Bijbel in Gewone Taal (BGT)
19

Tweede antwoord van Job aan Bildad

Job voelt zich beledigd

191Toen zei Job:

2‘Houd op met dat gepraat,

jullie woorden doen me pijn!

Hoe lang gaat dat nog door?

3Steeds weer vallen jullie mij aan.

Jullie moeten je schamen!

4Zelfs als ik echt iets verkeerds gedaan heb,

dan is dat nog niet jullie zaak.

5Jullie denken dat jullie beter zijn dan ik.

Jullie geloven dat het mijn eigen schuld is

dat het zo slecht met me gaat.

6Nee, God is tegen mij.

Hij jaagt op mij, hij wil mij vangen.

Zien jullie dat dan niet?

Job klaagt dat God nu zijn vijand is

7Ik roep: ‘Het is niet eerlijk!’,

maar niemand let op mij.

Ik schreeuw om hulp,

maar niemand doet iets.

8Ik kan niet verder leven,

want God houdt me tegen.

Hij maakt het donker om me heen,

ik weet niet hoe ik verder moet.

9Vroeger had iedereen respect voor mij,

maar nu lachen de mensen me uit.

Vroeger was ik een belangrijke man,

maar nu ben ik niemand meer.

10God maakt me helemaal kapot,

er blijft niets van me over.

Ik heb geen toekomst meer.

11God is kwaad op mij,

hij ziet me als zijn vijand.

12Hij staat klaar om me aan te vallen.

Hij komt op me af, en ik kan niet vluchten.

Job is in de steek gelaten

13God zorgt ervoor dat mijn familie wegblijft,

en dat mijn vrienden vreemden zijn geworden.

14Ze komen niet meer,

ze zijn me allemaal vergeten.

15De mensen in mijn huis kennen me niet meer,

ze doen alsof ik een vreemde ben.

16Als ik een slaaf roep om mij te helpen,

dan geeft hij geen antwoord.

Ik moet hem smeken om te komen!

17Ik stink uit mijn mond.

Mijn vrouw heeft een hekel aan me,

mijn eigen broers blijven uit mijn buurt.

18Ook kinderen willen niets van me weten,

ze lachen me uit.

19Mijn oude vrienden hebben een hekel aan mij.

De mensen van wie ik hield, blijven weg.

20Ik ben mager, al mijn kracht is weg.

Ik ben meer dood dan levend.

Job weet zeker dat God hem zal helpen

21Zeg, jullie zijn toch mijn vrienden?

Heb dan medelijden met mij,

want God heeft me hard gestraft.

22Waarom doen jullie hetzelfde als hij,

waarom blijven jullie tegen mij tekeergaan?

23Ik wil dat iemand mijn woorden opschrijft,

dan verdwijnen ze niet.

24Schrijf mijn woorden op een rots,

groot en duidelijk,

dan blijven ze voor altijd bestaan.

25Eén ding weet ik zeker: God zal mij redden.

Ooit zal hij komen en mij hier op aarde verdedigen.

26Ook al ben ik heel erg ziek,

toch zal ik God nog zien, voordat ik sterf.

27Ik zal hem zelf zien, met mijn eigen ogen.

Daar verlang ik naar!

28Jullie blijven me lastigvallen,

omdat jullie vinden dat alles mijn eigen schuld is.

29Jullie zijn hard voor mij,

maar pas op!

Want daarvoor word je gestraft met de dood.

God is onze rechter, vergeet dat niet.’

20

Tweede toespraak van Sofar

Sofar voelt zich beledigd door Job

201Toen zei Sofar tegen Job:

2-3‘Luister, Job, nu kan ik niet langer zwijgen.

Je dwingt me om te antwoorden.

Met je woorden heb je mij beledigd,

maar ik weet precies wat ik terug moet zeggen.

Slechte mensen verliezen hun rijkdom

4Wat ik ga zeggen, zou je moeten weten,

want zo gaat het al eeuwen,

zo lang als er mensen bestaan:

5Een slecht mens is nooit lang gelukkig,

hij is nooit lang blij.

6Eerst voelt hij zich machtiger dan iedereen,

en niemand is zo bekend als hij.

7Maar hij verdwijnt voorgoed.

De mensen die hem gekend hebben,

vinden niets van hem terug.

8Hij is helemaal verdwenen,

zoals een droom verdwenen is in de ochtend.

9Niemand zal hem terugzien,

hij komt nooit meer naar zijn huis terug.

10Een slecht mens zal zijn rijkdom verliezen.

Zijn kinderen moeten bij de armen om eten vragen.

11Het ene moment is hij nog sterk en gezond,

het andere moment sterft hij, en ligt hij in zijn graf.

Slechte mensen genieten maar kort

12Een slecht mens geniet van zijn misdaden,

zoals iemand van lekker eten geniet.

13Hij houdt het eten lang in zijn mond,

zodat hij alles goed kan proeven.

14Maar als hij het heeft doorgeslikt,

lijkt het op het gif van een slang.

15Hij moet al het eten weer uitspugen,

want God duwt het uit zijn maag omhoog.

16Het voedsel dat hij eerst zo heerlijk vond,

is gif geworden, en hij wordt doodziek.

17Hij kan de lekkere hapjes niet meer zien,

hij geniet niet meer van de heerlijke dranken.

18Zo kan een slecht mens niet lang genieten van zijn rijkdom,

hij moet alles teruggeven.

19Want hij onderdrukt arme mensen,

en hij laat ze in de steek.

Hij zet ze uit hun eigen huis.

20Nooit is hij tevreden met wat hij bezit.

Hij wil altijd meer hebben,

21hij laat niets over voor een ander.

Daarom duurt zijn geluk niet lang.

Slechte mensen worden gestraft

22Want juist als een slecht mens heel rijk is,

krijgt hij het moeilijk.

Plotseling treft hem een grote ramp.

23Terwijl hij zijn buik vult,

wordt hij gestraft met ellende.

Want God laat merken hoe woedend hij is.

24De rijke man moet vluchten

omdat iemand hem wil doden met een zwaard.

Maar dan wordt hij door pijlen getroffen.

25De pijlen gaan dwars door zijn lichaam heen.

Hij probeert ze los te trekken, en ziet bloed.

Hij schrikt hevig, hij gaat dood!

26Zijn hele bezit wordt vernietigd,

al zijn rijkdom wordt verbrand.

Hij en zijn gezin sterven in de vlammen.

27Zo wordt duidelijk hoe slecht hij was,

al zijn misdaden worden bekend.

28Op de dag dat God zijn woede laat zien,

verliest de rijke man voor altijd zijn bezit.

29Zo loopt het af met slechte mensen.

God geeft hun de straf die ze verdienen.’

21

Tweede antwoord van Job aan Sofar

Job wil dat zijn vrienden luisteren

211Toen zei Job:

2‘Luister nu eens goed naar mij.

Dat zou me al troosten.

3Heb geduld met me, dan kan ik iets vertellen.

Als ik klaar ben, kunnen jullie me weer uitlachen.

4Ik klaag niet tegen mensen, ik klaag tegen God.

Van hem wil ik antwoord, nu!

5Stop toch met jullie gepraat,

kijk hoe verschrikkelijk ik eruitzie.

Met slechte mensen gaat het goed

6Als ik denk aan wat er gebeurt met slechte mensen,

dan word ik boos, dan tril ik van woede.

7Want slechte mensen hebben een mooi leven!

Ze blijven gezond en sterk, en ze leven lang.

8Ze hebben altijd kinderen om zich heen,

en ze zien ook hun kleinkinderen groot worden.

9Er is altijd vrede in hun huis,

God straft hen niet.

10Hun koeien krijgen elk jaar kalfjes,

en er gaat er niet één dood.

11Hun kinderen rennen buiten rond,

net zo blij als lammetjes en geitjes.

12Die mensen zingen elke dag vrolijke liedjes,

ze maken muziek op harpen, trommels en fluiten.

13Ze hebben een goed leven,

en ze sterven in vrede.

14Tegen God zeggen ze: ‘Ga weg!

Wij willen u niet kennen.

15Waarom zouden we u dienen?

Waarom zouden we tot u bidden?’

God straft slechte mensen niet

16Slechte mensen denken dat het goed met hen gaat

omdat ze daar zelf voor gezorgd hebben.

Maar ik denk daar heel anders over.

17Het gaat goed met slechte mensen

omdat God hen niet straft.

Zij gaan nooit plotseling dood,

ze worden niet getroffen door rampen.

18Ze worden niet vernietigd,

ze verdwijnen niet zomaar,

zoals stof dat door de wind wordt weggeblazen.

19-20Misschien bewaart God de straf voor hun kinderen.

Maar dat is niet eerlijk.

Hij moet henzelf straffen, zij moeten het voelen!

De machtige God moet woedend op hen zijn!

21Zij voelen geen pijn als hun kinderen gestraft worden,

want dan zijn ze zelf allang dood.

22God weet hoe hij mensen moet straffen,

dat hoeven zij hem niet te leren.

Hij spreekt zelfs recht over engelen in de hemel!

23-24Sommige mensen sterven

terwijl ze een mooi leven hebben.

Ze zijn sterk, ze zien er goed uit.

Ze sterven in vrede, zonder zorgen.

25Andere mensen sterven heel teleurgesteld.

Zij zijn nooit gelukkig geweest.

26Alle mensen komen onder de grond te liggen,

bedekt door de wormen.

Slechte mensen krijgen respect

27Ik weet heel goed wat jullie nu denken.

Ik weet hoe jullie zullen reageren.

28Jullie zullen wel zeggen:

‘Waar zijn de huizen van die rijke mensen dan?

Waar wonen de mensen die zo veel slechte dingen deden?

Hun huizen zijn toch allang door God verwoest?’

29Maar ik zeg jullie:

Luister naar de verhalen van reizigers,

van mensen die veel van de wereld hebben gezien.

30Zij kunnen jullie vertellen

dat slechte mensen niet door God gestraft worden.

Ze worden niet door rampen getroffen.

31Slechte mensen horen nooit wat ze verkeerd doen,

niemand straft hen voor hun fouten.

32Nee, ze krijgen juist een mooie begrafenis,

hun graf wordt goed verzorgd.

33De aarde bedekt hen, ze liggen daar rustig.

En heel veel mensen huilen bij hun graf.

34Nee, vrienden, jullie troosten mij echt niet.

Alles wat jullie zeggen, is een leugen.’