Bijbel in Gewone Taal (BGT)
22

Derde toespraak van Elifaz

Elifaz zegt dat Job slecht is

221Toen zei Elifaz tegen Job:

2‘Het is voor jezelf fijn als je wijs bent,

maar God heeft daar geen voordeel van.

3Je kunt wel een goed mens zijn,

maar de machtige God heeft daar niets aan.

Het helpt hem niet als jij geen fouten maakt.

4Of denk je soms dat God je straft

omdat je eerbied voor hem hebt?

5Nee, hij straft je juist omdat je slecht bent.

Want alles wat je deed, was helemaal verkeerd.

6Je leende geld aan arme mensen,

maar je wilde in ruil daarvoor hun jas.

Je pakte ook nog hun laatste kleren af.

7Je gaf geen water aan mensen die dorst hadden.

Je gaf geen eten aan mensen die honger hadden.

8Je gebruikte je macht en je invloed

om land van anderen af te pakken.

9Je hebt weduwen niet geholpen,

en kinderen zonder vader heb je weggejaagd.

10Daarom gaat het nu zo slecht met je.

Daarom ben je zo verschrikkelijk bang.

11Je weet niet meer wat je doen moet,

je bent totaal machteloos.

God woont in de hemel

12God woont in de hemel,

hoog boven de aarde,

hoger dan de hoogste sterren.

13Daarom denk je misschien:

God weet niet wat er op aarde gebeurt.

Hij ziet niet wat de mensen doen,

14want er zijn wolken om hem heen.

Zelfs als hij aan de rand van de hemel komt,

dan nog ziet hij niets van de aarde.

Job moet goed gaan leven

15Job, blijf niet leven zoals je voorouders,

die leefden als slechte mensen!

16Zij gingen dood toen ze nog jong waren.

Ze werden met geweld van de aarde weggenomen.

17Ze zeiden tegen God: ‘Ga weg!’

Ze dachten: De machtige God kan ons toch niets doen.

18Maar ze zagen niet dat hun rijkdom van God kwam.

Ik begrijp niets van slechte mensen,

en ik wil ook niet denken zoals zij.

19Als slechte mensen gestraft worden,

zijn goede mensen blij.

Ze lachen en zeggen:

20‘Onze vijanden zijn vernietigd,

al hun bezittingen zijn verbrand.’

Job kan beter vrede sluiten met God

21Job, wees niet langer een vijand van God,

sluit liever vrede met hem!

Dan zal het weer goed met je gaan.

22Luister naar de lessen van God,

en denk daar goed over na.

23Keer terug naar de machtige God,

dan komt alles weer goed met je.

Doe geen verkeerde dingen meer,

jij niet en je familie ook niet.

24Gooi al je goud maar weg,

het is toch waardeloos.

25Laat God voor jou belangrijker zijn dan zilver,

en waardevoller dan het zuiverste goud.

26Dan zul je de machtige God vertrouwen,

dan zul je blij zijn dat hij jouw God is.

27Hij zal je geven wat je aan hem vraagt,

en jij zult doen wat je aan hem belooft.

28Je zult al je plannen kunnen uitvoeren.

Alles wat je doet, zal je lukken.

29Als anderen veel ellende meemaken,

dan zul jij hun nieuwe moed geven.

Door jou zal God machteloze mensen helpen.

30Dan zal God jou ook redden,

zelfs als je schuldig bent.

Want hij redt mensen die goed leven.’

23

Derde antwoord van Job aan Elifaz

Job wil zich bij God verdedigen

231Toen zei Job tegen Elifaz:

2‘Toch blijf ik klagen, ik blijf me verzetten.

Het kost me veel moeite om rustig te blijven.

3Als ik wist waar ik God kon vinden,

dan zou ik naar hem toe gaan.

4Ik zou hem uitleggen dat ik onschuldig ben,

ik heb daar genoeg bewijzen voor.

5Ik zou zijn antwoord willen horen,

ik zou hem goed willen begrijpen.

6God is veel sterker dan ik,

maar hij zou niet tegen mij vechten.

Nee, hij zou goed naar me luisteren.

7Kon ik me maar verdedigen bij God.

Dan zou hij zien dat ik onschuldig ben,

want ik ben altijd eerlijk geweest.

Job kan God nergens vinden

8Maar ik kan God nergens vinden.

Niet in het oosten en niet in het westen,

9niet in het noorden en niet in het zuiden.

Ik zoek hem overal, maar ik vind hem niet.

10Maar God kent mij, hij weet hoe ik leef.

Als hij in mijn hart naar kwaad zou zoeken,

dan zou hij alleen goede dingen vinden.

11Ik heb altijd naar hem geluisterd,

ik heb altijd geleefd zoals hij het wil.

12Ik heb steeds precies gedaan wat hij zei,

ik heb zijn woorden in mijn hart bewaard.

Job is bang om God te ontmoeten

13-14Wat God over mij heeft beslist, dat gaat hij doen.

Niemand kan zijn besluiten veranderen.

Wat hij wil, dat gebeurt ook.

En hij heeft nog veel meer plannen.

15Daarom ben ik bang om hem te ontmoeten.

Als ik aan hem denk, dan beef ik van angst.

16De machtige God laat mij alle moed verliezen.

Als ik aan hem denk, raak ik in paniek.

17Voor de nacht ben ik niet bang,

het donker is voor mij niet het einde.

Nee, ik ben bang voor God!

24

God doet niets tegen slechte mensen

241Waarom spreekt de machtige God geen recht?

Waarom straft hij misdadigers niet voor hun daden?

2Sommige mensen pakken land van anderen af.

Ze stelen schapen van arme boeren,

en brengen die naar hun eigen kudde.

3Ze stelen van weduwen en van kinderen zonder vader,

ze pakken hun koe en hun ezel af.

4-9Ze halen zelfs kinderen bij hun moeder weg.

Zo dwingen ze de moeder om haar schulden te betalen.

Arme mensen hebben geen rechten meer,

ze vluchten en moeten zich verbergen.

Ze zoeken de hele dag naar voedsel,

net als wilde ezels in de woestijn.

Want ze willen hun kinderen te eten geven.

Ze zoeken op de velden naar koren

dat bij de oogst is blijven liggen.

Ze plukken de druiven die zijn blijven hangen.

’s Nachts slapen ze in de kou,

zonder kleren en dekens om warm te blijven.

In de bergen worden ze nat van de regen,

tussen de rotsen zoeken ze een droge plek.

10Ze lopen naakt rond,

want ze hebben geen kleren.

Ze moeten de boeren helpen met de oogst,

terwijl ze zelf niets te eten hebben.

11Ze maken olie van olijven,

en van druiven maken ze wijn,

maar zelf moeten ze dorst lijden.

12Overal in de stad liggen mensen te sterven,

gewonden schreeuwen om hulp.

Maar God ziet het onrecht niet.

Veel misdaden gebeuren ’s nachts

13Slechte mensen houden niet van daglicht,

ze willen niet dat hun misdaden gezien worden.

14Moordenaars werken voordat het licht wordt,

’s nachts doden ze arme en zwakke mensen.

15Mannen die verlangen naar de vrouw van een ander,

gaan ’s avonds op pad.

Ze bedekken hun gezicht,

want ze willen door niemand herkend worden.

16Dieven stelen als het donker is.

Overdag verstoppen ze zich,

want ze houden niet van het licht.

17Ze werken allemaal graag in het donker,

ze zijn niet bang voor de nacht.

Misdadigers moeten gestraft worden

18Maar eens moeten slechte mensen toch verdwijnen.

Eens zal er niets meer op hun akkers groeien,

niemand van hen zal nog druiven oogsten.

19Zo snel als sneeuw verdwijnt door de hitte van de zon,

zo snel zullen misdadigers verdwijnen.

Ze gaan naar het land van de dood.

20Ze zullen opgegeten worden door de wormen,

en zelfs hun moeder denkt niet meer aan hen.

Ze worden in één keer vernietigd,

zoals een boom wordt omgehakt.

21Zo moet het gaan met slechte mensen!

Want ze onderdrukken vrouwen zonder kinderen,

ze geven geen hulp aan weduwen.

22God is toch sterker dan mensen met macht!

Als hij besluit om hen tegen te houden,

dan komt er een eind aan hun leven.

23Zolang God het wil, overkomt hun geen kwaad.

Maar intussen ziet hij alles wat ze doen.

24Een korte tijd zijn ze belangrijk,

maar plotseling verdwijnen ze.

Ineens worden ze weggehaald uit het leven,

zo snel als koren gemaaid wordt.

25Wie durft te zeggen dat ik lieg?

Wie kan bewijzen dat ik ongelijk heb?’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]