Bijbel in Gewone Taal (BGT)
19

De gebroken kruik

Vreselijke dingen in het Hinnom-dal

191-2De Heer gaf Jeremia de opdracht om een kruik te kopen. Daarna moest Jeremia aan enkele belangrijke priesters en leiders van het volk vragen om met hem de stad uit te gaan. Ze moesten naar het Hinnom-dal gaan. Het Hinnom-dal ligt aan de kant van de Schervenpoort. 3In het dal moesten ze naar de plaats Tofet gaan.

Daar moest Jeremia zeggen: ‘Luister, koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem! De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Ik zal op deze plaats een ramp laten gebeuren. Iedereen die het hoort, zal ervan schrikken. 4Want jullie hebben mij verlaten. Jullie hebben van Tofet een vreselijke plek gemaakt. Hier brengen jullie offers aan andere goden. Jullie kennen die goden niet eens, en ook jullie voorouders en de koningen van Juda hebben die goden nooit gekend.

Hier hebben jullie onschuldige mensen vermoord. Jullie hebben deze plaats veranderd in een dal vol bloed! 5Jullie hebben hier altaren voor de god Baäl gebouwd. Op die altaren offeren jullie je eigen kinderen. Jullie verbranden ze als offer voor Baäl. Maar dat heb ik nooit van jullie gevraagd! Zoiets heb ik nooit gezegd, zoiets wil ik niet!

Straf voor Juda en Jeruzalem

6Daarom ga ik jullie straffen, inwoners van Juda en Jeruzalem. Dit dal zal niet meer het Hinnom-dal genoemd worden, maar het Dal van de Moorden. 7Hier maak ik een eind aan jullie plannen. Hier laat ik jullie doden door jullie vijanden. En jullie lichamen laat ik opeten door roofvogels en wilde dieren.

8Ik zal zorgen dat het heel slecht afloopt met Jeruzalem. De inwoners van de stad zullen door iedereen bespot worden. Alle mensen die de verwoeste stad zien, zullen beven van angst en zich snel omdraaien. Hun mond zal openvallen van schrik over zo veel rampen. 9Ja, de vijanden zullen Jeruzalem aanvallen, en de ellende in de stad zal groot zijn. Mensen zullen andere mensen opeten, zelfs hun eigen kinderen! Zo groot zal de honger zijn.’’

Jeruzalem zal vernietigd worden

10Toen moest Jeremia de kruik die hij gekocht had, kapotslaan. De mannen die met hem meegekomen waren, zagen wat hij deed.

11-12En Jeremia moest de volgende woorden tegen hen zeggen: ‘De machtige Heer zegt: ‘Ik ga dit volk en deze stad vernietigen, net zoals je een kruik kapotslaat! Zo’n kruik kan niet meer gemaakt worden, en dat geldt ook voor jullie volk en jullie stad. Hier in Tofet zullen de doden begraven worden. Het hele dal zal vol dode lichamen liggen.

Ik ga de inwoners van Jeruzalem doden, ik maak van de stad één grote begraafplaats. 13De huizen en paleizen in de stad zullen onreine plaatsen worden. Want op de daken hebben de inwoners van de stad afgoden vereerd. Ze hebben wierook gebrand voor de sterren, en wijn geofferd aan andere goden.’’

Jeremia spreekt in de tempel

14Die woorden van de Heer zei Jeremia in Tofet. Daarna ging hij terug naar Jeruzalem. Hij ging naar het plein voor de tempel, en zei tegen het volk van Juda: 15‘De machtige Heer, de God van Israël, zegt: ‘Ik heb jullie gewaarschuwd voor rampen in Jeruzalem en al jullie andere steden. Maar jullie waren eigenwijs, jullie wilden niet luisteren. Daarom laat ik die rampen nu komen.’’

20

Jeremia wordt gevangengenomen

Paschur zet Jeremia gevangen

201-2In die tijd was de priester Paschur, de zoon van Immer, het hoofd van de bewakers van de tempel. Toen hij hoorde wat Jeremia in de tempel zei, liet hij hem oppakken.

Jeremia werd hard geslagen. En hij werd opgesloten in een gebouw bij de Hoge Benjamin-poort.

3De volgende dag liet Paschur Jeremia weer vrij. Toen zei Jeremia tegen hem: ‘Dit zegt de Heer tegen je: ‘Ik noem jou niet langer Paschur. Vanaf nu heet je ‘Overal Vernietiging’. 4Want door jou komt er vernietiging, voor jezelf en voor je vrienden. Je vrienden zullen door vijanden gedood worden, en jij zult het zien gebeuren.

Ik geef heel Juda aan de koning van Babylonië. Hij zal veel inwoners van Juda doden, en de rest meenemen naar Babel. 5Ook Jeruzalem geef ik aan de vijanden. Zij zullen alles uit de stad meenemen naar Babel: al het bezit en de rijkdom van de inwoners, en alle schatten uit het paleis van de koning.

6En jij, Paschur, ook jij zult gevangen worden genomen. Je wordt meegenomen naar Babel, samen met je hele familie. In Babel zul je sterven en begraven worden. Ook al je vrienden, aan wie jij steeds leugens verteld hebt, zullen daar begraven worden.’’

Klacht van Jeremia

7Jeremia zei: ‘Heer, u liet mij uw woorden spreken. Ik heb gedaan wat u wilde. Ik moest u wel gehoorzamen, want u bent sterker dan ik. Maar nu word ik de hele tijd door iedereen uitgelachen. Niemand neemt mij nog serieus. 8Telkens als ik zeg wat u wilt, kom ik in gevaar. Dan word ik bedreigd met geweld, en schreeuw ik van angst. Ik word elke dag bespot en uitgelachen om de dingen die u mij laat zeggen.

9Soms denk ik: Ik doe het niet meer. Ik zeg niets meer namens de Heer, ik wil zijn woorden niet meer spreken. Maar dan voel ik weer uw woede. Diep in mij voel ik hoe kwaad u bent op uw volk. Uw woede is als een groot vuur dat in mij brandt. Ik probeer me stil te houden, maar het lukt me niet. Uw woorden moeten eruit!

10De mensen doen me na. Ze roepen: ‘Overal komt vernietiging!’ Ze zeggen: ‘Vertel ons nog meer, wij geven het wel door!’ Zo maken ze mij belachelijk.

Zelfs mijn beste vrienden hopen dat het verkeerd met me afloopt. Ze zeggen: ‘Misschien zegt hij iets wat niet mag. Dan kunnen we hem te pakken nemen. Dan kunnen we wraak nemen!’

Jeremia dankt de Heer

11Maar, Heer, u bent bij mij. U beschermt mij, als een machtige held. Daarom kunnen mijn vijanden mij niet verslaan. Hun plannen zullen niet slagen. Nee, het zal slecht met hen aflopen! En dan zullen ze voor altijd vernederd worden. Hun slechte gedrag zal nooit vergeten worden.

12Machtige Heer, u bent een eerlijke rechter. En u kent alle mensen. U weet dat deze mensen mij kwaad willen doen. Ik wil dat u hen veroordeelt. Laat mij zien dat u hen straft!

13Heer, ik zing voor u, ik wil u danken. Want u redt machteloze mensen als ze door anderen bedreigd worden.

Jeremia is wanhopig

14Weg met de dag waarop ik geboren ben, die vreselijke dag dat mijn moeder mij kreeg!

15-16Weg met de man die aan mijn vader vertelde dat ik geboren was! Hij maakte mijn vader blij met de woorden: ‘Je hebt een zoon gekregen!’ Laat het slecht aflopen met die man. Laat het met hem net zo gaan als met de inwoners van Sodom en Gomorra. God kreeg geen medelijden met hen, hij verwoestte die steden volledig. Net zo zal die man meemaken hoe vijanden zijn stad verwoesten. Hij zal horen dat de mensen om hulp roepen. Hij zal het geschreeuw van de vijanden horen.

17Die man had een zwaard in mijn moeders buik moeten steken! Hij had me moeten doden voordat ik geboren was. Dan was de buik van mijn moeder mijn graf geworden. Dan was zij voor eeuwig zwanger gebleven.

18Ik had nooit geboren moeten worden! Want ik voel alleen maar pijn, verdriet en schaamte. Zo leef ik en zo zal ik sterven.’

21

Het einde van Jeruzalem

Het loopt slecht af met Jeruzalem

211-2Koning Nebukadnessar van Babylonië was met zijn leger naar Jeruzalem gekomen en omsingelde de stad.

Koning Sedekia stuurde Paschur en de priester Sefanja naar Jeremia toe. Deze Paschur was een zoon van Malkia, en de priester Sefanja was een zoon van Maäseja. Zij zeiden tegen Jeremia: ‘Vraag de Heer wat we moeten doen. Misschien zal hij ons redden door een wonder. Want zo heeft hij zijn volk al vaak gered. Misschien zorgt hij ervoor dat de koning van Babylonië en zijn leger weggaan.’

Toen vertelde de Heer aan Jeremia wat hij moest zeggen. 3-5En Jeremia zei tegen de twee mannen: ‘Ga terug naar koning Sedekia. Geef hem dit antwoord van de Heer: ‘Ik, de God van Israël, zal zelf tegen jullie vechten. Ik zal jullie straffen en jullie vernietigen met mijn grote macht. Jullie zullen meemaken hoe groot mijn woede is. Nu vechten jullie nog buiten de stad tegen het leger van Babylonië. Maar ik zal jullie wapens waardeloos maken. 6-7Want ik zal de pest laten uitbreken in de stad. Mensen en dieren zullen eraan sterven. Ja, de inwoners van Jeruzalem zullen sterven door die vreselijke ziekte, en door oorlog en hongersnood.

En daarna geef ik de stad aan de koning van Babylonië. Dan wordt koning Sedekia gevangengenomen, samen met zijn dienaren en iedereen in Jeruzalem die nog in leven is. Dan zullen de vijanden iedereen doden. Ze zullen geen medelijden hebben en niemand in leven laten.’

Kiezen tussen leven en dood

8Inwoners van Jeruzalem, dit zegt de Heer tegen jullie: ‘Ik laat jullie kiezen tussen leven en dood. 9Wie de stad verlaat en zich overgeeft aan de Babyloniërs, die zal blijven leven. Maar wie in Jeruzalem blijft, zal sterven. Door oorlog, door hongersnood of door de pest. 10Want ik heb besloten dat het met deze stad slecht zal aflopen. De koning van Babylonië zal de stad veroveren en verbranden.’’

Over de koningen van Juda

11-12Hier volgt Gods boodschap voor de koningen van Juda.

Een koning moet eerlijk rechtspreken

Nakomelingen van David, luister naar deze woorden van de Heer: ‘Spreek eerlijk recht, elke dag opnieuw. Bescherm machteloze mensen tegen hun onderdrukkers. Als jullie dat niet doen, kunnen slechte mensen hun gang gaan. En dan word ik woedend! Dan zal mijn woede zijn als een vuur dat nooit uitgaat en dat alles verbrandt.’

Jeruzalem is geen veilige plaats

13-14De inwoners van Jeruzalem zeggen: ‘Onze sterke stad is gebouwd op een berg, midden in het dal. Voor wie moeten we bang zijn? Niemand kan onze stad binnenkomen!’

Maar de Heer zegt: ‘Ikzelf ben jullie vijand. Ik geef jullie de straf die jullie verdienen. Ik zal het paleis en de hele stad in brand steken.’