Bijbel in Gewone Taal (BGT)
50

De Heer heeft zijn volk niet verlaten

501De Heer zegt: ‘Israëlieten, denken jullie dat ik ontrouw aan jullie was? Denken jullie dat ik jullie in de steek wilde laten? Hebben jullie daar bewijs voor? Denken jullie dat ik jullie zomaar weggegeven heb? Nee, ik heb jullie aan de vijanden uitgeleverd omdat jullie alles verkeerd gedaan hebben. Ik heb jullie weggestuurd omdat jullie mij niet langer gehoorzaamden.

2Nu kom ik bij jullie terug, ik roep jullie. Maar er is niemand, niemand geeft antwoord. Waarom niet? Denken jullie dat ik jullie niet kan bevrijden? Twijfelen jullie aan mijn macht?

Ik kan de zee laten verdwijnen door alleen maar te dreigen! Ik kan ook het water uit de rivieren laten verdwijnen. Dan blijven er alleen nog dode vissen over en gaat alles stinken. 3En ik kan het licht van de hemel laten verdwijnen. Dan wordt de hemel helemaal zwart, dan is het overal donker.’

Niemand luistert naar Gods dienaar

God zal zijn dienaar helpen

4-5Gods dienaar zegt: ‘God, de Heer, heeft mij een tong gegeven, waarmee ik goed kan spreken. Ik kan mensen die moe zijn, weer moed geven. En God heeft mij oren gegeven, waarmee ik altijd goed naar de mensen kan luisteren.

Ik heb me niet tegen Gods opdrachten verzet. Ik ben er niet voor weggelopen. 6Toen mijn vijanden mij pijn wilden doen, liet ik toe dat ze me op mijn rug sloegen. Toen ze mijn baard wilden uittrekken, heb ik mijn gezicht naar ze toe gekeerd. Toen ze me uitlachten en naar me spuugden, bleef ik ze aankijken.

7God, de Heer, zal mij helpen. Dat weet ik. Daarom heb ik geen pijn, en daarom schaam ik me niet. Mijn vijanden kunnen op mijn gezicht geen pijn of schaamte zien.

8God zal zorgen dat ik eerlijk behandeld word. Wie durft er een rechtszaak tegen mij te beginnen? Is er iemand die mijn tegenstander durft te zijn? Kom maar, dan gaan we samen naar de rechter. 9Maar niemand kan mij straffen! Want God, de Heer, zal mij helpen. Mijn vijanden zullen verdwijnen, als een oude jas die langzaam vergaat.’

Israël vertrouwt niet op God

10De Heer zegt: ‘Volk van Israël, hebben jullie echt eerbied voor mij? Luisteren jullie wel naar de stem van mijn dienaar? Jullie moeten altijd op mij vertrouwen. Ook als jullie in het donker lopen, ook als je geen licht meer ziet.

11Maar jullie vertrouwen niet op mij! Nee, jullie maken plannen om anderen te vernietigen. Wacht maar! Door die plannen zullen jullie zelf vernietigd worden. En jullie zullen vreselijke pijn lijden. Daar zal ik voor zorgen.’

51

De Heer geeft zijn volk hoop

De Heer troost de inwoners van Jeruzalem

511-2De Heer zegt: ‘Inwoners van Jeruzalem, luister naar mij. Jullie zijn het volk dat goed en eerlijk wil leven, het volk dat op mij vertrouwt. Denk aan de geschiedenis van jullie volk. Kijk naar jullie voorouders Abraham en Sara. Toen ik Abraham riep, was hij nog alleen. Maar ik heb hem gezegend en ik heb hem veel nakomelingen gegeven.

3Inwoners van Jeruzalem, ik zal jullie troosten. Ik zal jullie troosten omdat jullie stad verwoest is. Ik zal die verwoeste stad weer mooi maken. Ik maak van Jeruzalem een stad zo mooi als de tuin van Eden. Een stad waar overal muziek klinkt, een stad waar de mensen zingen en vrolijk zijn.

De Heer komt zijn volk bevrijden

4Luister naar mij, mijn volk. Luister goed! Ik heb jullie mijn wetten gegeven. De regels die ik gegeven heb, zijn een voorbeeld voor alle volken.

5Nog even, dan kom ik om jullie te helpen. Overal in de wereld wachten de mensen op mij. Ze wachten totdat ik kom en mijn kracht laat zien. Ik zal jullie heel snel bevrijden. En de andere volken zal ik straffen.

6Kijk eens omhoog naar de hemel. En kijk naar de aarde hier beneden. Misschien zal de hemel verdwijnen, zoals rook verdwijnt. Misschien zal de aarde vergaan, zoals een oude, versleten jas vergaat. En misschien zullen de mensen allemaal sterven. Maar de bevrijding die ik breng, zal altijd blijven. De overwinning die ik geef, zal nooit verdwijnen.

7Luister naar mij, mijn volk. Jullie kennen mijn regels. Jullie denken veel aan mijn wetten. Wees niet bang voor mensen die je beledigen en vernederen. 8Want zij zullen verdwijnen, als een oude jas die langzaam vergaat.

Maar de overwinning die ik geef, zal altijd blijven. De bevrijding die ik breng, zal nooit verdwijnen.’

Jesaja vraagt het volk om geduld

9Volk van Israël, jullie zeggen tegen de Heer: ‘Word wakker, Heer. Doe iets! Laat zien hoe machtig u bent! Gebruik uw macht, zoals u dat vroeger ook deed. U hebt toch lang geleden het grote monster in de zee gedood? 10U hebt toch een pad door de zee gemaakt? U zorgde dat het water verdween, en dat uw volk dwars door de zee kon gaan. Zo hebt u uw volk uit Egypte bevrijd!’

11Luister, volk van Israël. De Heer zal jullie opnieuw bevrijden. Dan komen de Israëlieten die gevangen zaten, weer terug naar Jeruzalem. Ze zullen blij zijn en juichen, de stad zal vol vreugde en blijdschap zijn. Niemand zal nog pijn of verdriet hebben.

De Heer zal zijn volk beschermen

12De Heer zegt: ‘Volk van Israël, ik zal jullie troosten, ik zal jullie beschermen. Je hoeft niet bang te zijn voor andere mensen. Want mensen zijn zwak, ze leven maar kort. Net als een bloem die maar even bloeit en dan doodgaat.

13-14Jullie hoeven ook niet bang te zijn voor jullie vijanden. Wees niet bang dat ze jullie vernietigen. Ze durven zich niet eens te laten zien!

Nog even, dan worden de gevangenen van jullie volk bevrijd. Ze zullen niet sterven, maar ze zullen leven. En ik geef hun alles wat ze nodig hebben.

Jullie mogen mij nooit vergeten, want ik heb jullie gemaakt. Ik heb de hemel als een koepel boven de aarde gezet. Ik heb de aarde stevig vastgezet. 15-16Ik laat het stormen op zee, ik zorg voor hoge golven. Ik ben de machtige Heer, jullie God.

Inwoners van Jeruzalem, luister. Jullie zijn mijn volk, jullie moeten mijn woorden doorgeven. En ik zal jullie steeds beschermen.’

Jeruzalem is genoeg gestraft

17Inwoners van Jeruzalem, word wakker! Word wakker en sta op! Jullie zijn genoeg gestraft. God was woedend op jullie. Hij heeft jullie zwaar en lang gestraft. Zijn straffen hebben van Jeruzalem een dode stad gemaakt.

18Jullie kunnen de stad niet meer helpen. Ook al is het jullie eigen stad, ook al hebben jullie er altijd gewoond. Jullie kunnen de stad niet redden. 19Want de stad is getroffen door grote rampen, ze is helemaal verwoest. Overal is honger en geweld. Niemand zal jullie troosten, er is niemand die nog medelijden met jullie heeft.

20Op alle hoeken van de straten liggen mensen, als dode dieren in een net. Ze bewegen niet meer, ze zijn gedood door de woede van God.

De Heer zal Jeruzalem verdedigen

21-22De Heer zegt: ‘Het gaat niet goed met Jeruzalem. Het lijkt wel of iedereen in die stad dronken is. Luister goed, inwoners van Jeruzalem. Ik ben jullie God, ik zal jullie verdedigen. Ik was woedend op jullie, ik strafte jullie lang en zwaar. Maar nu ben ik niet meer kwaad op jullie, maar op jullie vijanden!

23Ja, ik zal mijn woede nu op jullie vijanden richten. Zij hebben jullie mishandeld en vernederd. Ze zeiden tegen jullie: ‘Geef je over, dan zullen wij jullie stad in bezit nemen!’ En toen hebben jullie je overgegeven, zodat zij de stad in bezit konden nemen.’

52

Jeruzalem zal bevrijd worden

521De Heer zegt: ‘Word wakker, inwoners van Jeruzalem. Word wakker! Laat zien hoe sterk jullie stad is, laat zien hoe mooi ze is. Jeruzalem is nu een heilige stad. Ze zal nooit meer door vreemdelingen bezet worden.

2Sta op, vergeet alle ellende. Jullie stad heeft weer macht. Alle inwoners zijn vrij, Jeruzalem is geen bezette stad meer!’

De Heer zal zijn volk bevrijden

3De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Toen de vijanden jullie meenamen naar hun land, hebben ze mij daar niets voor betaald. En als ik jullie bevrijd, zal ik hun daar ook niets voor betalen.

4-5Volk van Israël! Eerst gingen jullie naar Egypte. Daar woonden jullie als vreemdelingen. Daarna werden jullie meegenomen en onderdrukt in Assyrië. En nu worden jullie in Babylonië opnieuw als slaven behandeld. En al die tijd is er niet voor jullie betaald. Jullie vijanden hebben mij nooit iets teruggegeven. En ze beledigen mij iedere dag opnieuw.

6Volk van Israël, daarom zal ik mijn macht laten zien. Jullie zullen zien wie ik ben. Jullie zullen weten dat ik bij jullie ben.’

De Heer komt terug naar Jeruzalem

7Iedereen wacht op het goede nieuws. Iedereen wacht op de snelle boodschapper die over de bergen komt. De mensen zijn blij als hij komt. Hij zegt dat er vrede komt, en dat God de mensen zal bevrijden. Hij roept naar de inwoners van Jeruzalem: ‘Jullie God is koning!’

8De bewakers op de muren roepen van vreugde, ze juichen. Want ze zien het met eigen ogen: de Heer komt terug naar Jeruzalem.

9Inwoners van Jeruzalem, juich allemaal! Jullie stad is verwoest, maar de Heer komt jullie troosten. Hij zal Jeruzalem bevrijden. 10Hij zal alle volken laten zien hoe machtig hij is. Iedereen op aarde zal zien hoe God zijn volk bevrijdt.

Het volk gaat weg uit Babel

11Volk van Israël, ga weg uit Babel! Verlaat die stad. Neem de heilige voorwerpen van de tempel mee. En raak geen dingen aan die onrein zijn, want dan worden jullie zelf ook onrein. 12Jullie hoeven niet haastig weg te gaan, jullie hoeven niet te vluchten. Want de Heer zelf gaat voor jullie uit. Hij zal jullie aan alle kanten beschermen.

Gods dienaar heeft veel pijn geleden

De mensen zullen verbaasd zijn

13De Heer zegt: ‘Mijn dienaar zal succes hebben. Hij zal machtig en belangrijk worden.

14Veel volken schrokken eerst toen ze mijn dienaar zagen. Want hij was mishandeld en zag er afschuwelijk uit. Je kon bijna niet meer zien dat hij een mens was! Maar straks zullen de mensen hem bewonderen. 15Hij zal doen wat niemand verwacht. Volken zullen in de war raken, koningen zullen stomverbaasd zijn. Ze zullen dingen meemaken die nooit eerder gebeurd zijn. Ze zullen dingen zien waarvan ze nog nooit gehoord hebben!’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]