Bijbel in Gewone Taal (BGT)
55

God wil dat Israël terugkomt

De Heer wil dat zijn volk bij hem komt

551De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Kom allemaal! Kom hierheen. Want ik heb water voor iedereen die dorst heeft. Ook al heb je geen geld, bij mij kun je eten kopen. Hier kun je melk en wijn krijgen, en je hoeft er niets voor te betalen!

2Nu werken jullie hard voor eten dat je maag niet vult. Jullie betalen veel te veel voor het kleine beetje brood dat je krijgt. En de honger blijft! Kom daarom hierheen en luister naar mij. Bij mij zul je genoeg te eten hebben, je zult genieten van heerlijke maaltijden. 3Kom naar mij toe, en luister goed. Luister, dan zul je leven!

Ik beloof dat ik voor altijd jullie God zal zijn. Dat doe ik uit liefde voor koning David, 4die ik koning en heerser van veel volken gemaakt heb. Hij heeft aan de volken laten zien hoe machtig ik ben.

5En ook jullie zullen aan de volken laten zien wie ik ben. Nu kennen jullie die volken nog niet, en zij kennen jullie nog niet. Jullie zullen zeggen dat ze moeten komen, en zij zullen graag naar jullie toe komen. Dat zal gebeuren omdat ik de Heer ben. Ik ben jullie God, de heilige God van Israël. Ik heb van jullie een volk gemaakt dat door iedereen bewonderd wordt.’

Jesaja wil dat Israël terugkomt

6Volk van Israël! Zoek de Heer, want nu kun je hem nog vinden. Roep de Heer, hij is niet ver weg. 7Slechte mensen moeten stoppen met hun verkeerde leven, oneerlijke mensen moeten niet langer slechte plannen maken. Ze moeten terugkomen bij de Heer, onze God. Hij zal hun alles vergeven, en hij zal weer voor hen zorgen.

De Heer heeft andere plannen

8De Heer zegt: ‘Volk van Israël, mijn plannen zijn anders dan jullie plannen. Wat jullie willen doen, is niet hetzelfde als wat ik wil doen. 9Het verschil tussen mijn plannen en jullie plannen is net zo groot als het verschil tussen hemel en aarde.

10Als het regent of sneeuwt, komt er water uit de hemel. Maar dat water gaat niet meteen terug naar de hemel. Eerst moet de aarde vochtig gemaakt zijn, en er moet weer iets op de akkers groeien. Dan is er zaad om te zaaien en graan om brood van te bakken. Daarna gaat het water terug naar de hemel.

11Zo gaat het ook met de woorden die uit mijn mond komen. Ze komen pas weer bij mij terug als ze hun doel bereikt hebben. Mijn woorden komen pas terug als ze ook daden geworden zijn.’

De Israëlieten zullen weer thuiskomen

12De Heer zegt: ‘Volk van Israël, jullie zullen weer thuiskomen. Vol vreugde komen jullie terug. Dan worden jullie met gejuich begroet door de bergen en de heuvels. Dan klappen zelfs de bomen in hun handen! 13Er zullen geen doornstruiken meer groeien. Er zijn dan alleen maar mooie bomen en prachtige struiken.

Als jullie terugkomen, zal iedereen eerbied voor mij hebben. Het is een gebeurtenis die nooit vergeten zal worden.’

56

Gods tempel op de heilige berg

Wie eerlijk leeft, zal gelukkig zijn

561De Heer zegt: ‘Nog even, en dan kom ik mijn volk bevrijden. Iedereen zal zien hoe ik mijn volk kom redden.

Houd je daarom aan mijn wetten en zorg dat er eerlijk rechtgesproken wordt. 2Houd je altijd aan de regels voor de sabbat en doe niemand kwaad. Want alleen als je goed en eerlijk leeft, zul je gelukkig zijn.’

Ook vreemdelingen zijn welkom bij God

3-7Tussen de Israëlieten wonen ook vreemdelingen die bij de Heer willen horen. Ook zij willen de Heer liefhebben en vereren. Ze willen hem dienen in de tempel. Die vreemdelingen moeten niet zeggen: ‘De Heer wil vast niet dat we bij zijn volk gaan horen.’

Want dit zegt de Heer: ‘Als vreemdelingen zich altijd houden aan de regels voor de sabbat, dan is het goed. Als zij zich houden aan alles wat ik met mijn volk afgesproken heb, dan is het goed. Die vreemdelingen zal ik naar mijn heilige berg brengen. Ze zullen naar mijn tempel komen om te bidden en om mee te doen met de feesten. Ik zal blij zijn met hun offers. Mijn tempel zal een huis zijn waar mensen van alle volken mogen bidden.’

Ook onvruchtbare mannen zijn welkom

Tussen de Israëlieten wonen ook mannen die onvruchtbaar zijn. Zij moeten niet zeggen: ‘Ik hoor vast niet bij het volk van de Heer. Want ik ben onvruchtbaar, ik lijk op een dorre boom.’

Dat moeten ze niet zeggen, want dit zegt de Heer: ‘Sommige mannen zijn onvruchtbaar. Maar als zij zich houden aan de regels voor de sabbat, dan is het goed. Als zij doen wat ik wil en zich houden aan mijn afspraak met het volk, dan zal ik hen belonen.

Dan geef ik hun iets dat meer waard is dan zonen of dochters. Ik geef hun een plaats in mijn tempel. En ik zorg dat de mensen in mijn stad respect voor hen hebben. Hun naam zal nooit vergeten worden.’

God brengt nog meer Israëlieten terug

8God, de Heer, zal de Israëlieten die weggejaagd waren, weer terugbrengen naar hun land. Hij zegt: ‘Ik heb al veel Israëlieten teruggebracht, maar ik zal er nog veel meer terugbrengen.’

De leiders beschermen het volk niet

9Vijanden van het volk, val de Israëlieten maar aan! Val ze maar aan als roofdieren, verscheur ze, eet ze maar op!

10De leiders van de Israëlieten kunnen het volk niet beschermen. Ze zijn blind, ze zien helemaal niets. Ze lijken op waakhonden die niet kunnen blaffen. Het zijn luie honden, ze willen alleen maar slapen.

11Die leiders doen waar ze zelf zin in hebben. Ze hebben geen verstand, en ze denken alleen aan zichzelf. Ze lijken op honden die alles opvreten en nooit genoeg hebben. 12Ze zeggen: ‘Kom, we nemen nog wat wijn. Laten we drinken en feesten! Vanavond worden we lekker dronken, en morgen drinken we nog meer!’

57

Eerlijke mensen zullen rustig sterven

571Het gaat niet goed met het volk van Israël. Mensen die eerlijk leven, gaan dood. En niemand vindt dat erg. Mensen die trouw zijn aan God, sterven doordat er veel onrecht is. Maar er is niemand die dat ziet.

2En toch zullen de mensen die goed leven, rustig sterven. Zij zullen vrede vinden na hun dood.

De mensen doen graag slechte dingen

3De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Kom dichterbij, jullie! Jullie zijn nog slechter dan waarzeggers en hoeren.

4Jullie spotten met mij! Jullie zijn brutaal tegen mij, jullie steken je tong naar mij uit! Jullie zijn net zo slecht als je voorouders, jullie liegen en bedriegen. 5Jullie hebben overal seks met elkaar, op al jullie heilige plaatsen en onder elke groene boom. Jullie offeren je eigen kinderen, in het dal van de rivier en tussen de rotsen.

6Ik moet jullie dus wel straffen! Straks komen jullie daar zelf te liggen, tussen de gladde stenen in de rivier. Want daar hebben jullie offers gebracht aan afgoden. Ja, het zal slecht met jullie aflopen.’

Het volk van Israël lijkt op een hoer

7-8De Heer zegt: ‘Israël, je lijkt op een hoer die haar bed neergezet heeft op de berg Sion. Je hebt mij in de steek gelaten. Boven op de berg heb je offers gebracht aan afgoden. Achter de deuren van je tempel heb je afschuwelijke beeldjes neergezet.

Je lijkt op een hoer die naakt op haar bed ligt. Zo’n hoer die veel klanten ontvangt en een prijs met hen afspreekt. Je lijkt op een hoer die geniet van al haar mannen en die hun naakte lichamen bewondert.

9Israël, je vereerde de afgod Baäl alsof het één van je mannen was. Je verwende hem met parfum en geurige olie. Je stuurde boodschappers naar verre gebieden, om nog meer afgoden te zoeken. Zij kwamen zelfs in het land van de dood. 10Je werd moe van al dat zoeken, maar toch ging je door. Je had steeds plezier, en daarom kon je verdergaan.

11Waarom heb je mij zo vaak bedrogen? Je hebt alleen eerbied voor andere goden, en je bent bang voor hen. Maar aan mij denk je niet. Naar mij luister je niet meer. Misschien heb ik veel te lang gezwegen, en ben je daarom niet meer bang voor mij.

12Israël, ik zal aan de mensen vertellen welke slechte dingen je allemaal gedaan hebt. En dan kunnen al die goden die je verzameld hebt, jou niet helpen. 13Hoe hard je ook schreeuwt, ze zullen je niet redden. Bij een klein beetje wind worden die goden al weggeblazen.

Maar ik zal niet al je inwoners in de steek laten. De mensen die hulp zoeken bij mij, mogen in dit land blijven wonen. Zij krijgen een plek op mijn heilige berg.’

De Heer blijft niet altijd kwaad

14De Heer zegt: ‘Maak de weg vrij, maak de weg vrij voor mijn volk! Zorg dat niets mijn volk kan tegenhouden.’ 15Dat zegt de Heer, die groot is en machtig. De Heer die voor eeuwig regeert, en die heilig is. Hij zegt: ‘Ik zal wonen op een hoge en heilige plaats, samen met mensen die arm zijn en onderdrukt worden. Ik zal ze moed geven, zodat ze gelukkig worden.

16Ik blijf niet altijd kwaad op de Israëlieten, mijn woede gaat weer voorbij. Want ik wil niet dat ze door mijn woede sterven. Ik heb hun zelf het leven gegeven.

17Ik was kwaad omdat mijn volk alleen aan zichzelf dacht. Daarom heb ik de mensen gestraft, en daarom liet ik me niet meer zien. Maar zij hielden niet op, ze gingen maar door met hun slechte gedrag.’

De Heer zal de mensen troosten

18-19De Heer zegt: ‘Ik heb gezien wat de mensen allemaal verkeerd deden. Maar toch zal ik hen helpen. Ik zal mijn volk leiden. Ik zal de mensen troosten, want dat heb ik beloofd.

Mensen die verdriet hebben, zal ik troosten met deze woorden: Vrede zal er zijn, vrede voor iedereen, voor mensen ver weg en dichtbij. Ik zal alle mensen helpen.

20-21Maar mensen die slecht zijn, zal ik niet helpen. Voor hen zal er geen vrede zijn. Want zij zorgen steeds opnieuw voor ellende. Ze zijn altijd onrustig, net als de zee. Ze lijken op golven die vuil en modder achterlaten op het strand.’