Bijbel in Gewone Taal (BGT)
53

Gods dienaar werd door niemand gezien

531Niemand van ons volk geloofde wat er verteld werd. Niemand van ons heeft gezien wat de machtige Heer gedaan heeft.

2Gods dienaar werd in het begin door niemand gezien, net als een plantje dat maar niet wil groeien. Hij viel niet op, hij was niet mooi. Niemand keek naar hem, hij werd door niemand bewonderd. 3De mensen liepen hem voorbij, ze deden alsof hij niet bestond. Hij wist wat pijn was, hij wist wat ziekte was. Hij liet zich liever niet aan de mensen zien.

Gods dienaar moest voor ons lijden

4Gods dienaar heeft pijn gehad, hij heeft voor ons geleden. Hij heeft onze ziektes en onze pijn gedragen.

Wij dachten dat God zijn dienaar liet lijden om hem te straffen. 5-6Maar God heeft hem gestraft voor ons. Gods dienaar is mishandeld voor onze fouten, hij is gedood voor onze zonden. Want wij luisterden niet meer naar God, we leken wel verdwaalde schapen. En Gods dienaar moest onze schuld dragen. Omdat hij gestraft werd, hebben wij nu vrede. Omdat hij geslagen is, zijn wij genezen.

Gods dienaar heeft zich niet verzet

7Gods dienaar werd mishandeld, maar hij verzette zich niet. Hij zweeg, hij deed zijn mond niet open. Hij was zo stil als een lam dat geschoren wordt. Hij was zo stil als een schaap dat geslacht gaat worden.

8Gods dienaar werd gevangengenomen. De mensen zeiden dat hij schuldig was. Hij werd weggebracht om gedood te worden. Niemand heeft geprotesteerd. Gods dienaar werd geslagen voor de zonden van het volk. Hij werd gedood, hij mocht niet langer leven.

9Gods dienaar heeft nooit geweld gebruikt, hij heeft nooit iemand bedrogen. En toch werd hij begraven tussen de misdadigers, zijn graf lag tussen de graven van slechte mensen. 10Want de Heer wilde dat zijn dienaar zou lijden. Zijn dienaar moest gedood worden. Hij moest zijn leven geven om de schuld van de mensen te dragen.

Gods dienaar zal weer leven

Gods dienaar heeft de schuld van de mensen weggenomen. Daarom zal hij weer leven, en hij zal veel nakomelingen krijgen. Hij zal ervoor zorgen dat Gods plannen uitgevoerd worden. 11-12Als zijn lijden voorbij is, zal hij weer leven in het licht. En hij zal begrijpen wat God voor de mensen gedaan heeft.

God zal zijn dienaar belonen

De Heer zegt: ‘Mijn dienaar heeft de schuld van veel mensen gedragen. Daarom zal ik hem veel macht geven. Hij zal net zo machtig zijn als de machtigste koningen van de wereld.

Alle mensen zullen zien dat mijn dienaar een goed mens is. Ze dachten dat hij een misdadiger was. Maar mijn dienaar wilde sterven voor de mensen. Hij heeft de schuld van veel mensen gedragen. En hij heeft vergeving gevraagd voor misdadigers.’

54

God zal Jeruzalem beschermen

Jeruzalem zal weer groot worden

541De Heer zegt: ‘Jeruzalem, ik had jou verlaten, zoals een man zijn vrouw in de steek laat. En daardoor verloor je al je inwoners. Je leek op een vrouw zonder kinderen, een vrouw die niet zwanger kan worden.

Maar wees blij! Juich van vreugde! Want je zult weer inwoners krijgen, Jeruzalem. Je zult meer inwoners hebben dan je ooit hebt gehad. 2Zorg ervoor dat je groter wordt, zodat er veel mensen binnen jouw muren kunnen wonen. Je moet jezelf voortdurend uitbreiden, 3zodat je steeds groter wordt. In alle richtingen zul je er land bij krijgen. Er zullen steeds meer inwoners binnen je muren wonen, en ook in de steden daarbuiten. De volken die nu nog in die steden wonen, zullen dan weggejaagd worden.

God blijft Jeruzalem trouw

4Jeruzalem, wees niet bang. Je zult niet nog een keer vernederd worden. Ik zal ervoor zorgen dat je je niet meer hoeft te schamen. Je zult vergeten dat je vroeger in de steek gelaten bent. Je zult er niet meer aan denken. 5Want ik zal weer bij je terugkomen, zoals een man terugkomt bij zijn eigen vrouw. Ik, de machtige Heer, heb je gemaakt. Ik ben de heilige God van Israël, ik ben de God van de hele aarde. Ik zal je bevrijden.

6Jeruzalem, je was wanhopig, zoals een vrouw die door haar man verlaten is. Maar ik roep je terug, ik blijf je trouw. Want jij bent mijn grote liefde!

7Ik heb je verlaten, maar ik zal je weer terughalen. Ik zal je snel weer bij me nemen, want mijn liefde voor jou is groot. 8Eerst was ik kwaad op je, en daarom liet ik me niet zien. Maar dat duurde maar even. Vanaf nu zal ik weer voor je zorgen. Ik zal altijd van je houden. Ik, de Heer, zal je bevrijden.

God zal Jeruzalem nooit verlaten

9Toen Noach leefde, heb ik gezegd: ‘Nooit meer zal de aarde door water bedekt worden.’ Dat heb ik aan Noach beloofd. En nu beloof ik jou dat ik nooit meer kwaad op je zal worden. Ik zal je nooit meer bang maken.

10Bergen kunnen van plaats veranderen en heuvels kunnen verdwijnen. Maar mijn liefde voor jou zal nooit verdwijnen. Mijn belofte van vrede geldt voor altijd. Dat zeg ik omdat ik van je houd.

God zal Jeruzalem weer sterk maken

11Jeruzalem, je was zo ongelukkig, je inwoners werden alle kanten op gejaagd. Je werd door niemand getroost. Maar ik maak van jou weer een sterke stad. Je muren zal ik bouwen op een laag edelstenen, en ik zal ze versterken met de beste klei. 12Je torens, poorten en muren zullen gebouwd worden met de prachtigste stenen.

13Ik zal je inwoners leren hoe ze moeten leven. Ze zullen gelukkig zijn en in vrede leven. 14Ze zullen eerlijk leven, ze zullen elkaar goed behandelen. Dan hoef jij nergens meer bang voor te zijn, Jeruzalem. Geen enkele vijand zal jou nog onderdrukken. 15Als je toch wordt aangevallen, is dat niet in opdracht van mij. Iedereen die jou aanvalt, zal de strijd verliezen.

16Ik heb alle mensen gemaakt. Ook de smid die wapens maakt in het vuur, ook de vijanden die jou willen vernietigen. 17Geen enkel wapen zal jou raken. En iedereen die jou aanklaagt, zal zelf gestraft worden.

Jeruzalem, jij bent de stad van mijn dienaren. De stad waar ze goed en eerlijk met elkaar zullen leven. Jij bent de stad die ik hun beloofd heb.’

55

God wil dat Israël terugkomt

De Heer wil dat zijn volk bij hem komt

551De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Kom allemaal! Kom hierheen. Want ik heb water voor iedereen die dorst heeft. Ook al heb je geen geld, bij mij kun je eten kopen. Hier kun je melk en wijn krijgen, en je hoeft er niets voor te betalen!

2Nu werken jullie hard voor eten dat je maag niet vult. Jullie betalen veel te veel voor het kleine beetje brood dat je krijgt. En de honger blijft! Kom daarom hierheen en luister naar mij. Bij mij zul je genoeg te eten hebben, je zult genieten van heerlijke maaltijden. 3Kom naar mij toe, en luister goed. Luister, dan zul je leven!

Ik beloof dat ik voor altijd jullie God zal zijn. Dat doe ik uit liefde voor koning David, 4die ik koning en heerser van veel volken gemaakt heb. Hij heeft aan de volken laten zien hoe machtig ik ben.

5En ook jullie zullen aan de volken laten zien wie ik ben. Nu kennen jullie die volken nog niet, en zij kennen jullie nog niet. Jullie zullen zeggen dat ze moeten komen, en zij zullen graag naar jullie toe komen. Dat zal gebeuren omdat ik de Heer ben. Ik ben jullie God, de heilige God van Israël. Ik heb van jullie een volk gemaakt dat door iedereen bewonderd wordt.’

Jesaja wil dat Israël terugkomt

6Volk van Israël! Zoek de Heer, want nu kun je hem nog vinden. Roep de Heer, hij is niet ver weg. 7Slechte mensen moeten stoppen met hun verkeerde leven, oneerlijke mensen moeten niet langer slechte plannen maken. Ze moeten terugkomen bij de Heer, onze God. Hij zal hun alles vergeven, en hij zal weer voor hen zorgen.

De Heer heeft andere plannen

8De Heer zegt: ‘Volk van Israël, mijn plannen zijn anders dan jullie plannen. Wat jullie willen doen, is niet hetzelfde als wat ik wil doen. 9Het verschil tussen mijn plannen en jullie plannen is net zo groot als het verschil tussen hemel en aarde.

10Als het regent of sneeuwt, komt er water uit de hemel. Maar dat water gaat niet meteen terug naar de hemel. Eerst moet de aarde vochtig gemaakt zijn, en er moet weer iets op de akkers groeien. Dan is er zaad om te zaaien en graan om brood van te bakken. Daarna gaat het water terug naar de hemel.

11Zo gaat het ook met de woorden die uit mijn mond komen. Ze komen pas weer bij mij terug als ze hun doel bereikt hebben. Mijn woorden komen pas terug als ze ook daden geworden zijn.’

De Israëlieten zullen weer thuiskomen

12De Heer zegt: ‘Volk van Israël, jullie zullen weer thuiskomen. Vol vreugde komen jullie terug. Dan worden jullie met gejuich begroet door de bergen en de heuvels. Dan klappen zelfs de bomen in hun handen! 13Er zullen geen doornstruiken meer groeien. Er zijn dan alleen maar mooie bomen en prachtige struiken.

Als jullie terugkomen, zal iedereen eerbied voor mij hebben. Het is een gebeurtenis die nooit vergeten zal worden.’