Bijbel in Gewone Taal (BGT)
8

Het zal voor iedereen slecht aflopen

81-2De Heer zegt: ‘De vijanden zullen in Jeruzalem de graven openmaken. Ze zullen de botten van de doden eruit halen. Ook die van de koningen, de leiders, de priesters en de profeten.

Ja, alle doden worden uit hun graf gehaald, en hun botten worden op het land neergelegd. Zo worden de inwoners van Jeruzalem geofferd aan de goden die ze zelf vereerd hebben: de zon, de maan en de sterren. Dat waren de goden die ze altijd om raad vroegen, de goden voor wie ze zo graag knielden.

Alle botten blijven liggen, als mest op het land. Niemand zal ze verzamelen en opnieuw begraven.’

3De machtige Heer zegt: ‘Ik ga de rest van dit volk wegjagen. Ik zal de mensen overal heen jagen, ik zal ze verspreiden over de hele wereld. En iedereen zal liever dood zijn dan levend.’

Het volk is ongehoorzaam

4Hier volgen de woorden die Jeremia moest zeggen tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.

Niemand in Jeruzalem heeft spijt

De Heer zegt: ‘Iemand die valt, staat weer op. En iemand die weggaat, komt weer terug. 5Maar bij jullie is dat niet zo, inwoners van Jeruzalem! Jullie blijven ongehoorzaam, jullie blijven mij ontrouw. Waarom vertrouwen jullie op leugens? Waarom komen jullie niet bij mij terug?

6Ik heb geluisterd, ik hoorde wat jullie zeiden. Niemand van jullie spreekt de waarheid en niemand heeft spijt van zijn slechte gedrag. Niemand zegt: ‘Dat had ik nooit mogen doen!’ Jullie plegen de ene misdaad na de andere, zonder erbij na te denken.’

De profeten in Jeruzalem liegen

7De Heer zegt: ‘Vogels kennen de wetten van de natuur. Ze komen en gaan op het juiste moment. Maar jullie kennen mijn wetten niet.

8Jullie beweren dat je wijs bent. Jullie zeggen: ‘Wij hebben de wet van de Heer!’ Maar de wet die jullie hebben, staat vol leugens! Want jullie schrijvers hebben alle regels veranderd. 9En jullie wijze mannen zijn al hun wijsheid kwijtgeraakt. Zij wilden niet luisteren naar mijn woorden. Maar ze zullen vernederd worden. Want als de vijanden komen, zullen al die wijze mannen in paniek raken en gevangen worden genomen. 10En dan geef ik hun vrouwen en hun akkers aan de vijanden.

Iedereen, arm en rijk, denkt alleen maar aan zichzelf. En de priesters en de profeten liegen allemaal. 11Ze zeggen dat er niets aan de hand is, maar mijn volk gaat een vreselijke ramp meemaken! ‘Alles gaat goed,’ zeggen ze, ‘alles gaat goed!’ Maar het gaat helemaal niet goed!

12Schamen die priesters en profeten zich voor hun misdaden? Nee, ze schamen zich nergens voor. Ze weten niet eens wat schaamte is. Daarom zal ik hen straffen. Als de oorlog komt, zullen ook zij sterven.’

De Heer zal Juda niet redden

13De Heer zegt tegen de inwoners van Juda: ‘Ik ga alles vernietigen. Er zullen geen druiven meer in de wijngaarden groeien en geen vijgen meer aan de vijgenbomen. De bladeren verdorren. Alles wat ik jullie gegeven heb, raken jullie kwijt.’

14De inwoners van Juda zeggen: ‘We hoeven geen hulp meer te verwachten. Laten we allemaal naar de steden gaan en daar op onze dood wachten. Want de Heer, onze God, zal ons laten sterven. Hij is onze vijand geworden, omdat wij tegen hem in opstand gekomen zijn. 15Wij hoopten op vrede, we hoopten dat het goed zou komen. Maar er kwam geen vrede, alleen maar angst.’

De Heer stuurt vijanden

16Vanuit het gebied Dan in het noorden klinkt het geluid van paarden. De vijanden komen eraan. Het hele land is in paniek. De vijanden halen het land helemaal leeg. Ze vernietigen de steden met al hun inwoners.

17De Heer zegt tegen de inwoners van Juda: ‘Ik stuur vijanden naar jullie toe, en niemand kan jullie tegen hen beschermen. Ze zijn net zo dodelijk als giftige slangen.’

Verdriet om de verwoesting

Jeremia vertelt over zijn verdriet

18Niemand kan mij nog troosten, mijn verdriet is te groot. Mijn hart is ziek. 19Want mijn volk is meegenomen naar een ver land.

Het volk roept: ‘Heer, help ons! U woont toch op de berg Sion? U bent toch onze koning?’ Maar de Heer zegt: ‘Jullie hebben mij kwaad gemaakt. Want jullie gingen goden van andere volken vereren, jullie gingen bidden tot machteloze beelden!’

20Mijn volk zegt: ‘De lente kwam, de zomer kwam. Maar er kwam geen redding.’

21Ik lijd omdat mijn volk het zo zwaar heeft. Ik draag zwarte kleren, ik ben kapot van verdriet. 22De ellende van mijn volk is te groot! Er is geen redding, net als bij een ziekte waar dokters niets tegen kunnen doen. 23Ach, was mijn hoofd maar een waterbron en waren mijn ogen maar rivieren. Dan zou ik dag en nacht kunnen huilen om alle doden van mijn volk.

9

De Heer klaagt over zijn volk

91De Heer zegt: ‘Ik woon nog liever in een hutje in de woestijn dan bij mijn eigen volk. Ik ga bij hen weg. Want niemand van hen is trouw aan mij. Bedriegers zijn het, allemaal! 2Hun mond is hun wapen. Het enige wat ze doen is liegen, en ze worden er steeds beter in. Ze plegen steeds meer misdaden. En mij willen ze niet kennen.

3Niemand kan zijn familie of zijn vrienden nog vertrouwen. Want de mensen bedriegen hun eigen familie en vertellen slechte dingen over hun vrienden. 4-5Ze bedriegen elkaar allemaal. De waarheid spreken ze niet, het enige wat ze kunnen, is liegen. Ze doen verkeerde dingen en willen hun gedrag niet veranderen. Elkaar onderdrukken, elkaar bedriegen, het wordt steeds erger! En mij willen ze niet kennen.

6Daarom ga ik mijn volk straffen, zodat alle slechtheid uit hen verdwijnt. Ik heb geen andere keus. 7Hun mond is hun wapen. Met hun woorden bedriegen ze elkaar. Ze wensen elkaar veel succes, en bedenken intussen hoe ze elkaar kapot kunnen maken.

8Een volk dat zulke dingen doet, verdient straf. Ik ga mijn volk straffen voor al hun misdaden.’

Jeremia spreekt over de verwoesting

9Inwoners van Juda, jullie moeten huilen en jammeren! Zing een droevig lied over de bergen en de velden. Want alles is verwoest. Je ziet geen mensen meer, je hoort geen dieren meer. De vogels zijn weg, het vee is verdwenen. Ze zijn allemaal gevlucht.

10De Heer heeft gezegd: ‘Ik maak van Jeruzalem een berg stenen, een plaats voor wilde dieren. En ik maak van de steden van Juda een woestijn waar niemand woont.’

11Waarom is het land verwoest? Waarom is het een woestijn geworden, waar je geen mens meer ziet? Is er iemand zo wijs dat hij het begrijpt? Is er een profeet die het ons kan vertellen?

De Heer zal zijn volk straffen

12De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Jullie hebben niet naar mij geluisterd. Ik heb jullie mijn wet gegeven, maar jullie hielden je daar niet aan. 13Jullie deden alleen wat jullie zelf wilden. En jullie vereerden afgoden, zoals jullie van je voorouders geleerd hadden.

14Daarom ga ik jullie straffen. Jullie leven zal zwaar en ellendig zijn. 15Ik zal jullie wegjagen. Jullie zullen verspreid worden over de hele wereld. Jullie komen terecht in landen die jullie volk nooit gekend heeft. En ik kom met mijn zwaard achter jullie aan, totdat ik jullie allemaal gedood heb.’

Een klaaglied over Jeruzalem

16-17Luister goed, ga op zoek naar vrouwen die een klaaglied kunnen zingen. Roep ze bij elkaar, laat ze snel komen om een droevig lied te zingen. Dan kan iedereen zijn tranen laten stromen. Dan kunnen we huilen om de ellende van het volk.

18Luister, daar klinkt een klaaglied in Jeruzalem:

‘Ach! Wij zijn vernietigd,

onze vijanden lachen ons uit.

Ze hebben onze huizen verwoest,

we moeten ons land verlaten.’

19Vrouwen, luister goed. De machtige Heer heeft jullie iets te zeggen. Hij wil dat jullie een klaaglied aan jullie dochters leren. Zorg dat alle vrouwen dit lied kunnen zingen:

20‘De dood kwam door het raam naar binnen.

Hij kwam in onze huizen,

en zelfs in het paleis.

De dood kwam iedereen halen,

ook de kinderen op straat,

ook alle mannen op het plein.’

21De Heer zegt: ‘De doden zullen niet begraven worden. Ze zullen op het land blijven liggen. Net zoals mest, of zoals koren dat niet is meegenomen.’

Wees er trots op dat je de Heer kent

22De Heer zegt: ‘Wie wijs is, moet niet trots zijn op zijn wijsheid. Wie sterk is, moet niet trots zijn op zijn kracht. Wie rijk is, moet niet trots zijn op zijn rijkdom. 23Nee, er is maar één ding waar jullie trots op moeten zijn: dat jullie mij kennen en weten hoe ik ben. Want ik ben de Heer. Ik zorg voor liefde, recht en trouw in het land. Dat is wat ik belangrijk vind.’

24-25De Heer zegt: ‘Ik ga alle volken straffen die mijn regels niet kennen: de volken van Egypte, Edom, Ammon en Moab, en alle bewoners van de woestijn. Maar ik ga ook mijn eigen volk straffen. Want zij willen niet naar mijn regels luisteren.’

10

Alleen de Heer is God

Goden van andere volken kunnen niets

101De Heer zegt tegen het volk van Israël: ‘Luister goed! 2Jullie moeten de andere volken niet nadoen. Zij kijken aandachtig naar wat er in de lucht gebeurt, want daarin zien ze tekens van de goden. Dat moeten jullie niet doen.

3De gewoontes van de andere volken stellen niets voor. Kijk maar hoe ze hun goden maken: Ze hakken bomen om in het bos en maken daar beelden van. 4Die versieren ze met zilver en goud. Daarna zetten ze de beelden vast met spijkers, zodat ze niet omvallen. 5Die beelden lijken op vogelverschrikkers op een akker. Ze kunnen niet spreken. En je moet ze dragen, want ze kunnen zelf niet lopen.

Volk van Israël, wees niet bang voor zulke goden. Ze kunnen niets doen, geen kwaad en geen goed.’

Er is niemand zoals de Heer

6Heer, er is niemand zoals u! U bent een machtige God. Iedereen moet u eren omdat u machtig bent. 7U bent de koning van alle volken, u verdient eerbied van alle mensen. Er zijn op aarde veel machtige en wijze mensen. Maar er is niemand zo machtig en wijs als u.

8De volken op aarde zijn dom en dwaas. Want ze snappen niet dat hun goden alleen maar stukken hout zijn. 9Dat hout is wel heel mooi versierd met zilver en goud uit verre landen. En kunstenaars hebben van dat hout prachtige beelden gemaakt met blauwe en rode mantels. 10Maar Heer, alleen u bent echt God. U bent de levende God, de eeuwige koning. Als u woedend bent, beeft de hele aarde. Als u een volk straft, blijft er niets van over.

11De goden van de volken hebben de hemel en de aarde niet gemaakt. Daarom zullen ze van de aarde verdwijnen!

Alleen de Heer is machtig

12De Heer, die machtig en wijs is, heeft de hemel en de aarde gemaakt. Hij zette de aarde vast en plaatste de hemel daarboven. 13Als de Heer spreekt, stroomt het water uit de hemel. De wolken haalt hij van ver, van het einde van de aarde. De Heer brengt ook de regen en de bliksem, en uit zijn hemel stuurt hij de wind.

14Daarom is het dom om beelden te vereren. De kunstenaars moeten zich schamen voor wat ze gemaakt hebben. Want die beelden zijn niet echt, er zit geen leven in. 15Ze zijn waardeloos. Als het moment van de straf komt, zullen die beelden van de aarde verdwijnen.

16De God van Israël is heel anders. Hij heeft alles gemaakt, en Israël is zijn eigen volk. Zijn naam is: Machtige Heer.

Het moment van de straf

Het is fout gegaan met het land

17Luister, inwoners van Jeruzalem, die bedreigde stad! Maak je klaar om weg te gaan uit je land. 18Want de Heer zegt: ‘Nu jaag ik jullie weg uit het land! Jullie zullen het moeilijk krijgen, dat zul je wel merken.’

19Eerst dachten jullie: We hebben het zwaar, maar alles komt goed. Maar nu zullen jullie huilen van ellende, en zeggen: ‘Het komt nooit meer goed! 20Ons land is verwoest, de steden zijn vernietigd. De inwoners zijn weg. Er is niemand om de huizen weer op te bouwen.’

21Dat zal gebeuren omdat jullie leiders dom zijn. Ze hebben de Heer niet om hulp gevraagd. Daarom zijn al hun plannen mislukt, en daarom worden jullie over de aarde verspreid.

22Luister, daar klinkt een geluid! Het komt dichterbij. Het grote, machtige leger uit het verre noorden komt eraan. Ze zullen van de steden van Juda een woestijn maken, een plaats voor wilde dieren.

Jeremia bidt voor het volk

23Heer, wij weten dat een mens niet zelf zijn leven bepaalt. Een mens kan niet zelf kiezen hoe zijn leven zal gaan.

24Heer, wees rechtvaardig als u ons straft. En straf ons niet uit woede, want dan blijft er niemand over. 25Straf met uw woede juist de andere volken. De volken die u niet kennen en u niet vereren. Want zij hebben ons kwaad gedaan. Ze hebben ons vernietigd, ze hebben ons land verwoest.