Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

Gods Zoon komt naar de wereld

Gods Zoon was er al in het begin

11In het begin was Gods Zoon er al. Hij was bij God, en hij was zelf God. 2In het begin was hij al bij God. 3Alles is door hem ontstaan. Zonder hem zou er niets zijn.

4Al het leven komt van hem. Het leven dat hij brengt, is het licht voor de mensen. 5Hij is het licht dat schijnt in het donker. En het licht heeft het gewonnen van het donker.

6Er kwam een man die door God gestuurd was. Hij heette Johannes. 7Hij kwam om te vertellen over het ware licht. Want alle mensen moesten in dat licht gaan geloven. 8Johannes was niet zelf het licht, maar hij kwam om over het licht te vertellen.

Gods Zoon is naar de wereld gekomen

9Gods Zoon is het ware licht, dat schijnt voor alle mensen. Hij kwam naar de wereld, 10die hij zelf gemaakt had. Maar toen hij in de wereld was, begrepen de mensen niet wie hij was. 11Hij kwam bij zijn eigen mensen, maar die wilden niet in hem geloven.

12Toch waren er ook mensen die wel in hem geloofden. Zij mochten kinderen van God worden. 13Dat betekent dat ze op een nieuwe manier geboren zijn. Niet op de gewone manier, uit een vader en een moeder. Maar op een hemelse manier, uit God.

Door Gods Zoon kennen wij God

14Gods Zoon is een mens geworden. Hij heeft bij ons gewoond. In hem hebben wij Gods hemelse macht gezien. Hij is Gods enige Zoon, die bij de Vader vandaan gekomen is. In hem waren Gods liefde en trouw volledig aanwezig.

15Johannes vertelde over hem, en zei: ‘Na mij komt iemand die belangrijker is dan ik. Want hij was er al veel eerder dan ik.’

16God is goed voor ons, telkens weer. Dat merken we aan de grote liefde die zijn Zoon ons laat zien. 17Via Mozes hadden we Gods wet al gekregen. En nu hebben we door Jezus Christus Gods liefde en trouw leren kennen.

18Nog nooit heeft iemand God gezien. Maar de enige Zoon, die zelf God is, kent de Vader van dichtbij. Gods Zoon is bij ons gekomen. En door hem kennen wij God.

Johannes spreekt over de messias

19Hier volgt wat Johannes de Doper zei over de messias.

Wie is Johannes de Doper?

Er kwamen priesters en Levieten uit Jeruzalem naar Johannes de Doper. Ze waren gestuurd door de Joodse leiders. Ze vroegen aan Johannes: ‘Wie bent u?’ 20Johannes aarzelde niet, maar gaf hun een eerlijk en duidelijk antwoord. Hij zei: ‘Ik ben niet de messias.’ Ze vroegen hem: ‘Maar wie bent u dan? Bent u Elia?’ Johannes zei: ‘Nee.’ 21Toen vroegen ze: ‘Bent u dan de profeet die zou komen?’ En weer zei Johannes: ‘Nee.’

22Toen zeiden ze tegen hem: ‘Vertel ons wie u bent! De leiders die ons gestuurd hebben, willen dat weten. Hoe noemt u zichzelf?’

23Johannes antwoordde met deze woorden uit het boek Jesaja: «Ik ben degene die roept in de woestijn. Ik roep: Maak de weg vrij voor de Heer!»

Johannes doopt de mensen met water

24Er waren ook een paar farizeeën naar Johannes de Doper toe gekomen. 25Die zeiden tegen hem: ‘U bent dus niet de messias, niet Elia, en niet de profeet die zou komen. Waarom doopt u de mensen dan?’

26-27Johannes zei: ‘Ik doop de mensen met water. Maar na mij komt iemand die belangrijker is dan ik. Ik ben het zelfs niet waard om zijn schoenen uit te trekken. Hij is al gekomen, maar jullie weten niet wie het is.’

28Dat gebeurde allemaal in Betanië, aan de overkant van de Jordaan. Dat was de plaats waar Johannes de mensen doopte.

Johannes heeft Jezus gedoopt

29De volgende dag zag Johannes Jezus aankomen. Hij zei: ‘Kijk, daar is het lam van God, dat de zonde van de mensen wegneemt. 30Over hem heb ik gezegd: ‘Na mij komt iemand die belangrijker is dan ik. Want hij was er al veel eerder dan ik.’

31Ook ik wist eerst niet wie hij was. God stuurde mij om de mensen te dopen met water. Nu weet ik waarom: Ik moest ook Jezus dopen. Want iedereen in Israël moest zien dat hij Gods Zoon is.’

32-33Johannes vertelde wat hij gezien had toen hij Jezus doopte. Hij zei: ‘Ik wist eerst niet wie hij was. Maar ik zag dat de heilige Geest uit de hemel naar Jezus toe kwam als een duif, en bij hem bleef. En God had tegen mij gezegd: ‘Jij zult zien dat de heilige Geest uit de hemel naar iemand toe komt, en bij hem blijft. Hij is degene die mensen zal dopen met de heilige Geest.’ 34Dat heb ik zien gebeuren. En nu vertel ik aan iedereen dat Jezus de Zoon van God is.’

Jezus kiest leerlingen uit

Andreas en Petrus

35De volgende dag stond Johannes met twee van zijn leerlingen bij de rivier de Jordaan. 36Johannes zag Jezus lopen, en hij zei: ‘Daar is het lam van God.’ 37De twee leerlingen hoorden het, en ze gingen met Jezus mee.

38Jezus draaide zich om. Hij zag dat de twee leerlingen met hem meeliepen, en hij zei tegen hen: ‘Wat zoeken jullie?’ Ze vroegen aan hem: ‘Rabbi, waar logeert u?’ (Rabbi betekent: meester.) 39Jezus zei: ‘Kom maar mee, dan zul je het zien.’ Ze gingen met hem mee en zagen waar hij logeerde. Het was al laat in de middag, en ze bleven de rest van de dag bij hem.

40Eén van de twee leerlingen was Andreas. Hij was een broer van Simon Petrus. 41Kort daarna zag Andreas zijn broer, en hij zei tegen hem: ‘We hebben de messias gevonden!’ (Messias is een ander woord voor Christus.)

42Andreas bracht Simon naar Jezus toe. Jezus keek hem aan en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes. Vanaf nu heet jij Kefas.’ (Kefas is een andere naam voor Petrus.)

Filippus en Natanaël

43De volgende dag besloot Jezus om naar Galilea te gaan, en daar zag hij Filippus. Jezus zei tegen hem: ‘Kom met mij mee.’ 44Filippus kwam uit de plaats Betsaïda, net als Andreas en Petrus.

45Kort daarna zag Filippus Natanaël, en hij zei tegen hem: ‘We hebben de messias gevonden, over wie in de heilige boeken verteld wordt! Het is Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret.’ 46Maar Natanaël zei: ‘Hoe kan er nu uit Nazaret iets goeds komen?’ Filippus zei tegen hem: ‘Kom maar mee, dan zul je het zien.’

47Jezus zag Natanaël aankomen, en hij zei: ‘Dat is nou een echte Israëliet, iemand die altijd eerlijk is.’ 48Natanaël vroeg: ‘Hoe weet u wie ik ben?’ Jezus zei: ‘Voordat Filippus tegen je sprak, zag ik jou al zitten onder deze vijgenboom.’

49Toen zei Natanaël: ‘Meester, u bent echt de Zoon van God! U bent de koning van Israël!’ 50Jezus zei tegen hem: ‘Geloof je in mij omdat ik wist dat je onder een vijgenboom zat? Je zult nog veel grotere wonderen zien! 51Luister heel goed naar mijn woorden: Jullie zullen de hemel wijd open zien. En jullie zullen Gods engelen omhoog en omlaag zien gaan, om de Mensenzoon te dienen.’

2

Jezus doet een wonder in Kana

Jezus is op een bruiloft in Kana

21Twee dagen later was er een bruiloft in Kana, een plaats in Galilea. De moeder van Jezus was op het feest, 2en ook Jezus en zijn leerlingen waren uitgenodigd.

3Toen de wijn opraakte, zei de moeder van Jezus: ‘Ze hebben geen wijn meer!’ 4Jezus zei tegen haar: ‘Bemoei u niet met wat ik moet doen. Het juiste moment voor mij is nog niet gekomen.’ 5Toen zei de moeder van Jezus tegen de dienaren op het feest: ‘Doe precies wat hij zegt.’

Jezus maakt van water wijn

6Er stonden daar zes stenen waterbakken. In elke bak kon ongeveer 100 liter water. Met dat water konden mensen zich wassen volgens de regels van de Joodse godsdienst. 7Jezus zei tegen de dienaren: ‘Vul die bakken met water.’ De dienaren vulden de bakken tot de rand.

8Toen zei Jezus: ‘Haal er nu wat uit en breng dat naar de leider van het feest.’ De dienaren deden wat Jezus zei. 9De leider van het feest proefde van het water. Het was wijn geworden! De dienaren die het water gebracht hadden, wisten waar het vandaan kwam. Maar de leider van het feest wist dat niet. Hij riep de bruidegom 10en zei: ‘Iedereen geeft zijn gasten eerst de beste wijn. De minder goede wijn geeft hij daarna, als de gasten al dronken zijn. Maar jij hebt de beste wijn voor het laatst bewaard!’

11Dit wonder in Kana, in Galilea, was het eerste wonder dat Jezus deed. Zo liet hij zijn hemelse macht zien. En zijn leerlingen geloofden in hem.

12Daarna ging Jezus naar de stad Kafarnaüm, samen met zijn moeder, zijn broers en zijn leerlingen. Daar bleven ze een paar dagen.

Jezus in Jeruzalem

Jezus jaagt handelaars de tempel uit

13Vlak voor het Joodse Paasfeest ging Jezus naar Jeruzalem. 14In de tempel zag hij handelaars die geld wisselden en mensen die koeien, schapen en duiven verkochten.

15Toen maakte Jezus van een stuk touw een zweep, en daarmee begon hij iedereen weg te jagen. Alle koeien en schapen jaagde hij de tempel uit. Hij gooide de tafels van de handelaars omver, zodat al het geld op de grond viel. 16En hij riep tegen de duivenverkopers: ‘Weg met die duiven! Jullie maken een markt van het huis van mijn Vader!’

17De leerlingen herinnerden zich wat er in de heilige boeken staat: «Mijn liefde voor uw tempel is groot, ik kan aan niets anders denken.» Ze begrepen dat die woorden over Jezus gingen.

Een vraag om bewijs

18Toen zeiden de Joodse leiders tegen Jezus: ‘Kunt u met een teken bewijzen dat u dit soort dingen mag doen?’ 19Jezus antwoordde: ‘Breek deze tempel maar af. Dan zal ik hem binnen drie dagen weer opbouwen.’ 20De leiders zeiden: ‘De bouw van deze tempel heeft 46 jaar geduurd! En u denkt dat u hem binnen drie dagen kunt opbouwen?’

21Maar met de tempel bedoelde Jezus zijn eigen lichaam. 22Later, toen Jezus was opgestaan uit de dood, herinnerden de leerlingen zich wat Jezus gezegd had. En ze geloofden zijn woorden, en wat de heilige boeken over hem zeggen.

23Jezus bleef in Jeruzalem om het Joodse Paasfeest te vieren. Veel mensen gingen in hem geloven toen ze zijn wonderen zagen. 24Maar Jezus had geen vertrouwen in hen, omdat hij hen allemaal kende. 25Niemand hoefde hem iets over hen te vertellen. Want hij wist precies hoe mensen van binnen zijn.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]