Bijbel in Gewone Taal (BGT)
44

De Heer zal Israël redden

441-2De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, luister! Jij bent mijn dienaar. Ik heb jou uitgekozen. Ik heb je gemaakt. Ik heb je het leven gegeven, nog voordat je geboren was. Ik help je altijd. Want jij bent mijn dienaar, jou heb ik uitgekozen.

Israël, je hoeft niet bang te zijn. 3Want dit ga ik doen: ik zal weer rivieren laten stromen door het droge land. En zoals ik water geef aan het droge land, zo zal ik mijn geest geven aan je nakomelingen. Ik zal hun een gelukkig leven geven. 4Door mijn geest zal het goed gaan met je nakomelingen. Net zoals planten goed groeien als het regent. En net zoals bomen goed groeien als ze langs het water staan.

5Veel mensen zullen zeggen: ‘Ik hoor bij de Heer.’ Of: ‘Ik ben van de Heer.’ Iedereen wil bij het volk van Israël horen.’

Er zijn geen andere goden

Er is niemand zoals de Heer

6De machtige Heer zegt: ‘Volk van Israël, ik ben jullie koning. Ik heb jullie bevrijd. Ik ben de eerste en ik ben de laatste. Er is geen andere god.

7Is er een god zoals ik? Laat hij dat dan bewijzen. Kan hij vertellen wat er gebeurd is, vanaf de schepping tot nu? En kan hij ook zeggen wat er in de toekomst gaat gebeuren?

8Volk van Israël, jullie hoeven niet bang te zijn. Want er is geen andere god! Ik ken geen god die zo machtig en trouw is als ik. Ik ben de enige. Dat heb ik jullie al vanaf het begin gezegd, ik heb het jullie steeds verteld. Jullie hebben het zelf gehoord.’

De afgoden kunnen niets

9De Heer zegt: ‘Volk van Israël! Mensen die godenbeelden maken, zijn niets waard. Want die beelden kunnen niemand helpen. Als je de mensen vraagt wat hun goden gedaan hebben, dan weten ze geen antwoord en zullen ze zich schamen. 10Maar als die goden niets kunnen, waarom maken mensen er dan beelden van? 11Je kunt geen hulp verwachten van beelden die door mensen gemaakt zijn. Als de mensen bij elkaar komen om die beelden te vereren, zullen ze schrikken. Want dan merken ze dat er niets gebeurt. Ze zullen teleurgesteld zijn.’

Een beeld is van ijzer of hout

12Een smid gebruikt gereedschap om een beeld te maken. Eerst smelt hij ijzer in het vuur. Daarna slaat hij met een hamer het ijzer in de goede vorm. Zijn sterke armen hebben veel kracht. Maar als hij niet eet en niet drinkt, dan heeft hij geen kracht meer en wordt hij moe.

13Ook een timmerman gebruikt gereedschap om een beeld te maken. Daarmee meet hij het hout en tekent hij heel precies de vorm. Dan hakt hij het beeld uit het hout. Hij geeft het beeld de vorm van een mens. Hij maakt een prachtig beeld dat iemand in zijn huis kan zetten.

14Maar om aan hout te komen, moet de timmerman eerst een paar bomen planten. De bomen zullen groeien door de regen. Als ze groot genoeg zijn, hakt de timmerman ze om. 15Een deel van het hout gebruikt hij voor de oven. Zo houdt hij zich warm en bakt hij zijn brood. Met de rest van het hout maakt hij een godenbeeld, waarvoor hij knielt.

16De helft van het hout gebruikt hij dus om een vuur te maken. Dan kan hij vlees roosteren en daarvan eten zo veel hij wil. En dan geniet hij van de warmte en zegt: ‘Ha, wat is het lekker warm. Ik voel de hitte.’ 17Met de andere helft van het hout maakt hij een godenbeeld, waarvoor hij knielt. En dan bidt hij tot dat beeld en zegt: ‘Red mij, want u bent mijn god!’

De mensen knielen voor een stuk hout

18De mensen begrijpen het niet. Hun ogen lijken wel dichtgeplakt, ze zien niets en ze begrijpen niets. 19Het dringt niet tot hen door wat er gebeurt. Ze snappen het niet. Ze begrijpen niet dat ze een beeld hebben gemaakt van hout! Met zulk hout maken ze ook een vuur om brood op te bakken en om vlees op te roosteren. Ze knielen dus voor een gewoon stuk hout!

20De mensen vertrouwen op iets waar ze niets aan hebben. Ze laten zich bedriegen. En het loopt verkeerd met hen af. Ze begrijpen niet dat ze zichzelf voor de gek houden met zo’n houten beeld.

Israël moet terugkomen bij de Heer

21De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, jij bent mijn dienaar. Onthoud dat goed! Ik heb je gemaakt, je bent van mij. Ik zal jou nooit vergeten. 22Ik heb je al je misdaden vergeven. Ze zijn verdwenen, zoals de wolken verdwijnen door de zon. Israël, kom bij mij terug. Ik zal je bevrijden.’

23Iedereen moet juichen, want de Heer zal zijn volk bevrijden. Juich allemaal! Alles in de hemel moet juichen, en alles diep in de aarde moet juichen. En ook de bergen en de bossen, ja, alle bomen! De Heer zal Israël bevrijden. Zo laat hij zien hoe machtig hij is.

De Heer kiest koning Cyrus uit

De Heer zal zijn volk bevrijden

24De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, ik zal je bevrijden. Want ik heb je gemaakt. Ik heb je het leven gegeven, nog voordat je geboren was. Ik, de Heer, heb alles gemaakt. Ik alleen heb de aarde gemaakt. En ik heb ook de hemel gemaakt, als een koepel boven de aarde.

25Priesters en waarzeggers zeggen van alles over de toekomst. Maar ik zorg ervoor dat hun voorspellingen niet uitkomen. Iedereen zal zien dat hun uitspraken belachelijk zijn.

26Maar alles wat mijn dienaren zeggen, is waar. Alles wat mijn profeten voorspeld hebben, zal echt gebeuren. Ik zal weer mensen laten wonen in Jeruzalem. De steden van Juda zullen weer opgebouwd worden. Ja, alle steden die verwoest waren, zullen weer opgebouwd worden. Daar zal ik voor zorgen. 27Want ik ben de Heer. Ik kan de diepste zee laten opdrogen, ik kan al het water uit de rivieren laten verdwijnen.

28Ik zeg tegen koning Cyrus: ‘Jij zult mijn volk leiden. Jij zult mijn plannen uitvoeren.’ Cyrus zal ervoor zorgen dat Jeruzalem weer opgebouwd wordt. En dat er in die stad een nieuwe tempel komt.’

45

De Heer heeft koning Cyrus uitgekozen

451De Heer zegt: ‘Koning Cyrus, jou heb ik uitgekozen. Ik zal je beschermen. Met mijn hulp zul je heersen over andere volken. De koningen van die volken zullen hun wapens bij je inleveren. Jij zult elke stad kunnen binnengaan, geen enkele poort blijft voor jou gesloten.

2Ik zal voor je uit gaan. Ik zal de muren van de stad Babel afbreken. Ik zal de bronzen deuren kapotslaan, ik zal de ijzeren kettingen breken. 3-4Zo kom je op de donkerste plaatsen, waar je verborgen schatten zult vinden.

Dan zul je begrijpen dat ik de Heer ben, de God van Israël. Cyrus, ik heb je geroepen. Je kende mij niet, en toch heb ik jou belangrijk gemaakt. Dat deed ik voor het volk dat ik uitgekozen heb, voor mijn dienaar Israël. 5Ik ben de Heer, er is geen andere god. Je kende mij niet, en toch heb ik van jou een machtige koning gemaakt.

6Door jou zal iedereen op aarde, van het oosten tot het westen, weten dat ik de enige God ben. Ik ben de Heer, er is geen andere god. 7Ik laat het licht worden, maar ik laat het ook donker worden. Ik zorg voor vrede, maar ook voor het kwaad. Ik ben de Heer, ik doe al die dingen.’

De Heer heeft alles gemaakt

8De Heer zegt: ‘Ik heb alles gemaakt. Ik heb de hemel en de aarde gemaakt. Uit de hemel laat ik regen vallen op de aarde, zodat er planten kunnen groeien. En de mensen op aarde zal ik bevrijden, zij zullen gered worden. Alles zal goed en mooi worden.

9Ik heb ook de mensen gemaakt. De mensen kunnen daarom geen kritiek op mij hebben. Klei zegt toch ook niet tegen de pottenbakker: ‘Wat maak jij eigenlijk?’ Of: ‘Dat vind ik niet mooi!’ 10Niemand zegt tegen zijn ouders: ‘Kijk eens wat jullie op de wereld gezet hebben. Ik ben helemaal niets waard!’

11Ik ben de Heer, de heilige God, die het volk van Israël gemaakt heeft. Hebben jullie soms kritiek op mij? Willen jullie mij vertellen wat ik met mijn eigen volk moet doen?

12Ik heb de aarde gemaakt. Ik heb de mensen op aarde gemaakt. Ik heb de hemel als een koepel boven de aarde gezet. En ik heb alle sterren aan de hemel geplaatst.’

Cyrus moet het volk bevrijden

13-14De machtige Heer zegt: ‘Ik heb alles gemaakt. En ik laat koning Cyrus komen. Ik zal de weg voor hem vrijmaken. Cyrus moet mijn plannen uitvoeren, hij zal mijn stad weer opbouwen. Hij zal de Israëlieten die gevangen zitten, weer vrijlaten. En hij vraagt daarvoor geen geld of geschenken.’

Volk van Israël, het volgende zal gebeuren. De Egyptenaren, de Nubiërs en ook die lange Sabeeërs zullen naar jullie toe komen. Ze zullen met jullie vluchtelingen meekomen en jullie gevangenen zijn. Ze zullen hun kostbare schatten meebrengen en aan jullie geven. Ze zullen voor jullie buigen en zeggen: ‘Jullie hebben gelijk. Jullie God is de enige. Er is geen andere god, niet één. 15Je kunt niet altijd zien wat de God van Israël doet. Maar hij is de enige God die zijn volk bevrijdt.’

16En dan worden de makers van godenbeelden vernederd. Zij zullen zich schamen. 17Maar jullie worden niet vernederd, het volk van Israël hoeft zich nooit te schamen. Want jullie worden door de Heer bevrijd, voor altijd.

Er is geen andere god

18De Heer is God! Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt. Hij heeft de aarde stevig vastgezet. Hij heeft de aarde niet leeg en verlaten gemaakt. Nee, hij heeft haar gemaakt om op te wonen.

De Heer zegt: ‘Ik ben de Heer, er is geen andere god. 19Ik heb niet gesproken op een plek die verborgen is. De nakomelingen van Jakob hoeven mij niet te zoeken in een leeg en verlaten gebied. Nee, iedereen kan mijn woorden horen. Ze zullen echt gebeuren. Want ik ben de Heer, ik ben goed en betrouwbaar.’

Volken, kom terug bij de Heer

20De Heer zegt: ‘Kom hierheen, volken van de aarde. Alle volken moeten dichterbij komen. Ik zeg tegen jullie: Wie met een godenbeeld rondloopt, heeft geen verstand. Waarom zou je bidden tot een god die niet kan redden?

21Volken, kom hierheen en overleg met elkaar. Vertel me: wie heeft al lang geleden voorspeld wat er nu gebeurt? Dat ben ik, de Heer. Ik ben de enige God. Er is geen andere god die rechtvaardig is. Alleen ik kan mensen bevrijden.

22Volken, kom bij me, laat je redden! Dat zeg ik tegen iedereen op aarde. Ik ben God, er is geen andere god.

23Ik heb mijzelf plechtig beloofd: Alles wat ik zeg, zal ik ook doen. Ik zeg alleen dingen die waar zijn. Alle mensen zullen voor mij knielen en zeggen: 24‘Alleen de Heer is echt goed en betrouwbaar.’ En iedereen die tegen mij was, zal zich schamen en bij mij terugkomen.’

25Iedereen die bij het volk van Israël hoort, zal merken dat de Heer goed en betrouwbaar is. Ze zullen blij zijn dat ze bij hem horen.

46

De verwoesting van Babel

De goden van Babel kunnen niets meer

461-2Bel en Nebo, de goden van de stad Babel, hebben geen macht meer. Hun beelden zijn op de grond gevallen. Ze zijn kapot. Eerst liepen de inwoners van Babel plechtig met die beelden door de stad. Maar nu hebben vermoeide dieren ze op hun rug. Nu worden die kapotte beelden door ezels weggedragen.

De beelden zijn in stukken gevallen. De goden hebben geen macht meer. Ze hebben zichzelf niet kunnen redden.

God zal het volk van Israël redden

3God zegt tegen het volk van Israël: ‘Luister naar mij, iedereen die nog in leven is. Vanaf jullie geboorte heb ik als een moeder voor jullie gezorgd. 4En dat zal ik blijven doen, totdat jullie oud en grijs zijn. Ik blijf steeds dezelfde. Wat ik gedaan heb, dat zal ik blijven doen. Ik zal jullie steunen en redden.

God is met niemand te vergelijken

5Er is geen god zoals ik. Ik ben met niemand te vergelijken!

6Andere goden worden door mensen gemaakt. De mensen zoeken wat goud of zilver bij elkaar, en ze laten een smid daar een beeld van maken. Dan buigen ze en knielen ze voor dat beeld. 7Ze tillen het op, nemen het mee en zetten het ergens neer. En daar blijft het beeld staan, het komt niet meer van zijn plaats.

Zo’n god reageert niet als iemand om hulp roept. Hij redt mensen niet als ze in moeilijkheden zijn.’

God zal bevrijding brengen

8God zegt: ‘Volk van Israël, jullie zijn mij niet trouw meer. Denk goed na, kom bij mij terug. 9Denk na over alles wat er vroeger gebeurd is. Ik ben God, er is geen andere god. Er is niemand zoals ik.

10In het begin heb ik al voorspeld hoe alles zal aflopen. Lang geleden heb ik al gezegd wat er zal gebeuren. Wat ik besluit, dat gebeurt ook. Wat ik wil, dat doe ik ook.

11Uit het oosten laat ik een man komen die zo snel is als een adelaar. Hij zal mijn plannen uitvoeren. Dat zal gebeuren omdat ik het zeg. Het zal gaan zoals ik het besloten heb.

12Luister naar mij, volk van Israël. Jullie zijn eigenwijs, jullie geloven niet dat jullie bevrijd zullen worden. 13Maar ik zal jullie redden, ik zal bevrijding brengen. Dat zal niet lang meer duren. Ik zal redding brengen in Jeruzalem, en iedereen in Israël zal zien hoe machtig ik ben.’