?

29Waar komt het ijs vandaan,

en wie laat de dauw bevriezen?

30Wie maakt het water koud en hard als steen,

wie bedekt de zee met ijs?

Vragen over de sterren en het weer

31Job, kun jij de sterren bij elkaar zetten,

en ze ook weer naar hun eigen plaats laten gaan?

32Laat jij ze op de juiste tijd verschijnen?

Vertel jij ze waar ze heen moeten gaan?

33Weet jij hoe de seizoenen ontstaan?

En wat de sterren daarmee te maken hebben?

34Kun jij de wolken opdracht geven

om het op jouw hoofd te laten regenen?

35Kun jij de bliksem ergens heen sturen?

Staat die klaar als jij dat wilt?

36Vertel jij de vogels wanneer het gaat regenen,

vertel jij ze wanneer er ander weer komt?

37Kun jij precies genoeg wolken sturen

om het op de juiste tijd te laten regenen,

38als de grond hard en droog geworden is?

Vragen over wilde dieren en vogels

39Zorg jij ervoor dat leeuwen dieren vangen

om hun jongen te eten te geven?

40Kijk eens hoe ze tussen de struiken liggen

en wachten tot ze een dier kunnen grijpen!

41Zorg jij ervoor dat de vogels voedsel vinden,

als hun jongen hongerig om hulp roepen?