Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

De volken die in het land bleven

31-5De Heer had de andere volken dus in het land KanaƤn laten wonen. Dat deed hij omdat hij wilde weten of de Israƫlieten zich aan de regels zouden houden. Dat zijn de regels die hij via Mozes aan hun voorouders gegeven had. Maar hij deed het ook om de jonge Israƫlieten te leren hoe ze oorlog moesten voeren tegen die volken. Dat konden ze namelijk nog niet.

Dit zijn de volken die in het land gebleven waren: de Filistijnen in hun vijf steden, de Sidoniƫrs en de KanaƤnieten. De KanaƤnieten waren: de Hethieten, de Amorieten, de Perizzieten, de Jebusieten en de Chiwwieten. De Chiwwieten woonden in de Libanon-bergen, tussen de berg BaƤl-Hermon en de stad Lebo-Hamat. De Israƫlieten waren tussen de KanaƤnieten gaan wonen.

6Veel Israƫlieten lieten hun kinderen trouwen met kinderen van die andere volken. En ze gingen ook de goden van die volken vereren.

De eerste rechters

Otniƫl wordt rechter

7De IsraĆ«lieten deden dingen die de Heer slecht vond. Ze gingen de afgoden BaƤl en Asjera vereren, en ze dachten niet meer aan de Heer, hun God. 8Toen werd de Heer woedend op de IsraĆ«lieten. Hij zorgde ervoor dat ze verslagen werden door Kusan-RisataĆÆm, de koning van Aram-NaharaĆÆm. Acht jaar lang moesten de IsraĆ«lieten hem dienen.

9Toen riepen de IsraĆ«lieten de Heer om hulp, en de Heer stuurde iemand om hen te bevrijden. Dat was OtniĆ«l, de zoon van Kalebs jongere broer Kenaz. 10De geest van de Heer kwam in OtniĆ«l, en OtniĆ«l werd de rechter van het volk. Hij viel koning Kusan-RisataĆÆm aan, en de Heer hielp hem om de ArameeĆ«rs te verslaan.

11Daarna was er veertig jaar vrede in het land. Toen stierf Otniƫl.

Ehud wordt rechter

12De Israƫlieten begonnen weer dingen te doen die de Heer slecht vond. Daarom zorgde de Heer ervoor dat ze verslagen werden door Eglon, de koning van Moab. 13Met de hulp van de Ammonieten en de Amalekieten viel Eglon de Israƫlieten aan. Zo versloeg hij hen. Ook veroverde hij de stad Jericho, de stad van de palmbomen. 14Achttien jaar lang moesten de Israƫlieten Eglon dienen.

15Toen riepen de Israƫlieten de Heer om hulp, en de Heer stuurde iemand om hen te bevrijden. Dat was Ehud, de zoon van Gera uit de stam Benjamin. Ehud was linkshandig.

Ehud gaat naar koning Eglon

Ehud had de taak om de belasting van de Israƫlieten naar koning Eglon te brengen. 16Maar voordat hij op weg ging, liet hij een kort, scherp zwaard maken. Dat verstopte hij onder zijn kleren, op zijn rechterheup. 17-20Nadat Ehud de belasting naar koning Eglon gebracht had, ging hij met zijn knechten mee terug. Maar hij ging niet verder dan de godenbeelden bij Gilgal. De knechten reisden door naar huis, maar Ehud ging terug naar de koning.

De koning zat in zijn kamer op de bovenste verdieping, waar het koel was. Ehud zei tegen hem: ā€˜Koning, ik heb een geheime boodschap voor u.ā€™ Toen stuurde de koning alle mensen die bij hem waren, weg. Ehud ging vlak bij de koning staan en zei: ā€˜Ik heb een boodschap van God voor u.ā€™

Ehud doodt de koning

Koning Eglon stond op van zijn troon. Hij was heel dik. 21Op dat moment pakte Ehud met zijn linkerhand het zwaard dat hij op zijn rechterheup verstopt had. Hij stak het in de buik van de koning. 22-23Het zwaard ging helemaal zijn buik in. Het handvat was niet meer te zien, het werd bedekt door zijn vet. Ehud liet het zwaard in de buik zitten. Hij deed de deur van de kamer van binnen op slot. En hij ging via een andere uitgang de kamer uit, naar de galerij.

24Ehud was net buiten, toen er dienaren bij de kamer kwamen. Toen ze zagen dat de deur op slot was, zeiden ze: ā€˜De koning zit zeker zijn behoefte te doen.ā€™ 25De dienaren wachtten heel lang, maar de deur ging niet open. Ze wisten niet goed wat ze moesten doen. Ten slotte haalden ze een sleutel, en deden de deur open. Daar zagen ze hun koning: hij lag dood op de grond.

26Omdat de dienaren zo lang gewacht hadden, was het Ehud gelukt om te ontsnappen. Hij was langs de godenbeelden bij Gilgal gegaan, en kwam veilig aan in SeĆÆra.

Ehud verslaat de Moabieten

27-28Toen Ehud in het bergland van EfraĆÆm aangekomen was, blies hij op de trompet. Zo riep hij de IsraĆ«lieten bij elkaar. Hij zei tegen hen: ā€˜Volg mij! Jullie zullen de Moabieten, jullie vijanden, verslaan. Daar zal de Heer voor zorgen.ā€™

Toen volgden de Israƫlieten Ehud vanuit de bergen naar het dal, naar de rivier de Jordaan. Ze gingen naar de plekken waar je kunt oversteken, en ze zorgden ervoor dat niemand uit Moab de rivier over kon gaan.

29De Israƫlieten versloegen toen ongeveer tienduizend Moabieten. Ook al waren alle Moabieten gezond en sterk, toch werden ze allemaal gedood. 30Nadat de Israƫlieten het volk van Moab verslagen hadden, was er tachtig jaar vrede in Israƫl.

Samgar wordt rechter

31Na Ehud werd Samgar, de zoon van Anat, de rechter van het land. Met een grote stok doodde hij zeshonderd Filistijnen. Zo bevrijdde ook hij Israƫl.