Bijbel in Gewone Taal (BGT)
42

Gods dienaar is eerlijk

421God zegt: ‘Volken van de wereld, kijk! Dit is mijn dienaar, hem zal ik steunen. Hij is de dienaar die ik uitgekozen heb. Mijn liefde voor hem is groot, aan hem heb ik mijn geest gegeven. Hij zal alle volken leren om goed en eerlijk te zijn.

2Mijn dienaar schreeuwt niet, hij gaat niet roepend de straat op. 3Zwakke mensen zal hij niet nog zwakker maken. Mensen zonder kracht zal hij niet kapotmaken. Hij zal zorgen dat iedereen eerlijk behandeld wordt. 4Hij zal niet aarzelen. Hij gaat door met zijn werk totdat er overal op aarde eerlijke rechters zijn.

Alle volken verlangen naar de lessen en regels van mijn dienaar.’

Gods dienaar zal een voorbeeld zijn

5-9God, de Heer, zegt tegen zijn volk: ‘Israël, ik heb jou geroepen, jij moet mijn opdracht uitvoeren. Ik zal je helpen en beschermen. Ik zal zorgen dat jij de mensen vrede brengt. Ik maak jou een redder voor alle volken. Jij zult alles veranderen. Blinde mensen zullen weer zien, gevangenen zullen uit het donker bevrijd worden.

Ik ben de Heer, dat is mijn naam. Ik deel mijn macht met niemand. Ik wil niet dat andere goden ook vereerd worden. Alles wat ik vroeger over de toekomst zei, dat is gebeurd. En nu vertel ik iets nieuws over de toekomst. Ik vertel het je nu al, voordat het begint.’

Dat zegt God, de Heer, die de hemel en de aarde gemaakt heeft. Hij heeft de hemel als een koepel boven de aarde gemaakt. En hij heeft alles gemaakt wat op de aarde groeit. Hij heeft de mensen op aarde adem gegeven om te kunnen leven.

Iedereen moet zingen voor de Heer

10Volken op aarde, zing een nieuw lied voor de Heer. Juich voor de Heer, overal op aarde! Alle mensen op aarde moeten voor hem zingen. Zing voor de Heer, iedereen die woont op de eilanden of aan de kust. Juich, zeemannen, en alles wat leeft in de zee!

11Zing, inwoners van de steden en de dorpen. Juich, jullie die in de woestijn of tussen de rotsen wonen. Roep vanaf de hoogste bergen. 12Juich voor de Heer! Vertel overal op aarde hoe machtig hij is.

De Heer zal zijn vijanden verslaan

13De Heer zal strijden als een held. Hij gaat op weg met zijn legers, en hij geeft bevel om de vijanden te verslaan. Hij laat trompetten klinken, hij schreeuwt: ‘Val aan!’ En dapper verslaat hij zijn vijanden.

De Heer zal Israël bevrijden

De Heer zal niet langer zwijgen

14De Heer zegt: ‘Ik heb al heel lang niets gezegd. Ik zweeg, ik hield me in. Maar nu schreeuw ik! Ik schreeuw het uit als een vrouw die een kind krijgt.

15-16Er zal niets meer groeien op de bergen en de heuvels. Rivieren laat ik verdwijnen, meren zullen opdrogen.

Zo zal ik voor mijn volk een weg maken. Ze weten niet waar ze heen moeten, maar ik zal hun de weg wijzen. Ik zal met hen meegaan over onbekende paden. Overal waar het donker is, zal ik zorgen voor licht. En als een pad te steil is, zal ik het vlak maken.

Dat zal ik allemaal doen! 17En dan zullen de mensen zich schamen, omdat ze godenbeelden vereerden en daarop vertrouwden.’

Israël lijkt wel doof en blind

18De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, je lijkt wel doof. Luister toch eens goed! Je lijkt wel blind. Doe je ogen toch eens open! 19Niemand is zo doof en blind als jij, mijn dienaar Israël. Nee, niemand is zo doof als de dienaar die ik gestuurd heb. Niemand is zo blind als het volk dat ik gestraft heb. Niemand is zo blind als jij, mijn dienaar Israël. 20Je ogen zien veel, maar je onthoudt niets. Je oren zijn open, maar je hoort niets.’

Israël wil niet luisteren

21De Heer wilde zijn volk iets leren. Hij wilde dat ze naar zijn wetten en lessen zouden luisteren. Dan zouden ze bevrijd kunnen worden.

22Maar zijn volk wilde niet luisteren. Nu zijn ze alles kwijt, hun land is leeggeroofd door hun vijanden. De Israëlieten zitten gevangen. Ze zijn door vijanden meegenomen en opgesloten. Maar niemand haalt hen terug, niemand wil hen bevrijden.

Jesaja wil dat Israël nadenkt

23Volk van Israël, denk hier goed over na, en leer ervan! 24Wie heeft ervoor gezorgd dat jullie meegenomen werden? En dat de steden leeggeroofd zijn? Dat was de Heer. Dat deed hij omdat jullie je tegen hem verzet hadden. Jullie deden niet wat hij zei. Jullie wilden niet luisteren naar zijn lessen.

25De Heer was woedend, daarom heeft hij jullie gestraft. Er kwam oorlog en geweld, jullie werden bedreigd door vuur en vlammen. Maar jullie begrepen niet waarom. Jullie hebben er niets van geleerd.

43

De Heer zal Israël redden

431De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, wees niet bang, ik zal je bevrijden. Want ik heb je gemaakt, ik heb je het leven gegeven. Ik heb jou je naam gegeven, jij bent van mij!

2Als je door water heen moet, zal ik bij je zijn. Als je rivieren oversteekt, zul je niet verdrinken. Als je door vuur loopt, zul je niet verbranden. De vlammen zullen je geen pijn doen. 3-4Want ik, de Heer, ben jouw God. Ik ben de heilige God van Israël, en ik zal je bevrijden.

Israël, jij bent heel belangrijk voor mij, je bent heel veel waard. Ik houd zo veel van je! Voor jou gaf ik Egypte, Nubië en Seba weg. Voor jou geef ik alles weg, alle mensen en alle volken van de wereld.

5Wees niet bang, want ik zal bij je zijn. Ik haal je nakomelingen terug uit het oosten en uit het westen. 6Tegen het noorden zeg ik: ‘Geef mijn volk terug.’ Tegen het zuiden zeg ik: ‘Laat mijn volk gaan!’ Tegen alle verre landen zeg ik: ‘Breng mijn volk weer terug. 7Breng de Israëlieten allemaal terug. Ze zijn naar mij genoemd. Ik heb hen gemaakt ter ere van mijzelf, ik heb hun het leven gegeven.’’

De Heer is de enige God

8De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Jullie moeten komen. Jullie zijn blind, ook al hebben jullie ogen. Jullie zijn doof, ook al hebben jullie oren. 9Ook de andere volken zijn gekomen, ze zijn er allemaal. Vraag die andere volken eens of hun goden de toekomst voorspeld hebben. Als ze zeggen van wel, kunnen ze dat dan ook bewijzen?

10Volk van Israël, jullie zijn het bewijs dat ik gelijk heb. Jullie zijn mijn dienaren. Ik heb jullie uitgekozen, omdat ik wil dat jullie mij kennen en me vertrouwen. Ik wil dat jullie zeggen: ‘De Heer is de enige God. Er is nooit een andere god geweest en er zal nooit een andere god zijn.’ 11Ik ben de Heer, ik alleen. Er is geen andere god die mensen kan bevrijden.

12Ik zei dat jullie bevrijd zouden worden. En ik heb jullie ook bevrijd! Jullie hebben het van mijzelf gehoord, en niet van een ander. Jullie zijn het bewijs dat ik echt God ben. 13En ik zal altijd jullie God zijn. Niemand kan mijn macht kleiner maken. En niemand kan tegenhouden wat ik van plan ben.’

De Heer zal zijn volk bevrijden

14De Heer zegt tegen zijn volk Israël: ‘Ik ben de heilige God, ik ben jullie bevrijder. Om jullie te redden, stuur ik een leger naar de stad Babel. Alle inwoners zullen vluchten. Ze zullen huilend wegvluchten met hun schepen.

15Ik ben de Heer, jullie heilige God. Ik heb jullie gemaakt, ik ben jullie koning. 16Ik ben de Heer, die voor jullie een pad door de zee maakte. 17Ik stuurde het leger van de Egyptenaren achter jullie aan, met hun paarden en wagens. Maar door mij vielen ze allemaal op de grond. Ze stonden niet meer op. Het hele leger verdween, als een kaars die opbrandt.

18Maar denk niet alleen aan wat er gebeurd is. Kijk niet alleen terug naar het verleden. 19Want ik ga iets nieuws doen. Het is zelfs al begonnen, heb je het niet gemerkt?

Ik maak een weg door de woestijn, en ik laat er rivieren stromen. 20De dieren in de woestijn zullen mij eren, omdat ik voor water zorg. En ook jullie zullen water kunnen drinken. Want jullie zijn het volk dat ik uitgekozen heb. 21Jullie zijn het volk dat ik gemaakt heb. En jullie zullen aan iedereen vertellen hoe machtig ik ben.’

De Heer is teleurgesteld in zijn volk

22De Heer zegt: ‘Volk van Israël, jullie hebben niet tot mij gebeden! Jullie hebben helemaal geen moeite voor mij gedaan. 23-24Jullie hebben wel schapen geofferd, maar niet aan mij. Jullie hebben wel dure kruiden gekocht, maar niet voor mij. Jullie hebben je beste dieren niet aan mij geofferd.

Trouwens, ik heb jullie helemaal niet gevraagd om offers te brengen of wierook te branden. Ik heb het jullie dus niet moeilijk gemaakt. Maar jullie hebben het mij wel moeilijk gemaakt. Want jullie hebben veel verkeerde dingen gedaan!’

De Heer zal zijn volk toch vergeven

25De Heer zegt: ‘Volk van Israël, ik zal jullie zonden vergeven en vergeten. Maar dat doe ik niet voor jullie. Nee, ik doe het alleen voor mijzelf.

26Als jullie vinden dat ik iets fout gedaan heb, bewijs dat dan maar! We zullen zien wie er gelijk heeft. 27Jullie voorvader Jakob had al gezondigd. En jullie leiders hebben zich steeds tegen mij verzet. 28Daarom is Israël verwoest. Daarom mogen de priesters niet langer in mijn tempel werken. En daarom lachen de vijanden jullie uit.’

44

De Heer zal Israël redden

441-2De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, luister! Jij bent mijn dienaar. Ik heb jou uitgekozen. Ik heb je gemaakt. Ik heb je het leven gegeven, nog voordat je geboren was. Ik help je altijd. Want jij bent mijn dienaar, jou heb ik uitgekozen.

Israël, je hoeft niet bang te zijn. 3Want dit ga ik doen: ik zal weer rivieren laten stromen door het droge land. En zoals ik water geef aan het droge land, zo zal ik mijn geest geven aan je nakomelingen. Ik zal hun een gelukkig leven geven. 4Door mijn geest zal het goed gaan met je nakomelingen. Net zoals planten goed groeien als het regent. En net zoals bomen goed groeien als ze langs het water staan.

5Veel mensen zullen zeggen: ‘Ik hoor bij de Heer.’ Of: ‘Ik ben van de Heer.’ Iedereen wil bij het volk van Israël horen.’

Er zijn geen andere goden

Er is niemand zoals de Heer

6De machtige Heer zegt: ‘Volk van Israël, ik ben jullie koning. Ik heb jullie bevrijd. Ik ben de eerste en ik ben de laatste. Er is geen andere god.

7Is er een god zoals ik? Laat hij dat dan bewijzen. Kan hij vertellen wat er gebeurd is, vanaf de schepping tot nu? En kan hij ook zeggen wat er in de toekomst gaat gebeuren?

8Volk van Israël, jullie hoeven niet bang te zijn. Want er is geen andere god! Ik ken geen god die zo machtig en trouw is als ik. Ik ben de enige. Dat heb ik jullie al vanaf het begin gezegd, ik heb het jullie steeds verteld. Jullie hebben het zelf gehoord.’

De afgoden kunnen niets

9De Heer zegt: ‘Volk van Israël! Mensen die godenbeelden maken, zijn niets waard. Want die beelden kunnen niemand helpen. Als je de mensen vraagt wat hun goden gedaan hebben, dan weten ze geen antwoord en zullen ze zich schamen. 10Maar als die goden niets kunnen, waarom maken mensen er dan beelden van? 11Je kunt geen hulp verwachten van beelden die door mensen gemaakt zijn. Als de mensen bij elkaar komen om die beelden te vereren, zullen ze schrikken. Want dan merken ze dat er niets gebeurt. Ze zullen teleurgesteld zijn.’

Een beeld is van ijzer of hout

12Een smid gebruikt gereedschap om een beeld te maken. Eerst smelt hij ijzer in het vuur. Daarna slaat hij met een hamer het ijzer in de goede vorm. Zijn sterke armen hebben veel kracht. Maar als hij niet eet en niet drinkt, dan heeft hij geen kracht meer en wordt hij moe.

13Ook een timmerman gebruikt gereedschap om een beeld te maken. Daarmee meet hij het hout en tekent hij heel precies de vorm. Dan hakt hij het beeld uit het hout. Hij geeft het beeld de vorm van een mens. Hij maakt een prachtig beeld dat iemand in zijn huis kan zetten.

14Maar om aan hout te komen, moet de timmerman eerst een paar bomen planten. De bomen zullen groeien door de regen. Als ze groot genoeg zijn, hakt de timmerman ze om. 15Een deel van het hout gebruikt hij voor de oven. Zo houdt hij zich warm en bakt hij zijn brood. Met de rest van het hout maakt hij een godenbeeld, waarvoor hij knielt.

16De helft van het hout gebruikt hij dus om een vuur te maken. Dan kan hij vlees roosteren en daarvan eten zo veel hij wil. En dan geniet hij van de warmte en zegt: ‘Ha, wat is het lekker warm. Ik voel de hitte.’ 17Met de andere helft van het hout maakt hij een godenbeeld, waarvoor hij knielt. En dan bidt hij tot dat beeld en zegt: ‘Red mij, want u bent mijn god!’

De mensen knielen voor een stuk hout

18De mensen begrijpen het niet. Hun ogen lijken wel dichtgeplakt, ze zien niets en ze begrijpen niets. 19Het dringt niet tot hen door wat er gebeurt. Ze snappen het niet. Ze begrijpen niet dat ze een beeld hebben gemaakt van hout! Met zulk hout maken ze ook een vuur om brood op te bakken en om vlees op te roosteren. Ze knielen dus voor een gewoon stuk hout!

20De mensen vertrouwen op iets waar ze niets aan hebben. Ze laten zich bedriegen. En het loopt verkeerd met hen af. Ze begrijpen niet dat ze zichzelf voor de gek houden met zo’n houten beeld.

Israël moet terugkomen bij de Heer

21De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, jij bent mijn dienaar. Onthoud dat goed! Ik heb je gemaakt, je bent van mij. Ik zal jou nooit vergeten. 22Ik heb je al je misdaden vergeven. Ze zijn verdwenen, zoals de wolken verdwijnen door de zon. Israël, kom bij mij terug. Ik zal je bevrijden.’

23Iedereen moet juichen, want de Heer zal zijn volk bevrijden. Juich allemaal! Alles in de hemel moet juichen, en alles diep in de aarde moet juichen. En ook de bergen en de bossen, ja, alle bomen! De Heer zal Israël bevrijden. Zo laat hij zien hoe machtig hij is.

De Heer kiest koning Cyrus uit

De Heer zal zijn volk bevrijden

24De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, ik zal je bevrijden. Want ik heb je gemaakt. Ik heb je het leven gegeven, nog voordat je geboren was. Ik, de Heer, heb alles gemaakt. Ik alleen heb de aarde gemaakt. En ik heb ook de hemel gemaakt, als een koepel boven de aarde.

25Priesters en waarzeggers zeggen van alles over de toekomst. Maar ik zorg ervoor dat hun voorspellingen niet uitkomen. Iedereen zal zien dat hun uitspraken belachelijk zijn.

26Maar alles wat mijn dienaren zeggen, is waar. Alles wat mijn profeten voorspeld hebben, zal echt gebeuren. Ik zal weer mensen laten wonen in Jeruzalem. De steden van Juda zullen weer opgebouwd worden. Ja, alle steden die verwoest waren, zullen weer opgebouwd worden. Daar zal ik voor zorgen. 27Want ik ben de Heer. Ik kan de diepste zee laten opdrogen, ik kan al het water uit de rivieren laten verdwijnen.

28Ik zeg tegen koning Cyrus: ‘Jij zult mijn volk leiden. Jij zult mijn plannen uitvoeren.’ Cyrus zal ervoor zorgen dat Jeruzalem weer opgebouwd wordt. En dat er in die stad een nieuwe tempel komt.’