Bijbel in Gewone Taal (BGT)
43

De Heer zal Israël redden

431De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, wees niet bang, ik zal je bevrijden. Want ik heb je gemaakt, ik heb je het leven gegeven. Ik heb jou je naam gegeven, jij bent van mij!

2Als je door water heen moet, zal ik bij je zijn. Als je rivieren oversteekt, zul je niet verdrinken. Als je door vuur loopt, zul je niet verbranden. De vlammen zullen je geen pijn doen. 3-4Want ik, de Heer, ben jouw God. Ik ben de heilige God van Israël, en ik zal je bevrijden.

Israël, jij bent heel belangrijk voor mij, je bent heel veel waard. Ik houd zo veel van je! Voor jou gaf ik Egypte, Nubië en Seba weg. Voor jou geef ik alles weg, alle mensen en alle volken van de wereld.

5Wees niet bang, want ik zal bij je zijn. Ik haal je nakomelingen terug uit het oosten en uit het westen. 6Tegen het noorden zeg ik: ‘Geef mijn volk terug.’ Tegen het zuiden zeg ik: ‘Laat mijn volk gaan!’ Tegen alle verre landen zeg ik: ‘Breng mijn volk weer terug. 7Breng de Israëlieten allemaal terug. Ze zijn naar mij genoemd. Ik heb hen gemaakt ter ere van mijzelf, ik heb hun het leven gegeven.’’

De Heer is de enige God

8De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Jullie moeten komen. Jullie zijn blind, ook al hebben jullie ogen. Jullie zijn doof, ook al hebben jullie oren. 9Ook de andere volken zijn gekomen, ze zijn er allemaal. Vraag die andere volken eens of hun goden de toekomst voorspeld hebben. Als ze zeggen van wel, kunnen ze dat dan ook bewijzen?

10Volk van Israël, jullie zijn het bewijs dat ik gelijk heb. Jullie zijn mijn dienaren. Ik heb jullie uitgekozen, omdat ik wil dat jullie mij kennen en me vertrouwen. Ik wil dat jullie zeggen: ‘De Heer is de enige God. Er is nooit een andere god geweest en er zal nooit een andere god zijn.’ 11Ik ben de Heer, ik alleen. Er is geen andere god die mensen kan bevrijden.

12Ik zei dat jullie bevrijd zouden worden. En ik heb jullie ook bevrijd! Jullie hebben het van mijzelf gehoord, en niet van een ander. Jullie zijn het bewijs dat ik echt God ben. 13En ik zal altijd jullie God zijn. Niemand kan mijn macht kleiner maken. En niemand kan tegenhouden wat ik van plan ben.’

De Heer zal zijn volk bevrijden

14De Heer zegt tegen zijn volk Israël: ‘Ik ben de heilige God, ik ben jullie bevrijder. Om jullie te redden, stuur ik een leger naar de stad Babel. Alle inwoners zullen vluchten. Ze zullen huilend wegvluchten met hun schepen.

15Ik ben de Heer, jullie heilige God. Ik heb jullie gemaakt, ik ben jullie koning. 16Ik ben de Heer, die voor jullie een pad door de zee maakte. 17Ik stuurde het leger van de Egyptenaren achter jullie aan, met hun paarden en wagens. Maar door mij vielen ze allemaal op de grond. Ze stonden niet meer op. Het hele leger verdween, als een kaars die opbrandt.

18Maar denk niet alleen aan wat er gebeurd is. Kijk niet alleen terug naar het verleden. 19Want ik ga iets nieuws doen. Het is zelfs al begonnen, heb je het niet gemerkt?

Ik maak een weg door de woestijn, en ik laat er rivieren stromen. 20De dieren in de woestijn zullen mij eren, omdat ik voor water zorg. En ook jullie zullen water kunnen drinken. Want jullie zijn het volk dat ik uitgekozen heb. 21Jullie zijn het volk dat ik gemaakt heb. En jullie zullen aan iedereen vertellen hoe machtig ik ben.’

De Heer is teleurgesteld in zijn volk

22De Heer zegt: ‘Volk van Israël, jullie hebben niet tot mij gebeden! Jullie hebben helemaal geen moeite voor mij gedaan. 23-24Jullie hebben wel schapen geofferd, maar niet aan mij. Jullie hebben wel dure kruiden gekocht, maar niet voor mij. Jullie hebben je beste dieren niet aan mij geofferd.

Trouwens, ik heb jullie helemaal niet gevraagd om offers te brengen of wierook te branden. Ik heb het jullie dus niet moeilijk gemaakt. Maar jullie hebben het mij wel moeilijk gemaakt. Want jullie hebben veel verkeerde dingen gedaan!’

De Heer zal zijn volk toch vergeven

25De Heer zegt: ‘Volk van Israël, ik zal jullie zonden vergeven en vergeten. Maar dat doe ik niet voor jullie. Nee, ik doe het alleen voor mijzelf.

26Als jullie vinden dat ik iets fout gedaan heb, bewijs dat dan maar! We zullen zien wie er gelijk heeft. 27Jullie voorvader Jakob had al gezondigd. En jullie leiders hebben zich steeds tegen mij verzet. 28Daarom is Israël verwoest. Daarom mogen de priesters niet langer in mijn tempel werken. En daarom lachen de vijanden jullie uit.’

44

De Heer zal Israël redden

441-2De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, luister! Jij bent mijn dienaar. Ik heb jou uitgekozen. Ik heb je gemaakt. Ik heb je het leven gegeven, nog voordat je geboren was. Ik help je altijd. Want jij bent mijn dienaar, jou heb ik uitgekozen.

Israël, je hoeft niet bang te zijn. 3Want dit ga ik doen: ik zal weer rivieren laten stromen door het droge land. En zoals ik water geef aan het droge land, zo zal ik mijn geest geven aan je nakomelingen. Ik zal hun een gelukkig leven geven. 4Door mijn geest zal het goed gaan met je nakomelingen. Net zoals planten goed groeien als het regent. En net zoals bomen goed groeien als ze langs het water staan.

5Veel mensen zullen zeggen: ‘Ik hoor bij de Heer.’ Of: ‘Ik ben van de Heer.’ Iedereen wil bij het volk van Israël horen.’

Er zijn geen andere goden

Er is niemand zoals de Heer

6De machtige Heer zegt: ‘Volk van Israël, ik ben jullie koning. Ik heb jullie bevrijd. Ik ben de eerste en ik ben de laatste. Er is geen andere god.

7Is er een god zoals ik? Laat hij dat dan bewijzen. Kan hij vertellen wat er gebeurd is, vanaf de schepping tot nu? En kan hij ook zeggen wat er in de toekomst gaat gebeuren?

8Volk van Israël, jullie hoeven niet bang te zijn. Want er is geen andere god! Ik ken geen god die zo machtig en trouw is als ik. Ik ben de enige. Dat heb ik jullie al vanaf het begin gezegd, ik heb het jullie steeds verteld. Jullie hebben het zelf gehoord.’

De afgoden kunnen niets

9De Heer zegt: ‘Volk van Israël! Mensen die godenbeelden maken, zijn niets waard. Want die beelden kunnen niemand helpen. Als je de mensen vraagt wat hun goden gedaan hebben, dan weten ze geen antwoord en zullen ze zich schamen. 10Maar als die goden niets kunnen, waarom maken mensen er dan beelden van? 11Je kunt geen hulp verwachten van beelden die door mensen gemaakt zijn. Als de mensen bij elkaar komen om die beelden te vereren, zullen ze schrikken. Want dan merken ze dat er niets gebeurt. Ze zullen teleurgesteld zijn.’

Een beeld is van ijzer of hout

12Een smid gebruikt gereedschap om een beeld te maken. Eerst smelt hij ijzer in het vuur. Daarna slaat hij met een hamer het ijzer in de goede vorm. Zijn sterke armen hebben veel kracht. Maar als hij niet eet en niet drinkt, dan heeft hij geen kracht meer en wordt hij moe.

13Ook een timmerman gebruikt gereedschap om een beeld te maken. Daarmee meet hij het hout en tekent hij heel precies de vorm. Dan hakt hij het beeld uit het hout. Hij geeft het beeld de vorm van een mens. Hij maakt een prachtig beeld dat iemand in zijn huis kan zetten.

14Maar om aan hout te komen, moet de timmerman eerst een paar bomen planten. De bomen zullen groeien door de regen. Als ze groot genoeg zijn, hakt de timmerman ze om. 15Een deel van het hout gebruikt hij voor de oven. Zo houdt hij zich warm en bakt hij zijn brood. Met de rest van het hout maakt hij een godenbeeld, waarvoor hij knielt.

16De helft van het hout gebruikt hij dus om een vuur te maken. Dan kan hij vlees roosteren en daarvan eten zo veel hij wil. En dan geniet hij van de warmte en zegt: ‘Ha, wat is het lekker warm. Ik voel de hitte.’ 17Met de andere helft van het hout maakt hij een godenbeeld, waarvoor hij knielt. En dan bidt hij tot dat beeld en zegt: ‘Red mij, want u bent mijn god!’

De mensen knielen voor een stuk hout

18De mensen begrijpen het niet. Hun ogen lijken wel dichtgeplakt, ze zien niets en ze begrijpen niets. 19Het dringt niet tot hen door wat er gebeurt. Ze snappen het niet. Ze begrijpen niet dat ze een beeld hebben gemaakt van hout! Met zulk hout maken ze ook een vuur om brood op te bakken en om vlees op te roosteren. Ze knielen dus voor een gewoon stuk hout!

20De mensen vertrouwen op iets waar ze niets aan hebben. Ze laten zich bedriegen. En het loopt verkeerd met hen af. Ze begrijpen niet dat ze zichzelf voor de gek houden met zo’n houten beeld.

Israël moet terugkomen bij de Heer

21De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, jij bent mijn dienaar. Onthoud dat goed! Ik heb je gemaakt, je bent van mij. Ik zal jou nooit vergeten. 22Ik heb je al je misdaden vergeven. Ze zijn verdwenen, zoals de wolken verdwijnen door de zon. Israël, kom bij mij terug. Ik zal je bevrijden.’

23Iedereen moet juichen, want de Heer zal zijn volk bevrijden. Juich allemaal! Alles in de hemel moet juichen, en alles diep in de aarde moet juichen. En ook de bergen en de bossen, ja, alle bomen! De Heer zal Israël bevrijden. Zo laat hij zien hoe machtig hij is.

De Heer kiest koning Cyrus uit

De Heer zal zijn volk bevrijden

24De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, ik zal je bevrijden. Want ik heb je gemaakt. Ik heb je het leven gegeven, nog voordat je geboren was. Ik, de Heer, heb alles gemaakt. Ik alleen heb de aarde gemaakt. En ik heb ook de hemel gemaakt, als een koepel boven de aarde.

25Priesters en waarzeggers zeggen van alles over de toekomst. Maar ik zorg ervoor dat hun voorspellingen niet uitkomen. Iedereen zal zien dat hun uitspraken belachelijk zijn.

26Maar alles wat mijn dienaren zeggen, is waar. Alles wat mijn profeten voorspeld hebben, zal echt gebeuren. Ik zal weer mensen laten wonen in Jeruzalem. De steden van Juda zullen weer opgebouwd worden. Ja, alle steden die verwoest waren, zullen weer opgebouwd worden. Daar zal ik voor zorgen. 27Want ik ben de Heer. Ik kan de diepste zee laten opdrogen, ik kan al het water uit de rivieren laten verdwijnen.

28Ik zeg tegen koning Cyrus: ‘Jij zult mijn volk leiden. Jij zult mijn plannen uitvoeren.’ Cyrus zal ervoor zorgen dat Jeruzalem weer opgebouwd wordt. En dat er in die stad een nieuwe tempel komt.’

45

De Heer heeft koning Cyrus uitgekozen

451De Heer zegt: ‘Koning Cyrus, jou heb ik uitgekozen. Ik zal je beschermen. Met mijn hulp zul je heersen over andere volken. De koningen van die volken zullen hun wapens bij je inleveren. Jij zult elke stad kunnen binnengaan, geen enkele poort blijft voor jou gesloten.

2Ik zal voor je uit gaan. Ik zal de muren van de stad Babel afbreken. Ik zal de bronzen deuren kapotslaan, ik zal de ijzeren kettingen breken. 3-4Zo kom je op de donkerste plaatsen, waar je verborgen schatten zult vinden.

Dan zul je begrijpen dat ik de Heer ben, de God van Israël. Cyrus, ik heb je geroepen. Je kende mij niet, en toch heb ik jou belangrijk gemaakt. Dat deed ik voor het volk dat ik uitgekozen heb, voor mijn dienaar Israël. 5Ik ben de Heer, er is geen andere god. Je kende mij niet, en toch heb ik van jou een machtige koning gemaakt.

6Door jou zal iedereen op aarde, van het oosten tot het westen, weten dat ik de enige God ben. Ik ben de Heer, er is geen andere god. 7Ik laat het licht worden, maar ik laat het ook donker worden. Ik zorg voor vrede, maar ook voor het kwaad. Ik ben de Heer, ik doe al die dingen.’

De Heer heeft alles gemaakt

8De Heer zegt: ‘Ik heb alles gemaakt. Ik heb de hemel en de aarde gemaakt. Uit de hemel laat ik regen vallen op de aarde, zodat er planten kunnen groeien. En de mensen op aarde zal ik bevrijden, zij zullen gered worden. Alles zal goed en mooi worden.

9Ik heb ook de mensen gemaakt. De mensen kunnen daarom geen kritiek op mij hebben. Klei zegt toch ook niet tegen de pottenbakker: ‘Wat maak jij eigenlijk?’ Of: ‘Dat vind ik niet mooi!’ 10Niemand zegt tegen zijn ouders: ‘Kijk eens wat jullie op de wereld gezet hebben. Ik ben helemaal niets waard!’

11Ik ben de Heer, de heilige God, die het volk van Israël gemaakt heeft. Hebben jullie soms kritiek op mij? Willen jullie mij vertellen wat ik met mijn eigen volk moet doen?

12Ik heb de aarde gemaakt. Ik heb de mensen op aarde gemaakt. Ik heb de hemel als een koepel boven de aarde gezet. En ik heb alle sterren aan de hemel geplaatst.’

Cyrus moet het volk bevrijden

13-14De machtige Heer zegt: ‘Ik heb alles gemaakt. En ik laat koning Cyrus komen. Ik zal de weg voor hem vrijmaken. Cyrus moet mijn plannen uitvoeren, hij zal mijn stad weer opbouwen. Hij zal de Israëlieten die gevangen zitten, weer vrijlaten. En hij vraagt daarvoor geen geld of geschenken.’

Volk van Israël, het volgende zal gebeuren. De Egyptenaren, de Nubiërs en ook die lange Sabeeërs zullen naar jullie toe komen. Ze zullen met jullie vluchtelingen meekomen en jullie gevangenen zijn. Ze zullen hun kostbare schatten meebrengen en aan jullie geven. Ze zullen voor jullie buigen en zeggen: ‘Jullie hebben gelijk. Jullie God is de enige. Er is geen andere god, niet één. 15Je kunt niet altijd zien wat de God van Israël doet. Maar hij is de enige God die zijn volk bevrijdt.’

16En dan worden de makers van godenbeelden vernederd. Zij zullen zich schamen. 17Maar jullie worden niet vernederd, het volk van Israël hoeft zich nooit te schamen. Want jullie worden door de Heer bevrijd, voor altijd.

Er is geen andere god

18De Heer is God! Hij heeft de hemel en de aarde gemaakt. Hij heeft de aarde stevig vastgezet. Hij heeft de aarde niet leeg en verlaten gemaakt. Nee, hij heeft haar gemaakt om op te wonen.

De Heer zegt: ‘Ik ben de Heer, er is geen andere god. 19Ik heb niet gesproken op een plek die verborgen is. De nakomelingen van Jakob hoeven mij niet te zoeken in een leeg en verlaten gebied. Nee, iedereen kan mijn woorden horen. Ze zullen echt gebeuren. Want ik ben de Heer, ik ben goed en betrouwbaar.’

Volken, kom terug bij de Heer

20De Heer zegt: ‘Kom hierheen, volken van de aarde. Alle volken moeten dichterbij komen. Ik zeg tegen jullie: Wie met een godenbeeld rondloopt, heeft geen verstand. Waarom zou je bidden tot een god die niet kan redden?

21Volken, kom hierheen en overleg met elkaar. Vertel me: wie heeft al lang geleden voorspeld wat er nu gebeurt? Dat ben ik, de Heer. Ik ben de enige God. Er is geen andere god die rechtvaardig is. Alleen ik kan mensen bevrijden.

22Volken, kom bij me, laat je redden! Dat zeg ik tegen iedereen op aarde. Ik ben God, er is geen andere god.

23Ik heb mijzelf plechtig beloofd: Alles wat ik zeg, zal ik ook doen. Ik zeg alleen dingen die waar zijn. Alle mensen zullen voor mij knielen en zeggen: 24‘Alleen de Heer is echt goed en betrouwbaar.’ En iedereen die tegen mij was, zal zich schamen en bij mij terugkomen.’

25Iedereen die bij het volk van Israël hoort, zal merken dat de Heer goed en betrouwbaar is. Ze zullen blij zijn dat ze bij hem horen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]