Bijbel in Gewone Taal (BGT)
52

Jeruzalem zal bevrijd worden

521De Heer zegt: ‘Word wakker, inwoners van Jeruzalem. Word wakker! Laat zien hoe sterk jullie stad is, laat zien hoe mooi ze is. Jeruzalem is nu een heilige stad. Ze zal nooit meer door vreemdelingen bezet worden.

2Sta op, vergeet alle ellende. Jullie stad heeft weer macht. Alle inwoners zijn vrij, Jeruzalem is geen bezette stad meer!’

De Heer zal zijn volk bevrijden

3De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Toen de vijanden jullie meenamen naar hun land, hebben ze mij daar niets voor betaald. En als ik jullie bevrijd, zal ik hun daar ook niets voor betalen.

4-5Volk van Israël! Eerst gingen jullie naar Egypte. Daar woonden jullie als vreemdelingen. Daarna werden jullie meegenomen en onderdrukt in Assyrië. En nu worden jullie in Babylonië opnieuw als slaven behandeld. En al die tijd is er niet voor jullie betaald. Jullie vijanden hebben mij nooit iets teruggegeven. En ze beledigen mij iedere dag opnieuw.

6Volk van Israël, daarom zal ik mijn macht laten zien. Jullie zullen zien wie ik ben. Jullie zullen weten dat ik bij jullie ben.’

De Heer komt terug naar Jeruzalem

7Iedereen wacht op het goede nieuws. Iedereen wacht op de snelle boodschapper die over de bergen komt. De mensen zijn blij als hij komt. Hij zegt dat er vrede komt, en dat God de mensen zal bevrijden. Hij roept naar de inwoners van Jeruzalem: ‘Jullie God is koning!’

8De bewakers op de muren roepen van vreugde, ze juichen. Want ze zien het met eigen ogen: de Heer komt terug naar Jeruzalem.

9Inwoners van Jeruzalem, juich allemaal! Jullie stad is verwoest, maar de Heer komt jullie troosten. Hij zal Jeruzalem bevrijden. 10Hij zal alle volken laten zien hoe machtig hij is. Iedereen op aarde zal zien hoe God zijn volk bevrijdt.

Het volk gaat weg uit Babel

11Volk van Israël, ga weg uit Babel! Verlaat die stad. Neem de heilige voorwerpen van de tempel mee. En raak geen dingen aan die onrein zijn, want dan worden jullie zelf ook onrein. 12Jullie hoeven niet haastig weg te gaan, jullie hoeven niet te vluchten. Want de Heer zelf gaat voor jullie uit. Hij zal jullie aan alle kanten beschermen.

Gods dienaar heeft veel pijn geleden

De mensen zullen verbaasd zijn

13De Heer zegt: ‘Mijn dienaar zal succes hebben. Hij zal machtig en belangrijk worden.

14Veel volken schrokken eerst toen ze mijn dienaar zagen. Want hij was mishandeld en zag er afschuwelijk uit. Je kon bijna niet meer zien dat hij een mens was! Maar straks zullen de mensen hem bewonderen. 15Hij zal doen wat niemand verwacht. Volken zullen in de war raken, koningen zullen stomverbaasd zijn. Ze zullen dingen meemaken die nooit eerder gebeurd zijn. Ze zullen dingen zien waarvan ze nog nooit gehoord hebben!’

53

Gods dienaar werd door niemand gezien

531Niemand van ons volk geloofde wat er verteld werd. Niemand van ons heeft gezien wat de machtige Heer gedaan heeft.

2Gods dienaar werd in het begin door niemand gezien, net als een plantje dat maar niet wil groeien. Hij viel niet op, hij was niet mooi. Niemand keek naar hem, hij werd door niemand bewonderd. 3De mensen liepen hem voorbij, ze deden alsof hij niet bestond. Hij wist wat pijn was, hij wist wat ziekte was. Hij liet zich liever niet aan de mensen zien.

Gods dienaar moest voor ons lijden

4Gods dienaar heeft pijn gehad, hij heeft voor ons geleden. Hij heeft onze ziektes en onze pijn gedragen.

Wij dachten dat God zijn dienaar liet lijden om hem te straffen. 5-6Maar God heeft hem gestraft voor ons. Gods dienaar is mishandeld voor onze fouten, hij is gedood voor onze zonden. Want wij luisterden niet meer naar God, we leken wel verdwaalde schapen. En Gods dienaar moest onze schuld dragen. Omdat hij gestraft werd, hebben wij nu vrede. Omdat hij geslagen is, zijn wij genezen.

Gods dienaar heeft zich niet verzet

7Gods dienaar werd mishandeld, maar hij verzette zich niet. Hij zweeg, hij deed zijn mond niet open. Hij was zo stil als een lam dat geschoren wordt. Hij was zo stil als een schaap dat geslacht gaat worden.

8Gods dienaar werd gevangengenomen. De mensen zeiden dat hij schuldig was. Hij werd weggebracht om gedood te worden. Niemand heeft geprotesteerd. Gods dienaar werd geslagen voor de zonden van het volk. Hij werd gedood, hij mocht niet langer leven.

9Gods dienaar heeft nooit geweld gebruikt, hij heeft nooit iemand bedrogen. En toch werd hij begraven tussen de misdadigers, zijn graf lag tussen de graven van slechte mensen. 10Want de Heer wilde dat zijn dienaar zou lijden. Zijn dienaar moest gedood worden. Hij moest zijn leven geven om de schuld van de mensen te dragen.

Gods dienaar zal weer leven

Gods dienaar heeft de schuld van de mensen weggenomen. Daarom zal hij weer leven, en hij zal veel nakomelingen krijgen. Hij zal ervoor zorgen dat Gods plannen uitgevoerd worden. 11-12Als zijn lijden voorbij is, zal hij weer leven in het licht. En hij zal begrijpen wat God voor de mensen gedaan heeft.

God zal zijn dienaar belonen

De Heer zegt: ‘Mijn dienaar heeft de schuld van veel mensen gedragen. Daarom zal ik hem veel macht geven. Hij zal net zo machtig zijn als de machtigste koningen van de wereld.

Alle mensen zullen zien dat mijn dienaar een goed mens is. Ze dachten dat hij een misdadiger was. Maar mijn dienaar wilde sterven voor de mensen. Hij heeft de schuld van veel mensen gedragen. En hij heeft vergeving gevraagd voor misdadigers.’

54

God zal Jeruzalem beschermen

Jeruzalem zal weer groot worden

541De Heer zegt: ‘Jeruzalem, ik had jou verlaten, zoals een man zijn vrouw in de steek laat. En daardoor verloor je al je inwoners. Je leek op een vrouw zonder kinderen, een vrouw die niet zwanger kan worden.

Maar wees blij! Juich van vreugde! Want je zult weer inwoners krijgen, Jeruzalem. Je zult meer inwoners hebben dan je ooit hebt gehad. 2Zorg ervoor dat je groter wordt, zodat er veel mensen binnen jouw muren kunnen wonen. Je moet jezelf voortdurend uitbreiden, 3zodat je steeds groter wordt. In alle richtingen zul je er land bij krijgen. Er zullen steeds meer inwoners binnen je muren wonen, en ook in de steden daarbuiten. De volken die nu nog in die steden wonen, zullen dan weggejaagd worden.

God blijft Jeruzalem trouw

4Jeruzalem, wees niet bang. Je zult niet nog een keer vernederd worden. Ik zal ervoor zorgen dat je je niet meer hoeft te schamen. Je zult vergeten dat je vroeger in de steek gelaten bent. Je zult er niet meer aan denken. 5Want ik zal weer bij je terugkomen, zoals een man terugkomt bij zijn eigen vrouw. Ik, de machtige Heer, heb je gemaakt. Ik ben de heilige God van Israël, ik ben de God van de hele aarde. Ik zal je bevrijden.

6Jeruzalem, je was wanhopig, zoals een vrouw die door haar man verlaten is. Maar ik roep je terug, ik blijf je trouw. Want jij bent mijn grote liefde!

7Ik heb je verlaten, maar ik zal je weer terughalen. Ik zal je snel weer bij me nemen, want mijn liefde voor jou is groot. 8Eerst was ik kwaad op je, en daarom liet ik me niet zien. Maar dat duurde maar even. Vanaf nu zal ik weer voor je zorgen. Ik zal altijd van je houden. Ik, de Heer, zal je bevrijden.

God zal Jeruzalem nooit verlaten

9Toen Noach leefde, heb ik gezegd: ‘Nooit meer zal de aarde door water bedekt worden.’ Dat heb ik aan Noach beloofd. En nu beloof ik jou dat ik nooit meer kwaad op je zal worden. Ik zal je nooit meer bang maken.

10Bergen kunnen van plaats veranderen en heuvels kunnen verdwijnen. Maar mijn liefde voor jou zal nooit verdwijnen. Mijn belofte van vrede geldt voor altijd. Dat zeg ik omdat ik van je houd.

God zal Jeruzalem weer sterk maken

11Jeruzalem, je was zo ongelukkig, je inwoners werden alle kanten op gejaagd. Je werd door niemand getroost. Maar ik maak van jou weer een sterke stad. Je muren zal ik bouwen op een laag edelstenen, en ik zal ze versterken met de beste klei. 12Je torens, poorten en muren zullen gebouwd worden met de prachtigste stenen.

13Ik zal je inwoners leren hoe ze moeten leven. Ze zullen gelukkig zijn en in vrede leven. 14Ze zullen eerlijk leven, ze zullen elkaar goed behandelen. Dan hoef jij nergens meer bang voor te zijn, Jeruzalem. Geen enkele vijand zal jou nog onderdrukken. 15Als je toch wordt aangevallen, is dat niet in opdracht van mij. Iedereen die jou aanvalt, zal de strijd verliezen.

16Ik heb alle mensen gemaakt. Ook de smid die wapens maakt in het vuur, ook de vijanden die jou willen vernietigen. 17Geen enkel wapen zal jou raken. En iedereen die jou aanklaagt, zal zelf gestraft worden.

Jeruzalem, jij bent de stad van mijn dienaren. De stad waar ze goed en eerlijk met elkaar zullen leven. Jij bent de stad die ik hun beloofd heb.’