Bijbel in Gewone Taal (BGT)
5

De straf van God

Iedereen in Jeruzalem is slecht

51-2De Heer zei tegen mij: ‘Jeremia, loop door de straten van Jeruzalem, kijk goed rond op alle pleinen. Zoek naar iemand die eerlijk is en de waarheid belangrijk vindt. Als je zo iemand vindt, zal ik de hele stad vergeven.

Maar alle inwoners van Jeruzalem zijn oneerlijk! Ze liegen altijd, zelfs als ze zeggen: ‘Dit is waar. Zo zeker als de Heer leeft!’’

3Toen zei ik: ‘Heer, u wilt dat uw volk de waarheid ziet. Maar als u de mensen van uw volk straft, dan schrikken ze niet eens. Als u vernietiging brengt, dan zeggen ze: ‘Wij hebben geen straf verdiend.’ Ze zijn keihard. Ze hebben gewoon nergens spijt van.’

Jeremia merkt hoe slecht het volk is

4Eerst dacht ik: Ach, de mensen van mijn volk weten niet veel. Ze doen verkeerde dingen, omdat ze niet weten wat de Heer van hen wil. Ze kennen de regels van hun God niet. 5Daarom bedacht ik: Ik zal met de leiders van het volk praten. Die weten precies wat de Heer wil. Die kennen de regels van hun God. Maar toen merkte ik dat ook de leiders zich aan geen enkele regel hielden. Ze gingen allemaal hun eigen gang!

6Alle mensen deden verkeerde dingen. Ze waren steeds ontrouw aan de Heer. Daarom heeft de Heer vijanden gestuurd. Die zullen als wilde dieren op de steden van Juda afkomen, om de inwoners te doden.

De Heer kan zijn volk niet vergeven

7Volk van Israël, de Heer zegt tegen jullie: ‘Ik kan jullie niet vergeven! Jullie hebben mij verlaten om afgoden te gaan vereren! Ik zorgde ervoor dat jullie het goed hadden, maar toch gingen jullie andere goden vereren. Telkens weer gingen jullie naar hun tempels toe. 8Jullie leken wel wilde paarden! Paarden die steeds weer op een ander vrouwtje springen om te paren. Zo gingen jullie achter andere goden aan.

9Een volk dat zulke dingen doet, verdient straf. Ik ga jullie straffen voor al jullie misdaden. 10-11Ik geef jullie vijanden deze opdracht: ‘Val het land aan en verover het, maar vernietig het niet helemaal. Je moet de inwoners van Israël en Juda doden. Zij horen niet meer bij mij, want ze hebben me bedrogen.’’

Israël nam de Heer niet serieus

12Volk van Israël, jullie namen de Heer niet serieus. Jullie zeiden: ‘Zoiets doet de Heer niet. Die rampen zullen wij niet meemaken. Wij hoeven niet bang te zijn voor oorlog of voor hongersnood. 13De profeten die zeggen dat er rampen komen, die kletsen maar wat. Laat die rampen maar met henzelf gebeuren!’

14Maar God, de machtige Heer, zegt: ‘Omdat jullie dat gezegd hebben, ga ik jullie straffen. Mijn woorden zijn als vlammen van vuur. Als Jeremia ze uitspreekt, zullen die woorden jullie vernietigen.’

De Heer stuurt vijanden naar Israël

15De Heer zegt: ‘Let op, volk van Israël, ik stuur vijanden op jullie af. Ze komen uit een ver land. Ze horen bij een machtig volk, dat al eeuwenlang bestaat. Ze spreken een taal die jullie niet kennen. Je verstaat niet wat ze zeggen. 16Hun leger brengt dood en vernietiging. Al hun soldaten zijn geweldige vechters.

17Die vijanden zullen alles van jullie afpakken: de oogst van het land, jullie eten, je zonen en dochters, je geiten, schapen en koeien, je druiven en vijgen. Ze zullen jullie sterke steden vernietigen. De muren waar jullie op vertrouwen, zullen ze met geweld verwoesten.

18Maar toch zal ik jullie dan niet helemaal vernietigen.’

Israël heeft de Heer verlaten

19-20Luister, inwoners van Juda. Jullie vragen: ‘Waarom heeft de Heer ons al deze ellende gebracht?’ Dit is zijn antwoord: ‘Jullie hebben mij verlaten in je eigen land. Ik ben jullie eigen God. Maar jullie gingen andere goden dienen. Daarom moeten jullie nu in een land gaan wonen dat niet van jullie is. En daar moeten jullie de koning van een ander volk dienen. 21Jullie zijn dom, jullie hebben geen verstand. Jullie hebben wel ogen, maar jullie zien niets. Jullie hebben wel oren, maar jullie horen niets.

22Hoe kan het dat jullie geen eerbied voor mij hebben? Hoe kan het dat jullie niet bang voor mij zijn? Ik ben degene die macht heeft over de zee. Ik heb een grens van zand gemaakt, die de zee tegenhoudt. Ook al buldert de zee en bruisen de golven, die grens houdt al het water tegen.

23Maar jullie zijn eigenwijs en ongehoorzaam. Jullie gaan je eigen gang. 24Jullie denken niet: Wij moeten eerbied hebben voor de Heer, onze God. Want hij zorgt voor ons. Hij laat het op tijd regenen in de lente en in de herfst. En hij zorgt ervoor dat wij op vaste tijden in het jaar kunnen oogsten.

25Het is dus jullie eigen schuld dat het verkeerd gaat. Door jullie slechte gedrag krijgen jullie een slechte oogst.’

In Israël gebeuren vreselijke dingen

26De Heer zegt: ‘Volk van Israël, ik zie vreselijke mensen daar bij jullie. Ze proberen anderen in de val te laten lopen. Ze lijken op jagers die netten ophangen om vogels in te vangen.

27Die vreselijke mensen stelen van iedereen, hun huizen staan vol gestolen spullen. Zo zijn ze rijk en machtig geworden, 28en dik en vet van al het eten.

Ze denken alleen aan hun eigen rechten. Het kan ze niets schelen als arme mensen oneerlijk behandeld worden. Ze zullen zwakke mensen nooit helpen. Ze zijn slechter dan slecht. 29Een volk dat zulke dingen doet, verdient straf. Ik ga jullie straffen voor al jullie misdaden.

30Er gebeuren afschuwelijke dingen in het land. 31De profeten vertellen leugens aan jullie. De priesters geven jullie regels die ze zelf gemaakt hebben. En jullie vinden het allemaal prima. Wacht maar tot jullie einde komt!’

6

De ramp is dichtbij

Jeremia waarschuwt het volk

61Volk van Benjamin, vlucht weg uit Jeruzalem! Waarschuw iedereen! Blaas op de trompet in Tekoa, waarschuw met rook boven Bet-Hakkerem. Want uit het noorden komt een ramp die alles zal vernietigen.

2De Heer zegt: ‘Ik ga Jeruzalem vernietigen, die schitterende stad. 3Ik stuur koningen op Jeruzalem af. Ze zullen met hun legers de stad omsingelen. De soldaten nemen het gebied rondom de stad in bezit. 4Ze roepen: ‘Vlug, maak je klaar voor de strijd! Dan kunnen we de stad vanmiddag nog aanvallen! Nee, dat lukt niet meer, het is al bijna avond. 5Dan gaan we vannacht! We vallen de stad in het donker aan en we verwoesten alle paleizen.’’

6God, de machtige Heer, zegt tegen de vijanden: ‘Hak de bomen bij Jeruzalem om en val de stad aan. Ik geef Jeruzalem aan jullie, want het is een stad vol kwaad. 7Zoals water uit een bron stroomt, zo stroomt het kwaad uit Jeruzalem. Mensen worden daar neergeslagen, ze worden vertrapt. Ik zie het al gebeuren. Ik hoor het geschreeuw al van mensen die worden mishandeld en beroofd.

8Leer van deze straf, inwoners van Jeruzalem! Anders laat ik jullie alleen achter. Dan wordt Jeruzalem een woestijn, een gebied waar niemand woont.’

Niemand luistert naar Jeremia

9God, de machtige Heer, zei tegen mij: ‘Jeremia, kijk of er bij mijn volk nog mensen zijn die willen luisteren. Ga naar hen op zoek, net zoals een boer na de druivenoogst op zoek gaat naar de laatste druiven.’

10Ik zei tegen de Heer: ‘Tegen wie moet ik spreken? Als ik waarschuw, luistert niemand! Ze stoppen allemaal hun oren dicht. Ze willen niets van u weten. Ze lachen om alles wat ik namens u zeg. Ze hebben geen zin om te luisteren.’

Jeremia voelt de woede van de Heer

11Ik voel de woede van de Heer in mij. Ik kan me niet langer inhouden. Gods woede treft iedereen, ook de kinderen op straat en alle jonge mannen. De vijanden zullen iedereen grijpen: alle mannen en vrouwen, ook alle oude mensen. 12De inwoners van Juda zullen hun huizen kwijtraken, en ook hun akkers en hun vrouwen.

De Heer zegt: ‘Ik ga de inwoners van Juda straffen. 13Want iedereen, arm en rijk, denkt alleen maar aan zichzelf. En de priesters en profeten liegen allemaal. 14Ze zeggen dat er niets aan de hand is, maar mijn volk gaat een vreselijke ramp meemaken! ‘Alles gaat goed,’ zeggen ze, ‘alles gaat goed!’ Maar het gaat helemaal niet goed!

15Schamen de priesters en de profeten zich voor hun misdaden? Nee, ze schamen zich nergens voor. Ze weten niet eens wat schaamte is. Daarom zal ik hen straffen. Als de oorlog komt, zullen ook zij sterven.’

De Heer straft zijn ongehoorzame volk

16De Heer zegt: ‘Volk van Israël, denk eens na over hoe jullie leven. Denk eens aan de wet die ik jullie lang geleden gaf. Ik heb jullie de weg gewezen. Ik beloofde dat jullie in vrede zouden leven als jullie het goede zouden doen. Maar jullie zeiden: ‘Dat doen we niet.’

17Ik stuurde mijn profeten naar jullie toe. Ik zei: ‘Luister naar de waarschuwingen die ze geven.’ Maar jullie zeiden: ‘Dat doen we niet.’

18Daarom zeg ik nu tegen alle volken op aarde: ‘Luister goed, kom kijken wat hier gaat gebeuren. 19Ik ga een ramp op mijn volk afsturen. Zo straf ik hen voor hun misdaden. Want zij wilden niet luisteren naar mijn woorden. Ik gaf hun mijn wet, maar die wilden zij niet.’’

De Heer wil geen offers van zijn volk

20De Heer zegt: ‘Volk van Israël, jullie brengen mij wierook uit Seba, jullie brengen mij geurige kruiden uit verre landen. Maar wat heb ik daaraan? Ik ben niet blij als jullie dieren slachten voor mij. Jullie offers wil ik niet.

21Ik leg stenen neer waarover jullie zullen struikelen. Dat betekent: Als de vijanden komen, zullen jullie allemaal sterven. Vaders en zonen, buren en vrienden, iedereen wordt gedood.’

De vijanden komen naar Jeruzalem

22De Heer zegt: ‘Er komen machtige legers aan uit het verre noorden. Ze komen van de andere kant van de aarde. Ze staan klaar voor de strijd. 23Ze zijn hard, ze kennen geen medelijden. Hun geschreeuw klinkt als het gebulder van de zee. Ze komen eraan op hun snelle paarden, klaar om te vechten met hun bogen en zwaarden. Ze zullen vechten tegen jullie, inwoners van Jeruzalem!’

24Jullie zeggen: ‘We hebben gehoord dat de vijanden komen. We hebben de moed verloren, en we zijn bang, ja, doodsbang! 25Ga niet naar je akker, ga niet op reis. Blijf in de stad! Want buiten de stad zijn de vijanden. Overal is dood en vernietiging.’

26Ach, mijn volk! Trek zwarte kleren aan en ga in het stof op de grond liggen. Huil maar, en jammer alsof je enige kind is doodgegaan. Want wat er gaat gebeuren, is verschrikkelijk. Opeens zullen de vijanden voor je staan om je te doden.

De Heer vindt zijn volk waardeloos

27De Heer zei: ‘Jeremia, ik geef jou de opdracht om dit volk te testen. Jij moet hun gedrag onderzoeken. 28Je zult merken dat ze ongehoorzaam zijn. Ja, ze zijn verschrikkelijk ongehoorzaam! Liegen is voor hen normaal, en ze doen allemaal expres het verkeerde. Ze zijn slechter dan slecht.

29-30Ik heb alles geprobeerd. Ik lijk op een smid die probeert om zilver zuiver te maken. Die smid maakt het vuur heter en heter. Maar hoe hij ook zijn best doet, het zilver wordt niet zuiver. Dat zilver is waardeloos en de smid gooit het weg. Zo gaat het ook met mijn volk: ik doe het weg, want het is waardeloos.’

7

Jeremia in de tempel

71-2De Heer stuurde Jeremia naar de tempel. Hij moest in de poort van de tempel gaan staan. Daar moest hij spreken tegen de inwoners van Juda die de tempel binnenkwamen om de Heer te vereren. Hier volgen de woorden die hij zei.

De Judeeërs moeten hun leven veranderen

Luister allemaal! 3Dit zegt God, de machtige Heer, de God van Israël: ‘Verander je leven! Dan laat ik jullie voor altijd in dit land wonen.

4Jullie zeggen steeds: ‘Dit is de tempel van de Heer! Dit is de tempel van de Heer! Dit is de tempel van de Heer!’ Ja, jullie vertrouwen op de tempel. Maar daarmee bedriegen jullie jezelf. 5Want het komt alleen goed als jullie je leven echt veranderen.

Behandel iedereen eerlijk. 6Zwakke mensen mag je niet onderdrukken. Wees goed voor vreemdelingen, voor weduwen en voor kinderen zonder vader. Vermoord geen onschuldige mensen. En vereer geen andere goden, want dan loopt het slecht met jullie af.

7Verander je leven! Dan zal ik jullie voor altijd laten wonen in dit land, dat ik aan jullie voorouders gegeven heb.’

De Judeeërs bedriegen zichzelf

8-10De Heer zegt: ‘Jullie vertrouwen op de tempel. Jullie gaan naar de tempel om mij te vereren. En daar, in mijn huis, zeggen jullie: ‘Wij zijn veilig, want God woont bij ons.’

Maar jullie bedriegen jezelf! Want intussen doen jullie allemaal slechte dingen. Jullie stelen en moorden, en jullie gaan vreemd. Jullie houden je niet aan je beloftes. Jullie brengen offers aan de god Baäl, en jullie vereren goden die jullie vroeger niet eens kenden.

11Ik zie al jullie misdaden. En jullie komen gewoon naar mijn tempel. Is dat soms een huis voor misdadigers?’

Het voorbeeld van Silo

12-15De Heer zegt tegen de inwoners van Juda: ‘Jullie denken dat je veilig bent, omdat in Jeruzalem mijn tempel staat. Maar ga eens kijken in Israël, in de stad Silo, waar mijn tempel vroeger stond. Daar woonde ik bij mijn volk. Maar de Israëlieten deden veel slechte dingen. Daarom heb ik de tempel van Silo laten verwoesten, en alle Israëlieten hun land uit gejaagd.

Nu ga ik hetzelfde doen met jullie, inwoners van Juda. Want ook jullie doen steeds verkeerde dingen. Daarom zal ook jullie tempel verwoest worden. En ook jullie zullen je land uit gejaagd worden. Ja, ik stuur jullie weg uit het land dat ik aan jullie en aan jullie voorouders gegeven heb.

Ik heb jullie steeds opnieuw gewaarschuwd, maar jullie wilden niet luisteren. Toen ik jullie riep, gaven jullie geen antwoord.’

Jeremia mag niet bidden voor het volk

16De Heer zei tegen mij: ‘Jeremia, bid niet voor dit volk. Vraag mij niet om medelijden met hen te hebben. Doe geen moeite, want ik luister toch niet.

17Jij ziet toch ook wat er gebeurt in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem? 18De kinderen zoeken hout, de vaders maken vuur en de moeders maken deeg. Dan bakken ze koeken en offeren die aan de godin die ze vereren: de koningin van de hemel. En hun wijn offeren ze weer aan andere goden. Zo beledigen ze mij!

19Ja, ze beledigen mij. Maar uiteindelijk zijn zij het zelf die beledigd worden. Ze zullen diep vernederd worden. 20Want ik, God, de Heer, zeg: Mijn grote woede zal over dit land komen. Over de mensen en de dieren, over de fruitbomen en de akkers. Mijn woede komt als een vuur dat alles verbrandt, een vuur dat niemand kan doven.’

De Heer wil geen offers meer

21-23De machtige Heer, de God van Israël, zegt tegen zijn volk: ‘Jullie brengen mij offers door dieren op het altaar te verbranden. Maar ik heb niet om al die offers gevraagd. Eet het vlees zelf maar op!

Toen ik jullie voorouders uit Egypte weghaalde, gaf ik hun deze regel: ‘Luister altijd naar wat ik zeg. Dan zal ik jullie God zijn, en dan zullen jullie mijn volk zijn. Ik zal jullie vertellen hoe je moet leven. Als je doet wat ik wil, zal het goed met jullie gaan.’

24Maar jullie voorouders luisterden niet naar mij. Ze waren niet gehoorzaam aan mij, maar gingen hun eigen gang. Alle slechte dingen die ze bedachten, deden ze ook. Ze deden steeds dingen die ik niet wilde.

25Ik heb steeds opnieuw profeten naar mijn volk gestuurd. Vanaf de dag dat jullie voorouders weggingen uit Egypte tot en met vandaag hebben die profeten het volk gewaarschuwd. 26Maar jullie voorouders wilden niet naar hen luisteren. En ook jullie hebben niet gedaan wat ik wil. Jullie zijn nog ongehoorzamer dan jullie voorouders.’

Het volk zal niet luisteren

27De Heer zei tegen mij: ‘Jeremia, jij moet al die dingen tegen het volk zeggen. Maar ze zullen niet luisteren als je tegen hen spreekt. Als jij vertelt dat ze straf verdienen, zullen ze niet reageren. 28Daarom moet je tegen hen zeggen: ‘Jullie zijn een volk dat niet wil luisteren naar de Heer, jullie God. Jullie zullen je gedrag nooit veranderen. Er is bij dit volk niemand meer te vinden die de waarheid spreekt.’’

Jeremia vertelt over de straf van God

29Inwoners van Juda, het is tijd om te klagen en te huilen. Scheer je hoofd kaal en zing een droevig lied. Want de Heer wil zijn volk niet meer. En jullie zijn de mensen die dat gaan meemaken.

30De Heer zegt: ‘Inwoners van Juda, jullie hebben afschuwelijke dingen gedaan. Jullie hebben beelden van afgoden in mijn tempel gezet. Zo hebben jullie mijn tempel onrein gemaakt. 31En in het Hinnom-dal hebben jullie het altaar van Tofet gebouwd. Op dat altaar offeren jullie je eigen zonen en dochters. Maar dat heb ik nooit van jullie gevraagd! Zoiets wil ik niet!

32-33Daarom ga ik jullie straffen. Dan zal het Hinnom-dal het Dal van de Moorden genoemd worden. Tofet wordt een begraafplaats. Het hele dal zal vol doden liggen. Hun lichamen worden opgegeten door roofvogels en wilde dieren. Er is dan niemand meer om die beesten weg te jagen.

34Ik ga dit land verwoesten. Dan is het stil in Jeruzalem en in alle andere steden van Juda. Er zullen geen vrolijke stemmen meer klinken op straat. Er wordt niet meer gezongen en er wordt geen feest meer gevierd.’